Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:1124

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-03-2015
Datum publicatie
03-03-2015
Zaaknummer
14_4139
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sluiting van bedrijfspand op grond van artikel 13b Opiumwet. In het pand zijn door de eigenaar twee levenloze personen aangetroffen. Politie heeft geconcludeerd dat er een drugslaboratorium in het pand gevestigd was, burgemeester heeft pand vervolgens gesloten. Rechtbank oordeelt dat burgemeester bevoegd was tot sluiting over te gaan. De omstandigheden die eiser aanvoert zijn niet bijzonder genoeg om te oordelen dat verweerder van die bevoegdheid geen gebruik mocht maken. Wijze van uitvoering van de sluiting kan niet door de bestuursrechter worden getoetst; betreft een zuiver feitelijke handeling waarover slechts de burgerlijke rechter kan oordelen.

Wetsverwijzingen
Opiumwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6645
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 14/4139

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2015 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

en

de burgemeester van de gemeente Uden, verweerder

(gemachtigde: M. Hulleman).

Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2014, nader aangevuld bij besluit van 14 mei 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet de sluiting van een gedeelte van het bedrijfspand aan [adres] bevolen voor de duur van 12 maanden, met ingang van de dag van bekendmaking.

Bij besluit van 10 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De gronden dateren van
20 november 2014.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2015. Eiser is verschenen in persoon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende feiten als vaststaand aan.

Eiser is eigenaar van het bedrijfspand aan [adres] (hierna ook: het pand). Hij verhuurt het pand aan [bedrijf 1], die het pand op zijn beurt heeft onderverhuurd aan twee huurders die een rioleringsfirma zouden exploiteren. Omdat de huurders niet aan hun financiële verplichtingen voldeden en er enige tijd niets van hen was vernomen, ging eiser samen met de eigenaar van [bedrijf 1] poolshoogte nemen. Daar troffen zij de twee huurders levenloos aan.

Op 28 april 2014 heeft politieonderzoek plaatsgevonden.

In het proces-verbaal van bevindingen van de politie van Oost-Brabant van 21 mei 2014 dat naar aanleiding van het onderzoek op 28 maart 2014 is opgesteld, wordt het pand een “laboratorium” genoemd en is vermeld dat in het afgeschermde gedeelte van het pand amfetamine via de Leuckartmethode was geproduceerd en dat alle productieapparatuur en chemicaliën aanwezig waren voor de omzetting van APAAN in BMK. Verder is vermeld dat alle goederen, chemicaliën. (half)producten en afvalstoffen werden geïnventariseerd en waar nodig bemonsterd, en dat door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) een aantal monsters werden geanalyseerd.

Het NFI heeft de monsters van de chemicaliën in het laboratorium onderzocht en heeft daarvan op 1 augustus 2014 een rapport opgesteld. De conclusies in dit rapport luiden als volgt:

“Vraagstelling 1 – Identificatie in relatie tot de Opiumwet

In het onderzoeksmateriaal is amfetamine, BMK, APAAN en zoutzuur aangetoond (…).

Vraagstelling 2 – Onderzoek naar illegale productie van synthetische drugs

De samenstelling van een groot deel van het onderzoeksmateriaal is kenmerkend voor de vervaardiging van amfetamine uit BMK met de Leuckartmethode. Daarnaast is een deel van het onderzoeksmateriaal terug te voeren op de vervaardiging van BMK uit APAAN met zoutzuur.”

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat – kort gezegd – de feiten en omstandigheden voldoende aanleiding geven het pand direct te sluiten voor de duur van 12 maanden. Hierbij heeft verweerder gewezen op het ter plaatse aangetroffen laboratorium, de stof amfetamine als bedoeld in lijst I bij de Opiumwet, de aanwezigheid van grondstoffen om deze harddrugs te vervaardigen en van verpakkingsmiddelen. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval van sluiting had moeten worden afgezien, is volgens verweerder niet gebleken.

3. Eiser voert aan dat er geen bewijs is voor de aanwezigheid van drugs in het pand. Het proces-verbaal van 21 mei 2014 geeft aan dat er geen duidelijkheid is over welke stoffen er in het pand aanwezig waren. Ter zitting heeft eiser hieraan toegevoegd dat de hoeveelheid van de stoffen die zouden zijn aangetroffen evenmin bekend is. De overleden personen hebben weliswaar geprobeerd om drugs te produceren, maar omdat ze niet wisten hoe dat moest, is het hun dood geworden. Eiser vermoedt dat productie dan ook niet heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft voorts ten onrechte verondersteld dat sprake is van een drugsnetwerk. Er is geen sprake (geweest) van een loop naar het desbetreffende pand in verband met drugs of andere illegale activiteiten.

4. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

In lijst I is, voor zover hier van belang, amfetamine vermeld als zijnde een harddrug.

In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2005–2006, 30 515, nr. 3), is vermeld dat met de uitdrukking “daartoe aanwezig is” in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, wordt gedoeld op de aanwezigheid van verdovende middelen, ongeacht de hoeveelheid, die gebruikt wordt of bestemd is voor de verkoop, aflevering of verstrekking daarvan. Voor zover de gedachte mocht hebben post gevat, dat daarmee een handelsvoorraad wordt bedoeld, is er sprake van een misverstand.

5. Verweerder heeft ter nadere uitwerking van de op grond van voormeld artikel aan hem toekomende bevoegdheid de “Beleidsregel bestuurlijke handhaving van artikel 13b Opiumwet” (het beleid) vastgesteld. Hierin is, voor zover hier van belang, bepaald:

“In deze notitie wordt onder drugshandel verstaan: de verkoop, aflevering of verstrekking dan wel daartoe aanwezigheid van drugs in een pand en de daarbij behorende erven.

(…)

De niet gedoogde verkooppunten van drugs worden gesloten in de volgende gevallen:

-harddrugs in niet gedoogde verkooppunten van drugs

Bij een 1ste constatering dat in al dan niet voor publiek toegankelijke lokalen - niet zijnde feitelijk bewoonde woningen - en daarbij behorende erven drugshandel t.a.v. harddrugs wordt geconstateerd, dan wordt het pand gesloten voor de duur van 12 maanden (minimaal).”

6. Allereerst oordeelt de rechtbank dat het betoog van eiser dat er geen bewijs is voor de aanwezigheid van drugs in het pand en dat er geen productie heeft plaatsgevonden, feitelijke grondslag mist. Zoals eiser ook ter zitting is voorgehouden, blijkt immers uit het rapport van het NFI van 1 augustus 2014 dat er amfetamine is aangetroffen, alsmede de grondstoffen waarmee amfetamine wordt vervaardigd, zoals BMK, APAAN en zoutzuur. Amfetamine is een harddrug als bedoeld in de Opiumwet. Eiser heeft geen contra-expertise overgelegd die aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het NFI-rapport.

7. Gelet op het hiervoor genoemde toetsingskader is de hoeveelheid aangetroffen amfetamine niet van belang, mits deze aangetroffen drugs bestemd is voor de verkoop, aflevering of verstrekking daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op grond van wat er in de loods is aangetroffen (amfetamine, grondstoffen voor de vervaardiging van amfetamine en productieapparatuur) in onderlinge samenhang bezien, op het standpunt kunnen stellen dat dit het geval is. Reeds hierom bestond voor verweerder de bevoegdheid om, in overeenstemming met verweerders beleid op dit punt, over te gaan tot sluiting van het (in het primaire besluit genoemde gedeelte van het) pand voor de duur van 12 maanden. De stellingen van eiser dat verweerder ten onrechte heeft verondersteld dat sprake is van een drugsnetwerk en dat geen sprake is geweest van een loop naar het pand in verband met drugs of andere illegale activiteiten - daargelaten dat deze stellingen niet nader zijn onderbouwd - kunnen eiser hier niet baten. De beroepsgrond faalt.

8. Eiser voert verder aan dat de sluiting van het pand met 12 maanden niet gepast is.

De rechtbank overweegt over deze beroepsgrond het volgende.

9. Aan de orde is de vraag of verweerder, hoewel hij bevoegd was om op grond van artikel 13b van de Opiumwet tot sluiting van het pand over te gaan, hij evenwel, na afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid niet hiertoe kon overgaan.

10. De rechtbank stelt vast dat verweerder in overstemming met het beleid heeft gehandeld.

De rechtbank acht het beleid dat verweerder voert bij al dan niet voor publiek toegankelijke lokalen - niet zijnde feitelijk bewoonde woningen - en daarbij behorende erven, niet kennelijk onredelijk. Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van de in artikel 4:84 van de Awb genoemde bijzondere omstandigheden en daarom in redelijkheid kunnen besluiten geen toepassing aan dat artikel te geven. De stellingen die eiser ter zitting naar voren heeft gebracht, namelijk dat hij verweerder al zijn medewerking heeft verleend aan het onderzoek, dat verweerder op meerdere punten de waarheid heeft verdraaid en dat van het bestreden besluit een stigmatiserende werking uitgaat richting hem en richting zijn clientèle, kunnen, wat daar overigens ook van zij, niet worden aangemerkt als zulke bijzondere omstandigheden. Hierbij moet mede in aanmerking worden genomen dat het doel van de maatregel is gericht op – kort gezegd – het herstellen van de situatie. Het is geen bestraffende maatregel die gericht is op eiser als verhuurder. De beroepsgrond faalt.

11. Eiser voert ten slotte aan dat verweerder voorts ten onrechte de groene linkerdeur, gezien vanaf [straat], heeft gesloten. Deze deur behoort tot een ander bedrijf, te weten het naastgelegen [bedrijf 2], een cliënt/ huurder van eiser. Dat bedrijf staat hier helemaal buiten en eiser wenst dat de op de deur bevestigde mededeling van de sluiting wordt verwijderd, omdat de mededeling een stigmatiserende werking heeft voor [bedrijf 2]. Ook kan [bedrijf 2] de inrit niet gebruiken waardoor [bedrijf 2] niet bij de containers kan komen.

12. Niet in geschil is dat het pand aan [adres] bestaat uit twee gedeelten die van elkaar zijn afgesloten, namelijk het gedeelte dat oorspronkelijk werd gehuurd door [bedrijf 1] en waar het drugslaboratorium is gevonden, en daarnaast de ruimte die wordt gehuurd door [bedrijf 2]. De groene linkerdeur bevindt zich niet in een (buiten)muur ter hoogte van het drugslaboratorium, maar in een (buiten)muur ter hoogte van [bedrijf 2]. Daarbij is niet in geschil dat deze deur geen toegang geeft tot het drugslaboratorium. De sluiting van deze deur valt daarom niet onder het bereik van het bevel tot sluiting, dat immers enkel ziet op sluiting van het zelfstandige gedeelte van het pand waar voorheen [bedrijf 1] was gevestigd en waar het drugslaboratorium is gevonden. Het betreft daarom een zuiver feitelijke handeling. Dat soort handelingen kunnen niet ter toetsing aan de bestuursrechter worden voorgelegd (artikelen 8:1 van de Awb en verder). De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 september 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:992), waaruit blijkt dat bij de toetsing van een besluit om tot bestuursdwang over te gaan, de vraag of de bestuursdwang feitelijk correct is uitgevoerd, niet aan de orde is. Indien eiser meent dat verweerder jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door de groene linkerdeur te sluiten, staat het hem vrij een procedure aanhangig te maken bij de burgerlijke rechter, die wel een oordeel kan geven over dergelijke feitelijke handelingen. Deze beroepsgrond faalt dus eveneens.

13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.H. Rijken-Lie, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.C.J. Kohl, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2015.

De griffier is verhinderd rechter

de uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.