Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:1036

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-02-2015
Datum publicatie
26-02-2015
Zaaknummer
3127612
Rechtsgebieden
Europees civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Luchtvaartzaak. Gestolen bagage. bevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Kanton Eindhoven

Zaaknummer : 3127612

Rolnummer : 14-6580

Uitspraak : 19 februari 2015

Beschikking op grond van Verordening (EG) nr. 861/2007 in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres, hierna [eiseres],
gemachtigde: mr. M. Oudriss,

t e g e n

Wizz Air Hungary Airlines Ltd.,

gevestigd te Budapest H-1185, Hongarije,
verweerster, hierna Wizz Air,

niet verschenen.

De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  1. Het standaard vorderingsformulier A van 12 mei 2014, met producties, van bijlage I van Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (hierna: de Verordening);

  2. De aangetekende brief van 1 juli 2014 aan Wizz Air waarbij zij in de gelegenheid is gesteld binnen 30 dagen na dagtekening van die brief verweer te voeren tegen de vordering. Bij het schrijven heeft de griffier gevoegd antwoordformulier C met een kopie van vorderingsformulier A met producties en bijlage II van de Betekeningsverordening 1393/2007, waarbij Wizz Air de mogelijkheid is geboden de stukken te weigeren omdat ze in een taal zijn gesteld die zij niet begrijpt.

  3. Formulier B van 18 september 2014 van de griffier aan [eiseres] met het verzoek punt 4.4. van het vorderingsformulier aan te vullen.

  4. De brief van [eiseres] van 26 september 2014 met de aanvulling op punt 4.4. van het vorderingsformulier.

Vordering

[eiseres] legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. Na een vlucht van Eindhoven Airport naar Cluj-Napoca (Roemenië) op 16 maart 2014, constateerde [eiseres] dat haar bagage was opengebroken en dat diverse zaken uit haar bagage waren ontvreemd. Zij heeft schade geleden voor een bedrag van € 1.276,09. Wizz Air weigert [eiseres] financieel te compenseren, zodat zij zich genoodzaakt zag onderhavige procedure te starten. Op grond van het voorgaande vordert [eiseres] van Wizz Air betaling van een hoofdsom van € 1.276,09, te vermeerderen met rente, € 191,41 wegens buitengerechtelijke incassokosten en proces- en nakosten. De kantonrechter te Eindhoven is bevoegd kennis te nemen van het geschil op grond van artikel 5 lid 1 sub b tweede streepje EEX-Vo in combinatie met het Rehder arrest.

Verweer

Er is geen verweer gevoerd door Wizz Air.

De beoordeling

1. De Europese procedure voor geringe vorderingen (EPGV-Vo) is – zakelijk weergegeven – in grensoverschrijdende gevallen van toepassing in burgerlijke en handelszaken, indien de waarde van een vordering, alle rente, kosten en uitgaven niet meegerekend, op het tijdstip dat het vorderingsformulier ter griffie van de rechtbank wordt ontvangen, niet meer bedraagt dan € 2.000,00, en zowel verzoeker als verweerder in een lidstaat wonen waarvoor de verordening geldt (artikel 2 lid 3 EPGV-Vo), een en ander behoudens de in artikel 2 lid 2 van de EPGV-Vo genoemde uitzonderingen.

2. De kantonrechter stelt vast dat de vordering binnen het toepassingsbereik van de EPGV-Vo valt, nu [eiseres] in Nederland woont en Wizz Air in Hongarije gevestigd is, waarbij beide landen lidstaten zijn waarvoor de EPGV-Vo geldt.

3. Voorts dient de kantonrechter aan de hand van de verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken EG/44/2001(hierna EEX-Vo) te bepalen of hij als Nederlandse rechter bevoegd is, nu een aparte bevoegdheidsregeling in de EPGV-Vo ontbreekt.

4. [eiseres] geeft in haar verzoekschrift aan dat de Nederlandse rechter en meer specifiek de kantonrechter te Eindhoven bevoegd is van het geschil kennis te nemen, op grond van artikel 5 lid 1 sub b tweede streepje EEX-Vo in combinatie met het Rehder arrest, dat bepaalt dat de plaats van vertrek, Eindhoven, de kantonrechter te Eindhoven als bevoegde rechter aanwijst.

5. De kantonrechter overweegt dat in artikel 5 EEX-Vo alternatieve bevoegdheidsgronden zijn opgenomen die bepalen dat een persoon, in dit geval Wizz Air, die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat óók kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of hadden moeten worden.

Het Hof van Justitie heeft voorts overwogen in het Rehder-arrest (HvJ EU 9 juli 2009, C-204/08, in r.o. 40 en 41): “(…) De diensten die ter uitvoering van de verbintenissen uit een overeenkomst voor het vervoer van personen door de lucht worden verstrekt, betreffen namelijk het inchecken en instappen van de passagiers alsmede hun onthaal aan boord van het vliegtuig op de in de betrokken vervoerovereenkomst overeengekomen plaats van vertrek, het vertrek van het toestel op het voorziene tijdstip, het vervoer van de passagiers en hun bagage van de plaats van vertrek naar de plaats van aankomst, de zorg voor de passagiers tijdens de vlucht, en, ten slotte, het uitstappen van de passagiers in veilige omstandigheden op de plaats en het tijdstip van landing die in die overeenkomst zijn overeengekomen. In dit opzicht hebben ook de plaatsen waar het toestel eventueel een tussenlanding maakt geen toereikende band met de voornaamste uit deze overeenkomst voortvloeiende diensten. De enige plaatsen die een rechtstreekse band hebben met de genoemde diensten, die worden verstrekt ter uitvoering van de met het voorwerp van de overeenkomst verband houdende verbintenissen, zijn de plaats van vertrek en die van aankomst van het vliegtuig (...)”.

6. De uitspraak van het Hof van Justitie is weliswaar een beantwoording van prejudiciële vragen in de context van een procedure ingevolge Verordening 261/2004 strekkende tot compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten, maar betreft wél de uitleg van artikel 5 lid 1 sub b tweede gedachtestreep EEX-Vo. Het voorgaande leidt ertoe dat in het geval van luchtvervoer van personen van een lidstaat naar een andere lidstaat op grond van een overeenkomst die is gesloten met één enkele luchtvaartmaatschappij, die de vlucht uitvoert, de bepaling zo moet worden uitgelegd, dat het gerecht in het rechtsgebied waar de plaats van vertrek (Eindhoven Airport) van het vliegtuig zich bevindt, zoals deze plaatsen in die overeenkomst zijn overeengekomen, bevoegd is van vorderingen als de onderhavige waarbij [eiseres] zich beroept op wanprestatie van Wizz Air omdat haar bagage ondeugdelijk is aangekomen, kennis te nemen.

7. De kantonrechter te Eindhoven acht zich gelet op het voorgaande bevoegd ten aanzien van de door [eiseres] ingestelde vordering.

8. De kantonrechter overweegt voorts het volgende.

Wizz Air heeft geen antwoord ingediend binnen de termijn van 30 dagen als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening, zodat de kantonrechter de vordering en de nevenvorderingen, die niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen, zal toewijzen.

9. Wizz Air zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten.

10. Op verzoek van [eiseres] zal een certificaat betreffende een beslissing in de Europese procedure voor geringe vorderingen (formulier D van bijlage IV van de Verordening) aan deze beschikking worden gehecht.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Wizz Air om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.467,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.276,09 vanaf 16 maart 2014 tot aan de dag van voldoening;

veroordeelt Wizz Air in de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiseres] gevallen en tot op heden vastgesteld op een bedrag van € 219,00 wegens griffierecht en een bedrag van € 100,00 wegens het salaris van de gemachtigde van [eiseres];

veroordeelt Wizz Air in de kosten die na deze beschikking ontstaan, begroot op € 50,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast), en te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Wizz Air niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan deze beschikking heeft voldaan en er vervolgens betekening van de beschikking heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van de betekening van de beschikking.

Gewezen door mr. G.J. Roeterdink, kantonrechter, en op 19 februari 2015 uitgesproken op de openbare terechtzitting.