Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:906

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-02-2014
Datum publicatie
28-02-2014
Zaaknummer
AWB-13_4300
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:3679, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder was bevoegd om tot onttrekking van een toe-en afrit aan de A59 over te gaan. Geen sprake van een situatie waarin de belangen zodanig onevenwichtig zijn afgewogen dat niet in redelijkheid tot onttrekking kon worden overgegaan. Gestelde schade niet van dien aard dat daarmee het normaal maatschappelijk risico wordt overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/4300

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 februari 2014 in de zaak tussen

[bedrijf 1], eiseres 1,

[bedrijf 2], eiseres 2,

[bedrijf 3], eiseres 3,

[bedrijf 4], eiseres 4,

[bedrijf 5], eiseres 5, alle gevestigd te[vestigingsplaats],

gezamenlijk te noemen: eiseressen

(gemachtigde: mr. E. Beele),

en

de Kroon,

op voordracht van de minister van Infrastructuur en Milieu,

verweerder

(gemachtigden: mr. drs. A. Divis-Stein, ing. K.H.A. Drijvers en ing. L.A.H.J. Peters).

Procesverloop

Bij Koninklijk Besluit van 26 juni 2013, nr. 13.001300 (Stcrt 2013, 20059) (het bestreden besluit) heeft de Kroon, op voordracht van de minister van Infrastructuur en Milieu, besloten de toe- en afritten van de aansluiting Drunen/Elshout (nummer 41) gelegen langs de noord- en zuidzijde van de A59 in de gemeente Heusden aan het openbaar verkeer te onttrekken.

Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2013. Eiseressen 1 tot en met 3 zijn vertegenwoordigd door [persoon 1] en eiseressen 4 en 5 door [persoon 2]. Zij werden bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

2.

De A59 en de daarlangs gelegen toe- en afritten van de aansluiting Drunen/Elshout (nummer 41) in de gemeente Heusden zijn bij het Rijk in onderhoud.

3.

[bedrijf 3] en[bedrijf 5], zijn gevestigd op het, op korte afstand van de A59 gelegen, bedrijventerrein “De Meeuwaert” aan respectievelijk de [adres] te Elshout (gemeente Drunen). [bedrijf 2]en [bedrijf 4] zijn de eigenaren van de grond met opstallen aan respectievelijk de [adres]. [bedrijf 1] is eigenaar van een deel van de aldaar gelegen bedrijfsgebouwen.

4.

[bedrijf 5] is een internationale handelsonderneming in AGF-producten waarvan de werkzaamheden bestaan uit opslag, transport van groenten en (vers) fruit en de groothandel daarin. Zij is sinds 1993 op de huidige locatie gevestigd, beschikt over 8.351 m2 kantoor- en magazijnruimte en heeft circa 200 medewerkers in dienst. Zij bevoorraadt bedrijven in heel Nederland en importeert producten uit alle continenten. Voor het transport heeft het bedrijf 12 geconditioneerde vrachtwagens. Deze rijden bijna vierentwintig uur per dag, gemiddeld 250.000 kilometer per vrachtwagen per jaar. Daarnaast heeft zij diverse kleinere voertuigen. Waar nodig wordt gebruik gemaakt van charters en doet zij een beroep op voertuigen van andere bedrijven zoals [bedrijf 3]. Klanten kunnen de bestellingen ook zelf bij het bedrijf afhalen.

5.

[bedrijf 3] is een volcontinubedrijf dat producten (bijvoorbeeld AGF, bloemen en planten, halffabrikaten in de voedingsmiddelenindustrie of gemakslevensmiddelen die gemiddeld 6 à 7 dagen houdbaar zijn) koelt, verwarmt of vriest. Zij is sinds 1976 op de huidige locatie gevestigd, beschikt over 9.835 m2 kantoor- en magazijnruimte en heeft 150 medewerkers in dienst. Het bedrijf heeft 49 vrachtwagens en 40 vast ingehuurde vrachtwagen/charters.

6.

Eiseressen hebben zienswijzen over het voorgenomen besluit tot onttrekking naar voren gebracht.

7.

Verweerder is tot het bestreden besluit gekomen omdat is geconstateerd dat ter plaatse van de toe- en afritten sprake is van een ontoereikende verkeersafwikkeling die tot gevolg heeft dat het verkeer op de A59 gestremd raakt en er zowel op het lokale als het interlokale wegennet onoverzichtelijke situaties ontstaan die niet voldoen aan de richtlijnen voor een duurzaam veilig wegontwerp. Voorts is volgens verweerder uit onderzoek gebleken dat deze ontoereikende verkeersafwikkeling en onoverzichtelijke situaties leiden tot verkeersonveiligheid en een subjectief onveilig gevoel bij verkeersdeelnemers. In het kader van de uitgangspunten van het Duurzaam Veilig beleid van Rijkswaterstaat is besloten nieuwe toe- en afritten te realiseren nabij de aansluiting Heusden (nummer 42) en de onderliggende kruispunten ter hoogte van de aansluiting Drunen/Elshout te reconstrueren. Ten gevolge van de realisatie van de nieuwe toe- en afritten en de hierboven genoemde reconstructie is het volgens verweerder gewenst de huidige toe- en afritten van de aansluiting Drunen/Elshout (nummer 41) aan het openbaar verkeer te onttrekken. Met betrekking tot de door eiseressen naar voren gebrachte zienswijzen heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat een geschikte en verkeersveilige oplossing op de huidige locatie niet mogelijk is. Voorts is ten aanzien van de door eiseressen gesignaleerde vermenging van vrachtverkeer en fietsverkeer overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat de fietsintensiteit niet bijzonder hoog is. Bij handhaving van de verkeersregels en eventueel te nemen aanvullende verkeersmaatregelen worden geen problemen verwacht door vermenging van vrachtverkeer en fietsverkeer. Verweerder is voorts van mening dat het algemene belang van een veilige verkeersafwikkeling op de A59 en op het interlokale wegennet zodanig zwaar weegt dat bij de afweging deze belangen dienen te prevaleren boven de belangen van eiseressen. Wat betreft de door eiseressen te verwachten omrijschade en waardedaling van opstallen wijst verweerder op onderzoeken die uitwijzen dat de omrijschade en de aldus te verwachten waardedaling bij de voorgenomen onttrekking niet het normaal maatschappelijk risico te boven zal gaan. Het staat eiseressen echter vrij om een verzoek in te dienen op grond van de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999, aldus verweerder.

8.

Begin september 2013 zijn, in navolging van het bestreden besluit, de desbetreffende toe- en afritten feitelijk voor het verkeer afgesloten.

9.

Eiseressen hebben als beroepsgrond aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen bij het openhouden van de betreffende toe- en afritten. Als gevolg van de gewijzigde verkeerssituatie bedraagt de gemiddelde rij-afstand van de bedrijven naar de A59 3,6 kilometer in plaats van 1 kilometer. Ook wordt de route trager als gevolg van meer obstakels in de route, waaronder rotondes. Eiseressen stellen als gevolg daarvan in de uitoefening van hun bedrijf schade te leiden die het normaal maatschappelijk risico te boven gaat. Eiseressen 1, 2 en 4 die eigenaressen zijn van onroerend goed, stellen als gevolg van de langere rij-afstand een waardedaling van hun onroerend goed tegemoet te kunnen zien.

10.

Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wegenwet kan een weg, welke door het Rijk wordt onderhouden, bij Koninklijk Besluit aan het verkeer worden onttrokken. Gelijk de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) ten aanzien van artikel 9, eerste lid, van de Wegenwet heeft overwogen, betreft dit een bevoegdheid van discretionaire aard (ECLI:NL:RVS:2013:BZ4925). Aan het bevoegd gezag komt daarbij een ruime mate van beleidsvrijheid toe. De rechter dient de aanwending daarvan te beoordelen aan de hand van de maatstaf of er strijd is met wettelijke voorschriften dan wel of de betrokken belangen zodanig onevenwichtig zijn afgewogen dat niet in redelijkheid tot onttrekking kon worden overgegaan. Uit voormelde uitspraak van de Afdeling volgt ook dat voor het besluit tot onttrekking van een weg aan het openbaar verkeer geen dringende reden hoeft te bestaan.

11.

De rechtbank stelt allereerst voorop dat de afsluiting van betreffende toe- en afritten voortvloeit uit de realisatie van nieuwe toe- en afritten nabij de aansluiting Heusden (nummer 42) en de reconstructie van de onderliggende kruispunten ter hoogte van de aansluiting Drunen/Elshout. Als gevolg daarvan heeft verweerder het gewenst geacht de huidige toe- en afritten (nummer 41) aan het openbaar verkeer te onttrekken. Bij de beoordeling van dit beroep kan de rechtbank niet treden in de noodzaak van het creëren van nieuwe toe- en afritten en de voornoemde reconstructie. Zoals verweerder in het bestreden besluit terecht uiteen heeft gezet hadden hierop ziende bezwaren in het kader van de bestemmingsplanprocedure ‘Ei van Drunen’ aan de orde kunnen komen. In die zaak heeft de Afdeling op 26 januari 2011 uitspraak gedaan (ECLI:NL:RVS:2011:BP2097). Aan een beoordeling van de stelling van eiseressen dat onvoldoende is onderzocht welke alternatieven voor het ‘Ei van Drunen’ beschikbaar zijn, komt de rechtbank dan ook niet toe.

12.

In deze zaak dient de rechtbank de reconstructie als een gegeven te aanvaarden en dient vanuit dit oogpunt te worden bezien of verweerder heeft kunnen beslissen de bestaande toe- en afritten af te sluiten. Verweerder heeft hieromtrent gemotiveerd dat de bestaande toe- en afritten geen noodzakelijke functie meer vervullen en het handhaven van deze toe- en afritten met het oog op de verkeersveiligheid en de geldende richtlijnen voor wegontwerp niet wenselijk is. Eiseressen brengen hiertegen in dat mag worden aangenomen dat het ‘Ei van Drunen’ na reconstructie goed werkt en de functie van de toe- en afrit 41 overneemt zodat de gewenste doorstroming wordt bereikt. Verweerder had volgens eiseressen moeten kijken naar de mogelijkheid om de afrit alleen voor bestemmingsverkeer open te houden. De rechtbank volgt eiseressen hierin niet. Zoals aangegeven hoeft voor het besluit tot onttrekking geen dringende reden te bestaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook met de gegeven motivering kunnen volstaan. De door eiseressen gevreesde vermenging van fietsverkeer met vrachtverkeer hangt evenzeer met de hiervoor genoemde reconstructie samen en dient de rechtbank om deze reden evenzeer buiten beschouwing te laten. Voor zover eiseressen betogen dat bij behoud van de toe- en afritten de gesignaleerde vermenging zich minder voor zal doen, ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerders onderzoeksconclusies dat de fietsintensiteit niet bijzonder hoog is in twijfel te trekken. Verweerder heeft dan ook kunnen volstaan met de stelling dat bij handhaving van de verkeersregels en eventueel te nemen aanvullende verkeersmaatregelen geen problemen worden verwacht ten gevolge van de vermenging van vrachtverkeer en fietsverkeer. Verweerder heeft hierin dan ook geen aanleiding hoeven te zien om af te zien van de onttrekking.

13.

De vraag is evenwel of, zoals eiseressen stellen, hun (financiële) belangen zodanig onevenwichtig zijn afgewogen dat niet in redelijkheid tot onttrekking kon worden overgegaan. De rechtbank aanvaardt in deze zaak als een gegeven dat de vrachtwagens waarvan eiseressen [bedrijf 5]en [bedrijf 3]. voor hun bedrijfsvoering gebruikmaken door afsluiting van de toe- en afritten een langere reistijd tegemoet kunnen zien. De andere eiseressen stellen als gevolg van de afsluiting een waardedaling van hun onroerend goed tegemoet te kunnen zien. Verweerder heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat deze schadeposten niet van dien aard zijn dat daarmee het normaal maatschappelijk risico wordt overschreden. Voor zover eiseressen menen dat dit wel het geval is, kunnen zij een verzoek om schadevergoeding op grond van de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 indienen, aldus verweerder. Eiseressen betwisten dat de door hen te lijden schade het normaal maatschappelijk risico niet te boven gaat. Volgens eiseressen had verweerder om die reden het besluit niet mogen nemen danwel tegelijkertijd met de onttrekking eiseressen schadeloos moeten stellen.

14.

Naar het oordeel van de rechtbank doet zich hier niet de situatie voor dat de betrokken belangen zodanig onevenwichtig zijn afgewogen dat niet in redelijkheid tot onttrekking kon worden overgegaan. Verweerder betwist niet dat eiseressen schade kunnen leiden als gevolg van de afsluiting, maar partijen verschillen wel van mening over de hoogte van die schade. Verweerder baseert zijn standpunt over de hoogte van de schade op een deskundigenadvies van april 2012 van De Lorijn raadgevers o.g. en het aanvullend rapport ‘second opinion voor het deskundigenadvies de Lorijn’ van respectievelijk juni en augustus 2012. Eiseressen baseren hun standpunt op een schadebegroting van RE/MAX Vastgoedgroep Experto Credite B.V. van 21 december 2012. Hierin wordt geconcludeerd tot een waardedaling van de panden van € 627.000 respectievelijk € 812.000 en een jaarlijkse schadepost van
€ 200.000 als gevolg van het omrijden en langzamer rijden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder geen nader onderzoek hoeven te verrichten naar de exacte omvang van de door eiseressen te leiden schade omdat eiseressen een beroep kunnen doen op de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999. In het kader van het besluit tot onttrekking heeft verweerder in de door eiseressen gestelde schade in ieder geval geen aanleiding hoeven te zien om af te zien van de onttrekking. Zoals ter zitting aan de orde is gekomen, is de door eiseressen gestelde (jaarlijkse) omrijschade in relatie tot de omzet van de betrokken bedrijven (circa 100 miljoen Euro per jaar voor [bedrijf 5] en circa 15 tot 20 miljoen Euro voor [bedrijf 3]) gering en ligt het in de rede dat het normaal maatschappelijk risico niet wordt overschreden, ook in het geval van de door eiseressen gehanteerde cijfers wordt uitgegaan. Ook de gestelde waardedaling van het onroerend is niet van dien aard dat verwacht kan worden dat het normaal maatschappelijk risico wordt overschreden. In ieder geval doet zich geen situatie voor waarin geoordeeld moet worden dat de belangen zodanig onevenwichtig zijn afgewogen dat niet in redelijkheid tot onttrekking kon worden overgegaan. De beroepsgrond faalt.

15.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Hutten, voorzitter, en mr. M.M.L. Wijnen en

mr. P.H. Schoemaker, leden, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.