Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:867

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
25-02-2014
Zaaknummer
01/845682-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:4515, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 200 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar omdat hij een politieagent met een wapen heeft bedreigd. Van de bedreiging van een tweede politieagent wordt verdachte vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/845682-13

Datum uitspraak: 25 februari 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1961],

wonende te [adres 1].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 november 2013 en 11 februari 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 1 november 2013. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 11 februari 2014 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 augustus 2013 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade [slachtoffer 1], verbalisant binnen politieregio Brabant-Noord, van het leven te beroven, met dat opzet en (al dan niet) na kalm beraad en rustig overleg:

  • -

    twee, althans een vuurwapen(s) op het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gericht en/of vervolgens;

  • -

    de trekker(s) van een of beide vuurwapen(s) heeft overgehaald,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 augustus 2013 te 's-Hertogenbosch [slachtoffer 1] verbalisant binnen politieregio Brabant-Noord, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend, ten overstaan van die [slachtoffer 1]:

  • -

    twee, althans een vuurwapen(s) op de grond gericht en/of vervolgens;

  • -

    twee, althans een vuurwapen(s) op (het hoofd van) die [slachtoffer 1] gericht en/of vervolgens;

  • -

    de trekker(s) van een of beide vuurwapen(s) overgehaald (waardoor een klikkend geluid te horen was);

2.

hij op of omstreeks 17 augustus 2013 te 's-Hertogenbosch [slachtoffer 2], verbalisant binnen politieregio Brabant-Noord, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend, ten overstaan van die [slachtoffer 2]:

  • -

    twee, althans een vuurwapen(s) op de grond gericht en/of vervolgens;

  • -

    twee, althans een vuurwapen(s) op (het hoofd van) collega-verbalisant [slachtoffer 1] gericht, die op dat moment naast die [slachtoffer 2] stond en/of vervolgens;

  • -

    de trekker(s) van een of beide vuurwapen(s) overgehaald (waardoor een klikkend geluid te horen was).

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen1 en de beoordeling daarvan.

De feiten.

Op 17 augustus 2013 krijgen verbalisanten [slachtoffer 1], hoofdagent van politieregio Brabant-Noord en [slachtoffer 2] de melding dat er tussen de bewoners van de percelen [adres 2]en [adres 3] te 's-Hertogenbosch een burenruzie plaatsvindt. Daarop zijn zij ter plaatse gegaan en zien zij in de woning [adres 2]te 's-Hertogenbosch een man met twee vuurwapens in de hand. Op vordering van verbalisant [slachtoffer 1] komt de man naar buiten. De man heeft in elke hand een vuurwapen. [slachtoffer 1] sommeert de man de wapens neer te leggen. De man geeft hieraan geen gevolg. Op het moment dat de man op anderhalve meter afstand [slachtoffer 1] staat met zijn gezicht naar dat van [slachtoffer 1] gericht, ziet [slachtoffer 1] dat verdachte de wapens bij de handgreep beet heeft en dat de man een vinger langs de trekkers heeft. [slachtoffer 1] ziet dat de man beide vuurwapens gereed om te vuren langs zijn lichaam houdt. [slachtoffer 1] sommeert de man de wapens te laten vallen. De man geeft hieraan geen gehoor. [slachtoffer 1] ziet dat de man beide armen in één beweging omhoog brengt, waarbij de man zijn armen strekt en beide vuurwapens op het hoofd van [slachtoffer 1] richt. De afstand tussen de lopen van de vuurwapens en het gezicht van [slachtoffer 1] bedraagt op dat moment ongeveer 40 centimeter. [slachtoffer 1] kijkt in de lopen van beide wapens. Hij ziet dat de man de spieren van zijn hand spant en hij hoort een klik. Deze klik herkent hij als het geluid van een niet geladen vuurwapen waarbij de hamer tegen de slagpin komt. De wapens gaan niet af. [slachtoffer 1] gaat meteen tot actie over in een poging de man te ontwapenen. Daarbij komen zij beiden ten val. Ondertussen hebben collega’s van [slachtoffer 1] de wapens van de man afgepakt en is de man aangehouden.2

Bij zijn aanhouding gaf de man op te zijn genaamd [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [1961], wonende te '[adres 2] [= verdachte].3

Verbalisante [slachtoffer 2] bevestigt de waarnemingen van [slachtoffer 1] zoals die hiervoor zijn weergegeven. Op het moment dat verdachte zijn wapens op [slachtoffer 1] richt, staat [slachtoffer 2] rechts naast [slachtoffer 1]. Zij ziet dat verdachte de handen langs zijn benen houdt, met de lopen van de wapens naar de grond gericht. Zij hoort [slachtoffer 1] roepen dat verdachte de wapens op de grond moet leggen. Zij ziet dat verdachte daar geen gehoor aan geeft. Vervolgens ziet [slachtoffer 2] dat verdachte beide vuurwapens omhoog brengt en dat hij de wapens op het gezicht van [slachtoffer 1] richt. Korte tijd later hoort zij twee klikken. Dat geluid herkent zij als het overhalen van de trekker van haar ontladen dienstwapen, wanneer de hamer van het wapen naar voren schiet en op de slagpin slaat. [slachtoffer 2] ziet dat de wapens niet afgaan. [slachtoffer 2] ziet vervolgens dat [slachtoffer 1] verdachte naar de grond brengt in een poging hem te ontwapenen. Samen met de ter plaatse gekomen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is verdachte onder controle gebracht en naar het politiebureau afgevoerd.4

Ook verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] bevestigen de waarnemingen van [slachtoffer 1]. Zij zien hun collega’s [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor de woning gelegen aan de [adres 2]te 's-Hertogenbosch staan en zij zien dat verdachte in elke hand een pistool heeft. [verbalisant 2] hoort dan een geluid dat zij herkent als de klik van de hamer die tegen de slagpin komt. Het is het geluid dat je hoort wanneer de trekker van een vuurwapen wordt overgehaald. [verbalisant 1] hoort twee keer een klikkend geluid. Ook zij herkent dit geluid als het geluid wanneer een trekker van een vuurwapen wordt overgehaald. Vervolgens zien [verbalisant 2] en [verbalisant 1] dat [slachtoffer 1] verdachte naar de grond brengt. [verbalisant 2] neemt de pistolen van verdachte af en geeft die aan [slachtoffer 2]. [verbalisant 1] doet verdachte de handboeien om. Nadat verdachte is aangehouden is hij door [verbalisant 2] en [verbalisant 1] naar het politiebureau overgebracht.5

Verdachte wordt door de politie gehoord en hij verklaart dat hij zich van het voorval niets kan herinneren. Deze verklaring herhaalt verdachte bij zijn voorgeleiding aan de rechter-commissaris op 20 augustus 2013 en ter terechtzitting van 11 februari 2014.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden heeft de officier van justitie geconcludeerd dat uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte, te weten het op korte afstand richten van twee pistolen op het hoofd van verbalisant [slachtoffer 1] en het overhalen van de trekker van beide wapens, volgt dat verdachte het boos opzet heeft gehad [slachtoffer 1] neer te schieten. Dat de wapens niet zijn afgegaan doet daaraan niet af. Naar het oordeel van de officier van justitie heeft verdachte voldoende tijd gehad zich te bezinnen nadat [slachtoffer 1] van hem had gevorderd zijn wapen neer te leggen. Nu verdachte dat heeft nagelaten is de officier van justitie van oordeel dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. De officier van justitie acht de poging tot moord op verbalisant [slachtoffer 1] wettig en overtuigend bewezen.

Ook de bedreiging van verbalisante [slachtoffer 2] acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen omdat zij, op het moment dat verdachte de wapens op [slachtoffer 1] richtte, schouder aan schouder met [slachtoffer 1] stond waardoor – aldus de officier van justitie – ook bij [slachtoffer 2] de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen.

De officier van justitie acht de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten zoals die luiden na de wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 11 februari 2014, wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de door verdachte gebruikte wapens niet schietklaar waren omdat er essentiële onderdelen aan het wapen ontbraken en omdat het kruit in de wapens nat was. Met de wapens die verdachte in de hand had, kon geen schot worden gelost. Hieruit concludeert de raadsman dat het handelen van verdachte moet worden gezien als een ondeugdelijke poging om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. De verdediging is van oordeel dat verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van het bewijs van het onder 1 subsidiair aan verdachte ten laste gelegde feit heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Voorts heeft de verdediging – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte van het onder 2 ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken, omdat verdachte de wapens op [slachtoffer 1] heeft gericht en niet op [slachtoffer 2], terwijl [slachtoffer 2] zich niet in het schootsveld van verdachte bevond toen hij de wapens op [slachtoffer 1] richtte.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat verdachte van in elk geval één wapen de trekker heeft overgehaald en voorts dat het wapen bij het overhalen van de trekker niet is afgevuurd. Om uit kunnen gaan van (voorwaardelijke) opzet op de dood [slachtoffer 1] dient vast komen te staan dat verdachte zich bewust is geweest van het feit dat hij een werkend vuurwapen op [slachtoffer 1] heeft gericht dan wel dat hij welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het vuurwapen af zou gaan bij het overhalen van de trekker. Voor de beantwoording van de vraag of een van deze situaties zich heeft voorgedaan is het volgende van belang.

De twee vuurwapens die verdachte op [slachtoffer 1] heeft gericht zijn door verbalisant [verbalisant 3] onderzocht,6 waarbij onder meer het volgende is bevonden.

Het betreffen twee percussiepistolen. Een dergelijk pistool dient aan de voorzijde van de loop geladen te worden met kruit, en afgedicht met een kogel. Door de hamer/haan te spannen en een percussiekapje op de schoorsteen van het geladen pistool te plaatsen is deze geschikt om af te vuren. Bij het overhalen van de trekker komt de hamer/haan naar voren en slaat deze op het percussiekapje. Hierbij ontstaat een vlam die door de schoorsteen in de achterzijde van de loop het daar aanwezige kruit ontsteekt. Hierbij ontstaat druk die het projectiel door de loop verschiet.

Beide vuurwapens zijn geladen (met zwartkruit). De percussiekapjes zijn blijkbaar eerder gebruikt. In de kapjes bevinden zich restanten van ontbrand kruit/ontstekingsmiddel. De percussiekapjes dragen aan de buitenzijde sporen van inslag van de hamer/haan.7

Op grond van onderzoek dat door het Nederlands Forensisch Instituut naar (het functioneren van) de wapens is verricht is onder meer het volgende bevonden. Gebleken is dat beide pistolen in staat zijn dodelijk letsel te veroorzaken. Met beide pistolen is het mogelijk om met een functioneel percussiekapje een kruitlading tot ontbranding te brengen en een projectiel af te vuren. Voordat een percussiepistool schietklaar is dient het pistool voorzien te zijn van een functioneel percussiekapje.8

Als een van de oorzaken voor het weigeren van een percussiepistool wordt genoemd: een niet functioneel percussiekapje. “(…) als de slagsas (ontbrandende lading bij plotselinge druk) al ontbrand is zal de inslag van de hamer niet voor ontbranding van het percussiekapje kunnen zorgen. De zwartkruitlading wordt dan niet tot ontlading gebracht.”9

De percussiekapjes op beide percussiepistolen vertonen sporen van een inslag. De slagsas aanwezig in deze percussiekapjes lijkt ontbrand te zijn.10

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de vuurwapens in 1983 heeft aangeschaft en dat hij er toen enkele malen mee heeft geschoten. Nadien hingen ze bij hem aan de muur en poetste hij ze af en toe op. Hij beschikte slechts over gebruikte percussiekapjes. Met betrekking tot het richten van de vuurwapens op [slachtoffer 1] en het overhalen van een trekker kan hij zich niets meer herinneren.

De verklaring van verdachte dat hij slechts over gebruikte percussiekapjes beschikte wordt ondersteund door het onderzoek van verbalisant [verbalisant 3] en het NFI. Ofschoon verdachte zegt zich de feiten waarvan hij wordt verdacht niet te kunnen herinneren, kan de rechtbank niet uitsluiten dat hij zich op het moment van het overhalen van de trekker bewust is geweest, of uitgegaan is van, het feit dat een essentieel onderdeel voor het schietklaar zijn van het vuurwapen - namelijk een functioneel percussiekapje - ontbrak. Onder die omstandigheden kan niet gezegd worden dat verdachte bij het overhalen van de trekker (voorwaardelijke) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1]. Aan de bespreking van de vraag of sprake is geweest van een (absoluut) ondeugdelijke poging komt de rechtbank dan niet meer toe.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde feit vrijspreken. Het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit acht de rechtbank, op grond van de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit.

Uit de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte de wapens alleen op [slachtoffer 1] heeft gericht en niet op [slachtoffer 2]. Weliswaar kan de rechtbank zich voorstellen dat de situatie zoals hiervoor is omschreven voor [slachtoffer 2] als zeer beangstigend is ervaren, maar is zij is naar het oordeel van de rechtbank niet daadwerkelijk door verdachte bedreigd. Uit de bewijsmiddelen blijkt namelijk niet - noch in woord, noch door enige handeling- dat de bedreiging op enig moment op verbalisante [slachtoffer 2] is gericht. Na de bedreiging van [slachtoffer 1] is verdachte overmeesterd en zijn hem de wapens afgenomen, voordat hij die op [slachtoffer 2] zou hebben kunnen richten.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging van [slachtoffer 2]. Daarom zal de rechtbank verdachte ook van het onder 2 ten laste gelegde feit vrijspreken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat het navolgende wettig en overtuigend is bewezen.

[ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit].

Verdachte heeft op 17 augustus 2013 te 's-Hertogenbosch [slachtoffer 1] verbalisant binnen politieregio Brabant-Noord, bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend, ten overstaan van die [slachtoffer 1] twee vuurwapens op de grond gericht en vervolgens twee vuurwapens op het hoofd van die [slachtoffer 1] gericht en vervolgens de trekker(s) van een of beide vuurwapen(s) overgehaald waardoor een klikkend geluid te horen was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten.

  • -

    Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

  • -

    Gehele toewijzing van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 2.500,--, onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot dit bedrag van

€ 2.500,-- subsidiair 35 hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 17 augustus 2013 tot de dag der voldoening.

 Gehele toewijzing van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 300,--, onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot dit bedrag van € 300,-- subsidiair 6 dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 17 augustus 2013 tot de dag der voldoening.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Bij de afdoening van de feiten dient – aldus de verdediging – de nadruk op hulpverlening aan verdachte te liggen en niet op het vergeldingsaspect van de straf. De verdediging verzoekt de rechtbank de adviezen te volgen zoals die in de over verdachte uitgebrachte rapporten zijn opgenomen.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

In het nadeel van verdachte weegt mee

Verdachte heeft op straat twee wapens tegen het hoofd van een politieagent gezet en de trekker[s] van die/dat wapen[s] overgehaald. Aldus heeft verdachte een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en zijn lichamelijke integriteit aangetast. Zoals hiervoor is overwogen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging tot levensberoving van een politieagent. De wijze waarop dit is gebeurd moet voor het slachtoffer een buitengewoon angstige en schokkende gebeurtenis zijn geweest. De ervaring leert dat slachtoffers van dit soort delicten vaak nog lange tijd de psychisch nadelige gevolgen daarvan ondervinden. Dat dit ook voor het slachtoffer [slachtoffer 1] gold, blijkt uit de door hem afgelegde verklaringen.

Het slachtoffer [slachtoffer 1] was een politieagent, bezig met de uitoefening van zijn taak van orde- en rechtshandhaving. Het is ontoelaatbaar dat personen zoals politiemensen die met een dergelijke taak zijn belast, daarin worden belemmerd. Zij moeten hun taken onbelemmerd kunnen uitoefenen teneinde een adequate uitvoering van de publieke taak niet in gevaar te brengen. Daarnaast heeft verdachte met zijn handelen een negatieve bijdrage geleverd aan de in de samenleving heersende gevoelens van angst en onveiligheid in de openbare ruimte.

De rechtbank beschouwt de bewezen verklaarde bedreiging dan ook als een zeer ernstig feit.

In het voordeel van verdachte weegt mee

Verdachte is niet eerder voor geweldsdelicten veroordeeld.

In het door dr. E.D.M. Masthoff, LBB psychiater over verdachte uitgebrachte rapport van

27 september 2013 en het door drs. B.Y. van Toorn, GZ-psycholoog van 14 oktober 2013 over verdachte uitgebrachte rapport, concluderen de deskundigen – ieder voor zich – dat verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten leed aan een borderline persoonlijkheidsstoornis met narcistische en theatrale trekken en dat er sprake is van een alcoholverslaving. Het gedrag van verdachte tijdens het plegen van de bewezenverklaarde feiten werd door die stoornis beïnvloed.

De deskundigen adviseren verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Daarnaast hebben de deskundige geadviseerd verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als voorwaarde reclasseringstoezicht en ambulante forensische psychiatrische behandeling zoals de deskundigen in de door hen uitgebrachte rapporten nader hebben omschreven.

De rechtbank neemt de adviezen van de deskundigen, en de gronden waarop die adviezen berusten, over en maakt die tot de hare.

De strafmodaliteit

De rechtbank zal een lagere gevangenisstraf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf omdat de rechtbank – in tegenstelling tot de officier van justitie – de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank is van oordeel, dat ook voor het bewezen verklaarde feit, in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden. De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen, enerzijds om de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds om door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan. Daarom zullen aan het voorwaardelijk gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf de in het dictum nader te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

Conclusie

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf van 200 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar onder de in het dictum te noemen bijzondere voorwaarden, passend en geboden is. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal op het onvoorwaardelijk gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

De vordering van de benadeelde partij bestaat uit een vordering tot immateriële schadevergoding. De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 1.000,-- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in het restant van de vordering omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2013 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2].

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij ziet.

De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten.

Verklaart het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit.

een gevangenisstraf voor de duur van 200 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

  • -

    zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering en

  • -

    zich na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij Novadic-Kentron, Rompertsebaan 12 te ’s-Hertogenbosch en

  • -

    zich ambulant zal laten behandelen bij de Forensisch psychiatrische polikliniek van Reinier van Arkel of een soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering en

  • -

    in Opvanghuis Berlicum of een soortgelijke instelling zal verblijven en zich zal houden aan het (dag)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

De Reclassering Nederland, Regio's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te

's-Hertogenbosch, wordt opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 5 december 2013 reeds geschorst.

Legt op de volgende maatregel.

Maatregel van schadevergoeding van € 1.000,-- subsidiair 20 dagen hechtenis. Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van € 1.000,-- (zegge: duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het toegewezen bedrag, bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 1.000,-- (zegge: duizend euro), bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2].

  • -

    Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet ontvankelijk in de vordering.

  • -

    Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.M. Hettinga, voorzitter,

mr. J.H.P.G. Wielders en mr. R.J. Bokhorst, leden,

in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,

en is uitgesproken op 25 februari 2014.

Mr. Hettinga is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 In de voetnoten wordt - tenzij anders vermeld - verwezen naar het proces-verbaal van de politieregio Brabant-Noord, district Meijerij, D1 – team Den Bosch Noord-West, registratienummer PL21XO 2013085941, afgesloten op 3 september 2013, aan- tal doorgenummerde bladzijden: 84.

2 Het relaas van verbalisant [slachtoffer 1], pag. 35, 36, 46 en 48.

3 Het relaas van verbalisanten [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [verbalisant 1] en [verbalisant 2], pag. 14.

4 Het relaas van verbalisant [slachtoffer 2], pag. 50 en 51.

5 Het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], pag. 52 en 53.

6 Materiedeskundige bij de Forensische Opsporing, afdeling Wapens en Munitie van de eenheid Oost Brabant.

7 Proces-verbaal, pag. 65-67.

8 Rapport Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 29 januari 2014, pag. 13.

9 Rapport NFI, pag. 10.

10 Rapport NFI, pag. 11.