Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:865

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
25-02-2014
Zaaknummer
01/839790-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt voor poging tot moord veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/839790-13

Datum uitspraak: 25 februari 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te '[geboorteplaats] op [1984],

wonende te [adres 1],

thans gedetineerd in p.i. Breda, locatie “De Boschpoort” [HvB], te Breda.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 februari 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 25 september 2013. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 11 februari 2014 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 06 juli 2013 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, op (het lichaam van) die [slachtoffer] heeft ingestoken en/of trachten in te steken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen1 en de beoordeling daarvan.

Inleiding.

Op 6 juli 2013 omstreeks 06.30 uur is aangever [slachtoffer], in zijn slaap in de slaapkamer van de woning van zijn vriendin [persoon] gelegen aan [adres 2] te ’s-Hertogenbosch, met een scherp voorwerp gestoken.2, 3 Door de pijn die deze steken veroorzaakten, werd [slachtoffer] wakker en hij heeft zich tegen verdere messteken verweerd door zijn armen voor zijn gezicht te houden. Als gevolg van deze messteken heeft [slachtoffer] steekwonden aan de rechterboven- en onderarm, linkerhand en in zijn rechterborst opgelopen. De verwonding in de rechterbovenarm betrof een slagaderlijke bloeding.4, 5, 6

Aangever heeft verklaard dat hij als dader van de steekpartij de hem bekende [verdachte] heeft herkend. Verdachte heeft ontkend dat hij de persoon is geweest die [slachtoffer] heeft gestoken.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op grond van de verklaringen van aangever [slachtoffer] en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en het gegeven dat verdachte kort na de steekpartij in de buurt van de woning is aangetroffen, zonder dat hij daarvoor een aannemelijke verklaring heeft gegeven, concludeert de officier van justitie dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] heeft gestoken. De officier van justitie acht poging tot moord bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangifte van [slachtoffer] niet door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund omdat de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] niet betrouwbaar zouden zijn en dat de eerder gedane uitingen van verdachte slechts “dronkenmanspraat” was. De verdediging concludeert dan ook tot vrijspraak van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

Op grond van de hiervoor onder “Inleiding” genoemde feiten en omstandigheden staat vast dat [slachtoffer] op 6 juli 2013 in de woning van zijn vriendin is neergestoken. De vragen waarvoor de rechtbank zich ziet gesteld zijn wie de steken aan [slachtoffer] heeft toegebracht en hoe het handelen van de dader in juridische zin moet worden gekwalificeerd. De rechtbank overweegt hierover het navolgende.

Wie is de dader?

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij verdachte heeft herkend als de persoon die hem heeft gestoken. [slachtoffer] kent verdachte goed omdat verdachte de broer van de vriendin van [slachtoffer] is. Dat het verdachte was die hem heeft gestoken, heeft aangever tijdens en meteen na de steekpartij ook gezegd tegen zijn vriendin, [persoon] die tijdens het voorval naast verdachte lag te slapen.7, 8 Zij heeft verklaard van het voorval niets te hebben gemerkt en de dader niet gezien te hebben.9, 10 [slachtoffer] heeft van de steekpartij onmiddellijk melding gedaan door het bellen van het alarmnummer 112. Ook toen, in het gesprek met de telefoniste van 112, waarbij [slachtoffer] in toenemende paniek verkeerde, heeft hij gezegd dat hij door verdachte was neergestoken.11

De getuige [getuige 2] verklaart dat hij op 6 juli 2013 tussen 06.00 uur en 06.15 uur thuis kwam in zijn woning gelegen aan [adres 3] te ‘s-Hertogenbosch. Toen hij net binnen was, zag hij verdachte [verdachte] en [getuige 1] lopen. Zij zijn in zijn woning gekomen. In de woning hoort [getuige 2] dat verdachte zegt dat hij verhaal gaat halen bij [slachtoffer]. [getuige 2] zegt tijdens het verblijf van verdachte in zijn woning enkele keren dat verdachte beter de andere kant uit kan fietsen dan in de richting van de woning waar [slachtoffer] verblijft. Een kwartier tot 20 minuten later verlaat verdachte de woning van [getuige 2].12, 13

Op 10 juli 2013 verklaart [getuige 1] dat verdachte het er al weken over heeft, dat hij [slachtoffer] zou gaan “porren” en dat hij daarmee steken bedoelt. Verdachte is kwaad op [slachtoffer] omdat die de zus van verdachte zou mishandelen. Op 6 juli 2013 omstreeks 06.15 uur bevinden verdachte en [getuige 1] zich in de woning van [getuige 2]. Als zij de woning verlaten hoort [getuige 1] dat [getuige 2] tegen hen zegt “wees nou verstandig en ga naar de kiet”. Op het moment dat [getuige 1] en verdachte buiten staan, hoort [getuige 1] verdachte zeggen “ik ga hem nou pakken”. Daarna ziet [getuige 1] dat verdachte in de richting van de woning van zijn zus loopt waar op dat moment ook [slachtoffer] verblijft. [getuige 1] loopt nog een stukje met verdachte mee en probeert hem op andere gedachten te brengen. Daarin slaagt [getuige 1] niet en hij laat verdachte alleen. Vijf minuten later ziet [getuige 1] de politie de straat inkomen.14, 15

Verbalisanten hebben verdachte om 7.05 uur in de richting van een brandgang zien lopen die toegang verleent naar de achterzijde van de betreffende woning. Verdachte heeft toen aan een verbalisant gevraagd wat er gebeurd was.16

Gelet op de aangifte en de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de persoon is geweest die [slachtoffer] heeft gestoken.

De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf, maar zeker in onderling verband en samenhang bezien, wijzen zodanig sterk in de richting van verdachte als de persoon die [slachtoffer] heeft gestoken, dat dit in beginsel vraagt om een redelijke verklaring van de zijde van verdachte. Verdachte heeft aangevoerd dat hij, nadat hij op 6 juli 2013 uit de woning van [getuige 2] was vertrokken, naar een vriendin is gelopen die in dezelfde buurt woonachtig was. Verdachte weigert echter om de naam van die vriendin te noemen. Een nadere verklaring heeft verdachte daarover niet willen geven en daarmee heeft hij op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat hij elders verbleef op het moment dat [slachtoffer] werd gestoken. Deze houding van verdachte versterkt de overtuiging van de rechtbank dat verdachte de persoon is geweest die op [slachtoffer] heeft ingestoken.

De juridische kwalificatie van het handelen van verdachte.

Zoals hiervoor in de bewijsmiddelen is weergegeven, heeft verdachte in de weken voor 6 juli 2013 meermalen kenbaar gemaakt dat hij [slachtoffer] zou pakken of neer zou steken. Op 6 juli 2013 omstreeks 06.15 uur heeft verdachte dit voornemen herhaald toen hij in de woning van [getuige 2] verbleef. Deze woning is in dezelfde straat gelegen als de woning waar [slachtoffer] verbleef. De loopafstand tussen beide woningen bedraagt enkele minuten.

In zijn woning heeft [getuige 2] verdachte van zijn voornemen om [slachtoffer] te “pakken” af proberen te brengen. Toen [getuige 1] en verdachte de woning van [getuige 2] verlieten, heeft verdachte nogmaals tegen [getuige 1] gezegd dat hij [slachtoffer] zou gaan pakken en verdachte is in de richting van de woning gelopen waar [slachtoffer] verbleef. [getuige 1] is nog een stukje met verdachte meegelopen, waarbij hij heeft getracht verdachte op andere gedachten te brengen. Daarin is hij niet geslaagd. Verdachte is verder gelopen en [getuige 1] is zijn eigen weg gegaan. Enkele minuten later is de politie bij de woning waar [slachtoffer] verbleef verschenen, naar aanleiding van de 112-melding van [slachtoffer] dat hij door verdachte was neergestoken.

Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat, bij gebreke van aannemelijk geworden contra-indicaties, is komen vast te staan dat verdachte ruim voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven en dat hij dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Verdachte is naar de woning gegaan waar [slachtoffer] verbleef en heeft die [slachtoffer] in zijn slaap verschillende keren in het bovenlichaam gestoken. Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

Een van de steken die verdachte aan [slachtoffer] heeft toegebracht, heeft een slagaderlijke bloeding bij [slachtoffer] veroorzaakt. Dit letsel, in combinatie met de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte leidt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte het opzet had [slachtoffer] van het leven te beroven. De rechtbank kwalificeert het handelen van verdachte dan ook als een poging tot moord.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 06 juli 2013 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een scherp en/of puntig voorwerp, op het lichaam van die [slachtoffer] heeft ingestoken en/of trachten in te steken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

  • -

    een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

  • -

    toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 12.870,--, bestaande uit een gedeeltelijke toewijzing van de gevorderde immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 10.000,-- en gehele toewijzing van de materiële schadevergoeding tot een bedrag van € 2.870,--.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Mocht de rechtbank tot een veroordeling van verdachte komen dan dient de op te leggen straf aanzienlijk lager te zijn dan de door de officier van justitie gevorderde straf. Deze straf is in de ogen van de verdediging buitenproportioneel hoog.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

In het nadeel van verdachte weegt mee.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één van de ernstigste delicten die het Wetboek van Strafrecht kent, namelijk poging tot moord. Verdachte heeft getracht het slachtoffer diens meest waardvolle bezit, zijn leven, te ontnemen. Dat hij daarin niet is geslaagd, is niet aan het handelen van verdachte te danken geweest.

Verdachte heeft het feit gepleegd in de woning van de vriendin van het slachtoffer en waar het slachtoffer al een paar maanden verbleef. Een woning is bij uitstek de plaats waar mensen zich veilig voelen en ook veilig behoren te voelen. Dat gevoel van veiligheid heeft verdachte aangetast door met een mes op het slachtoffer in te steken terwijl deze in die woning lag te slapen. Verdachte heeft door zijn gewelddadige aanval welbewust een groot en levensbedreigend gevaar voor het slachtoffer in het leven geroepen en hij heeft de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ernstig aangetast.

Het gewelddadig karakter van het door verdachte gepleegde strafbare feit laat zien dat verdachte er niet voor terugschrikt om zwaar geweld tegen zijn medemens te gebruiken, zonder zich daarbij te bekommeren over de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dit soort ernstige feiten daar vaak nog jarenlang last van ondervinden en dat de herinnering aan een dergelijk feit hen hindert in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vordering die het slachtoffer als benadeelde partij heeft ingediend, blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is.

De strafmodaliteit

Het bewezen verklaarde is zo ernstig dat uit het oogpunt van een juiste normhandhaving en uit het oogpunt van vergelding en bescherming van de maatschappij slechts kan worden volstaan met het opleggen van een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Conclusie

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht jaar passend en geboden is. Op die straf zal de rechtbank de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht in mindering brengen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een bedrag van € 2.150,--. Dit bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding van

€ 2.000,-- en materiële schadevergoeding voor de met bloed besmeurde broek en schoenen van de benadeelde partij, door de rechtbank begroot op € 150,--. Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Ten aanzien van de gevorderde schade aan de woning en het beddengoed van de partner van de benadeelde partij, de auto en de telefoon van de benadeelde partij, is de rechtbank van oordeel dat behandeling van die onderdelen van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De vervanging van de sloten van de woning van de partner van de benadeelde partij betreft geen rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade aan de benadeelde partij. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de hiervoor genoemde onderdelen van zijn vordering. De benadeelde partij kan dit gedeelte van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op € 768,-- ter zake van kosten rechtsbijstand overeenkomende met twee punten volgens het liquidatietarief kantonzaken. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2013 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 36f, 27, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Poging tot moord.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar.

Beveelt dat de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht.

Legt op de volgende maatregel.

 Maatregel van schadevergoeding van € 2.150,-- subsidiair 31 dagen hechtenis. Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van € 2.150,-- (zegge: tweeduizend honderdhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 36 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het toegewezen bedrag, bestaande uit € 2.000,-- immateriële schadevergoeding en € 150,- materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], van € 2.150,-- (zegge: tweeduizend honderdvijftig euro).

Het toegewezen bedrag, bestaande uit € 2.000,-- immateriële schadevergoeding en € 150,-- materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op

€ 768,-- ter zake kosten van rechtskundige bijstand. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.J. Bokhorst, voorzitter,

mr. J.H.P.G. Wielders en mr. H.M. Hettinga, leden,

in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,

en is uitgesproken op 25 februari 2014.

Mr. Hettinga is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 In de voetnoten wordt - tenzij anders vermeld - verwezen naar het proces-verbaal van de politieregio Brabant Noord, distric- telijke opsporing, registratienummer PL 21XO-2013069914, afgesloten op 19 november 2013, aantal doorgenummerde bladzij- den: 288.

2 De verklaring van aangever [slachtoffer], pag. 79.

3 De verklaring van [persoon], pag. 88.

4 De verklaring van aangever [slachtoffer], pag. 79.

5 Het relaas van verbalisant [verbalisant 1], pag. 6 en 83 en de foto’s van het letsel, pag. 84 t/m 87.

6 Medische verklaring opgemaakt op 6 juni 2013.

7 De verklaring van [slachtoffer], pag. 79.

8 De verklaring van [slachtoffer] bij zijn verhoor door de rechter-commissaris op 3 februari 2014.

9 De verklaring van [persoon], pag. 89.

10 De verklaring van [persoon] bij haar verhoor door de rechter-commissaris op 3 februari 2014.

11 Het relaas van verbalisant [verbalisant 1], pag. 268.

12 De verklaring van [getuige 2], pag. 174 t/m 176.

13 De verklaring van [getuige 2] bij zijn verhoor door de rechter-commissaris op 20 december 2013.

14 De verklaring van [getuige 1], pag. 67 en 68.

15 De verklaring van [getuige 1] bij zijn verhoor door de rechter-commissaris op 3 februari 2014.

16 Het relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], pag. 111