Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:8233

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-12-2014
Datum publicatie
23-01-2015
Zaaknummer
13_5445
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

artikel 6.21 van de Waterwet

In een einduitspraak (vervolg op de tussenuitspraak van 16 mei 2014 (ECLI:NL:RBOBR:2014:2528) oordeelt de rechtbank dat verweerder niet is geslaagd om de gebrekkige besluitvorming te herstellen en de uitgangssituatie voldoende duidelijk in kaart te brengen. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een significant effect als gevolg van de vergunde maatregelen moet worden gekeken naar de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan de GHG voorafgaand aan het treffen van maatregelen, de ligging van het perceel, de op het perceel geteelde gewassen en de kwetsbaarheid van de teelt op de percelen voor een stijging van de GHG en de effecten van in het verleden getroffen maatregelen. Verweerder heeft de omstandigheden van het geval onvoldoende betrokken bij de beoordeling. Daarnaast kan de onzekerheid als gevolg van de onduidelijke uitgangssituatie niet voor risico van eisers komen. De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Als verweerder volstaat met de huidige onderbouwing van de besluitvorming, zal hij een natschaderegeling aan het primaire besluit moeten verbinden. De rechtbank zal hiertoe bepalen dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak, mede om partijen in de gelegenheid te stellen over de precieze inhoud van de natschaderegeling te overleggen dan wel in overleg te gaan over eventuele compenserende maatregelen op de percelen van eisers.

Wetsverwijzingen
Waterwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/5445 en SHE 13/5870

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 december 2014 in de zaak tussen

[VOF], te [vestigingsplaats],

[persoon 1] te [woonplaats],

[persoon 2] te [woonplaats],

eisers,

(gemachtigde: mr. C. Drent)

[persoon 3], te [woonplaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. G.J. van Tuel - Koenders)

en

het dagelijks bestuur van Waterschap Aa en Maas, verweerder.

(gemachtigden: mr. K.I.M. Lap, ing. A. Vrielink en ir. C.P.M. van Rens)

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Dienst Landelijk Gebied, te Tilburg, vergunninghouder.

(gemachtigde: I.F.M. Appel)

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een watervergunning verleend voor diverse maatregelen in het kader van het landinrichtingsplan Peelvenen, module Koningshoeven Natuur Middengebied.

Bij besluit van 19 november 2013 heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. In een afzonderlijk besluit van dezelfde datum heeft verweerder het bezwaar van eisers deels gegrond verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit ingetrokken en een nieuwe watervergunning verleend. Tevens heeft verweerder een proceskostenvergoeding toegekend.

Eisers en eiseres hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep van eiseres is geregistreerd onder zaaknummer SHE 13/5870. Het beroep van eisers is geregistreerd onder zaaknummer SHE 13/5445. Voorts hebben eisers de voorzieningenrechter bij brief van 26 november 2013 verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 10 december 2013 (zaaknummer SHE 13/5444) heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2014. De zaken zijn gelijktijdig behandeld tezamen met de zaken SHE 13/5869 en SHE 13/5693. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en de dochter van eiseres. Tevens is de door eisers en eiseres opgeroepen getuige verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De derde-partij is verschenen bij gemachtigde.

Bij tussenuitspraak van 16 mei 2014 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een nieuw besluit genomen op 26 juni 2014 (het herstelbesluit). Daarbij heeft hij het bezwaar van eisers gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en wederom een besluit op bezwaar genomen.

Eisers en de derde-partij hebben hierop een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven. Eisers hebben ook nog beroep ingesteld tegen het herstelbesluit. Partijen hebben over en weer op elkaars standpunten gereageerd.

Verweerder heeft op 1 oktober 2014 het herstelbesluit gewijzigd met het oog op vervanging van een stuw door een gemaal bij Julianahoeve (het wijzigingsbesluit).

Een tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 201 4. De zaken zijn gelijktijdig behandeld tezamen met de zaken SHE 13/5869 en 5E-TE 13/5693.Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en de dochter van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De derde-partij is verschenen bij gemachtigde. Voorts zijn als getuigen gehoord [persoon 4], [persoon 5] gehoord en [persoon 6].

Overwegingen

1.1

Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet Vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:20l 1:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:20 1 2:BX4694).

1.2

In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het beroep van eisers gegrond zal worden verklaard, alsmede dat de rechtbank zelf in de zaak zal voorzien en het bezwaar van eiseres alsnog ongegrond zal verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van de Memo ‘Onderbouwing effecten maatregelen Koningshoeven Natuur’ (verder: de Memo) niet kunnen bepalen of voorafgaande technische maatregelen noodzakelijk zijn ter voorkoming van wateroverlast en of er aanleiding bestond om een natschaderegeling te treffen. Verweerder heeft evenmin op basis van de Memo de afweging kunnen maken op basis van artikel 6.21 van de Waterwet (Wttv), dat bepaalt dat een watervergunning moet worden geweigerd, voor zover verlening daarvan niet verenigbaar is

met de doelstellingen in artikel 2.1 of de belangen, bedoeld in artikel 6.11 van de Waterwet.

Ook had verweerder een concrete datum moeten verbinden aan het vastleggen van de nulsituatie. Tot slot valt vooralsnog niet uit te sluiten dat voorzienbare schade zal optreden en dat er aanleiding was om op voorhand een schaderegeling te treffen. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld de hierboven genoemde gebreken in het bestreden besluit te herstellen. De rechtbank heeft de volgende aanwijzingen gegeven:

 Verweerder dient in voorschrift 11.3 van de nieuw te nemen watervergunning een concrete periode te noemen waarbinnen de nulsituatie moet worden vastgelegd. Hierbij dient de aanvangsdatum en de duur van het nulsituatieonderzoek te worden genoemd.

 Verweerder dient in voorschrift 11.5 van de nieuw te nemen watervergunning een concreet peil (in een hoogte boven NAP) te noemen.

 Verweerder dient de huidige waterhuishoudkundige situatie op de percelen van eisers, inclusief de effecten van eerder vergunde maatregelen, te bepalen. Hiertoe dienen ook de GHG, de kweldruk en de afwatering, alsmede de ruimtelijke variatie op de percelen in kaart te worden gebracht.

 Om te bezien of de stijging van de GHG en de toename van de kweldruk een significant effect hebben op de percelen van eisers dient verweerder voorts aan te geven of, en zo ja, in welke zone in welke periode, van de percelen van eisers de GHG zal stijgen en hoeveel de kweldruk zal toenemen. Hierbij zal verweerder ook moeten duiden of door deze effecten de landbewerking van het perceel gemiddeld later kan plaatsvinden. Verweerder kan hiertoe een nader onderzoek laten verrichten door Witteveen en Bos. Het verdient aanbeveling om te bewerkstelligen dat in dat geval overleg plaatsvindt met Artesia.

 Indien en voor zover verweerder tot de conclusie komt dat het bestreden besluit wel zou kunnen leiden tot wateroverlast op de percelen van eisers, dient verweerder aan de nieuw te nemen watervergunning ter aanvulling van voorschrift 1.10 concrete technische maatregelen te verbinden ter voorkoming van schade dan wel een natschaderegeling met eisers te treffen.

2. Verweerder heeft in het herstelbesluit het bestreden besluit ingetrokken en vervangen door een nieuwe beslissing op bezwaar inclusief nieuwe watervergunning. Het beroep van eisers en eiseres heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede betrekking op het herstelbesluit. Het herstelbesluit is gewijzigd door middel van het wijzigingsbesluit. Het beroep van eisers en eiseres heeft op grond van artikel 6: 19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking op het wijzigingsbesluit.

3.1

Eiseres voert in haar reactie aan dat tot op het moment van de tweede zitting niet is voorzien in een deugdelijke monitoring en verzoekt de rechtbank verweerder op te dragen het perceel van eiseres te monitoren.

3.2

De derde-partij heeft een concept-monitoringsplan overgelegd voorafgaand aan de tweede behandeling ter zitting. Op dat moment was het concept-monitoringsplan nog niet goedgekeurd door verweerder. Ter zitting heeft de derde-partij aangegeven dat is voorzien in monitoring binnen het peilvak waar het perceel van eiseres is gelegen maar niet op het perceel van eiseres zelf.

3.3

In rechtsoverweging 10.2 van de tussenuitspraak heeft de rechtbank het volgende overwogen: “De vraag of vergunninghouder een toereikend monitoringsplan heeft, maakt geen onderdeel uit van dit geding. Overigens gaat de rechtbank ervan uit dat verweerder de mogelijkheid heeft om op basis van de peilbuizen nabij het perceel van eiseres die zijn geplaatst in kader van eerdere vergunningen te monitoren of het bestreden besluit invloed heeft op de grondwaterstand in het peilvak waar het perceel van eiseres in is gelegen en lijkt er geen bezwaar te bestaan om deze bestaande buizen in het monitoringsplan op te nemen.” De rechtbank ziet geen aanleiding terug te komen op deze overweging. Daarom kan in het midden blijven of het door de derde-partij overgelegde concept-monitoringsplan toereikend is.

4.1

Eisers voeren in de zienswijze aan dat geen correcte rechtsmiddelenclausule aan het herstelbesluit is verbonden alsmede dat het herstelbesluit niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en dat het herstelbesluit reeds hierom voor vernietiging in aanmerking komt.

4.2

In het herstelbesluit is aangegeven dat hiertegen beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank. Dit is de juiste rechtsmiddelenclausule. Het is namelijk een besluit ter wijziging van het bestreden besluit. Bovendien valt niet in te zien hoe eisers in hun belangen zijn geschaad, nu zij tijdig hebben gereageerd op het herstelbesluit in deze procedure.

5.1

Eisers voeren in de zienswijze aan dat de huidige waterhuishoudkundige situatie op hun perceel in het herstelbesluit onvoldoende in kaart is gebracht. De kaarten bij het herstelbesluit zijn niet volledig. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) en de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) zijn niet nauwkeurig. De afwatering van liet perceel en de effecten van eerdere vergunde maatregelen zijn niet in kaart gebracht. Getuige [persoon 4] heeft namens eisers gesteld dat zowel verweerders rapport (verder: rapport 1) ten behoeve van het bestreden besluit als verweerders rapport bij liet verweerschrift (verder: rapport 2) onjuist zijn omdat liet onderliggende model niet is gevalideerd en de kalibratie van liet model onjuist is. De uitgangssituaties in rapport 1 en in rapport 2 verschillen van elkaar en zijn dus niet eenduidig in kaart gebracht. De uitgangssituatie had in het veld moeten zijn vastgesteld voor het uitvoeren van de vergunde maatregelen. De gebruikte meetpunten zijn niet representatief want die liggen te dicht bij een waterloop.

5.2

Verweerder stelt zich hierover op liet standpunt dat uit de kaarten bij liet herstelbesluit voldoende duidelijk wordt wat ermee wordt bedoeld. Wel degelijk is naar de reeksen in de GVG gekeken. In rapport 1 is weliswaar gebruik gemaakt van een globale modellering van het gebied maar in rapport 2 is volgens verweerder de afwatering op juiste wijze in kaart gebracht. Volgens verweerder zijn alle maatregelen daterend van voor onderhavige vergunningaanvraag hierin opgenomen. Dit is door de getuige [persoon 6] namens verweerder bij de tweede behandeling ter zitting bevestigd. Hij heeft hieraan toegevoegd dat dit is gebeurd door middel van een veldbezoek. Verweerder bestrijdt dat het meetpunt onjuist is, want dit dient juist ter toetsing van het waterpeil in relatie tot de gewijzigde capaciteit van de waterloop.

5.3

De rechtbank stelt vast dat ten behoeve van rapport 1 gebruik is gemaakt van een globaal model. Dit model is nader gedetailleerd ten behoeve van rapport 2. Rapport 2 ziet echter slechts op de percelen van eisers. Ten behoeve van liet herstelbesluit heeft geen nader onderzoek plaatsgevonden. Ter zitting is de rechtbank duidelijk geworden dat de door verweerder in het herstelbesluit beschreven uitgangssituatie zoals deze was voor het primaire besluit niet is gebaseerd op concrete metingen in het veld maar op een berekening op basis van liet model bij rapport 2. Hiervoor is informatie ingevoerd in het gedetailleerde model. De ingevoerde informatie is afkomstig uit de in het verleden geplaatste peilbuizen, alsmede de peilbuizen die zijn geplaatst na liet primaire besluit en deels tijdens en na het gedeeltelijk uitvoeren van de vergunde maatregelen. Vervolgens is door middel van een berekening op basis van deze informatie de uitgangssituatie bepaald, zoals deze zou moeten zijn geweest voorafgaand aan het primaire besluit. De rechtbank neemt voorts voor kennisgeving aan dat de derde-partij de getroffen voorlopige voorziening in de tussenuitspraak heeft nageleefd en dat tot op heden het opzetten van het peil niet heeft plaatsgevonden.

5.4

Op basis van de door verweerder ter zitting verschafte uitleg acht de rechtbank de kaarten bij het herstelbesluit voldoende duidelijk. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de afwatering van de percelen van eisers door verweerder ten behoeve van het gedetailleerde model volledig in kaart is gebracht.

5.5

De door verweerder gehanteerde en hierboven beschreven methode van een modelmatige berekening van de uitgangssituatie heeft tot gevolg dat de uitgangssituatie niet met 100% zekerheid vast kan worden gesteld. In dit verband wijst de rechtbank op de verklaring van de getuige [persoon 6] op de tweede zitting. Deze heeft aangegeven dat is geprobeerd om het model over een langere periode te kalibreren en om alle beschikbare informatie uit het beperkte aantal beschikbare metingen te gebruiken om de werkelijkheid te benaderen maar dat de werkelijke situatie aldus wel kan afwijken van de berekende situatie binnen een bepaalde marge. Getuige [persoon 4] heeft verklaard dat, ondanks de omstandigheid dat een deel van de vergunde maatregelen reeds is uitgevoerd een validatie van het model had kunnen plaatsvinden door middel van een uitgebreide steekproef op de percelen van eisers.

5.6

Gelet op de omstandigheid dat verweerder niet alle mogelijkheden heeft benut om het model beter te valideren, is de rechtbank van oordeel dat verweerder er niet in is geslaagd om de uitgangssituatie voldoende duidelijk in kaart te brengen. Weliswaar wijst verweerder er terecht op dat ook een dergelijke steekproef geen l00% zekerheid over de juistheid van het model kan bieden maar enige zekerheid is nog steeds te verkiezen boven de grotere onzekerheid die inherent is aan de door verweerder gehanteerde modelmatige berekening. In het herstelbesluit is het gebrek daarom niet hersteld.

6.1

Eisers zijn verder van mening dat verweerder niet, althans onvoldoende heeft onderzocht of sprake is van een significant effect door de vergunde maatregelen. Er is geen nader onderzoek verricht. Weliswaar zijn er wat meer kaartjes, maar hierbij wordt gebruik gemaakt van dezelfde onjuiste rekenpunten. Verweerder gaat wel in op de effecten van de stijging van de GHG maar deze effecten worden onderschat. Volgens de deskundige van eisers (Artesia) vindt de stijging van de GHG niet op 2 hectaren van de percelen van eisers plaats maar op 4 hectaren en duurt het effect niet 2 tot 8 dagen maar 13 dagen tot een maand. Ten onrechte is hiernaar volgens eisers door verweerder geen nader onderzoek verricht.

6.2

Verweerder bestrijdt de toename van kwel. Volgens verweerder is geen sprake van een significant effect, omdat de stijging van de GHG tot 5 cm beperkt blijft. Ter zitting heeft verweerder gewezen op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) van $ oktober 2014 (ECLI:NL:RVS: 20 14:3609).

6.3

In de door verweerder genoemde uitspraak overwoog de Afdeling dat niet bestreden is dat de door het dagelijks bestuur van het waterschap gehanteerde onderzoeksmethoden gangbaar zijn en dat bij gebruik van deze methoden niet zeker is dat berekende grondwaterstand-verhogingen van minder dan 5 cm zich als gevolg van de vergunde werkzaamheden zullen voordoen. Omdat deze grondwaterstandverhogingen niet kunnen worden toegeschreven aan de vergunde werkzaamheden, bestaat geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur gehouden was in de watervergunningen een verplichting voor de Landinrichtingscommissie op te nemen tot het ongedaan maken van de nadelige gevolgen van die grondwaterstandverhogingen, aldus de Afdeling.

6.4

De rechtbank is in de eerste plaats van oordeel dat uit deze uitspraak niet in algemene zin kan worden afgeleid dat bij een grondwaterstandverhoging van minder dan 5 cm nimmer sprake is van een significant effect. Of sprake is van een significant effect is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan de GHG voorafgaand aan het treffen van maatregelen. de ligging van het perceel, de op het perceel geteelde gewassen en de kwetsbaarheid van de teelt op de percelen voor een stijging van de GHG en de effecten van in het verleden getroffen maatregelen. Bovendien verschilt de door verweerder genoemde uitspraak van deze zaak, omdat uit genoemde uitspraak blijkt dat de aldaar gehanteerde onderzoeksmethode geen onderwerp van geschil was. In deze zaak is de gehanteerde onderzoeksmethode juist wel onderwerp van geschil.

6.5

Hierboven heeft de rechtbank reeds overwogen dat verweerder heeft nagelaten de uitgangssituatie voldoende duidelijk in kaart te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank dient de onzekerheid als gevolg van de door verweerder gehanteerde methode van een modelmatige berekening van de uitgangssituatie voor verweerders risico te blijven en kan de hierdoor ontstane onzekerheid niet voor risico van eisers worden gebracht. Omdat de uitgangssituatie onduidelijk is, kan volgens de rechtbank niet op voorhand worden uitgesloten dat de GHG met meer dan 5 cm kan stijgen. Verweerder heeft verder bij de beoordeling of sprake is van een significant effect de omstandigheden van het geval onvoldoende betrokken.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat voorafgaand aan de besluitvorming niet op voorhand was uitgesloten dat geen voorzienbare schade als gevolg van deze besluitvorming op de percelen van eisers zou kunnen ontstaan. Het gebrek is niet hersteld.

7.1

Eisers stellen verder dat het herstelbesluit innerlijk tegenstrijdig is omdat in voorschrift 11.5 een peil wordt genoemd van 28.$5+NAP en in voorschrift 5.1 een minimaal peil van 28.90+NAP wordt genoemd waardoor het peil achter de stuw niet lager dan 31.10+NAP kan worden gezet. Verder is niet gemotiveerd waarom voorschrift 10, lid 4, sub b, is geschrapt.

7.2

Verweerder heeft aangegeven dat de stelling deels berust op een onjuiste lezing van het herstelbesluit en de onderliggende onderzoeken alsmede dat sprake is van een kennelijke verschrijving.

7.3

De derde-partij wijst er op dat in voorschrift 5.15 is verzuimd aan te geven dat het daarin genoemde peil uitsluitend het peil in de Soeloop oost-west betreft. De derde-partij geeft tevens aan dat het daarin genoemde peil de stuw betreft. Verder is aangegeven dat een vergunde stuw bij Julianahoeve niet kan functioneren en dat deze wordt vervangen door een tijdelijk gemaal.

7.4

In de, bij het bestreden besluit verleende, watervergunning was in voorschrift 1 0.4.b bepaald dat de onttrekking moet worden gestopt wanneer het waterpeil in peilbesluitgebieden lager staat dan de in het peilbesluit vastgelegde minimum waterpeilen. Dit voorschrift is in het herstelbesluit geschrapt.

7.5

Gelet op de zienswijze van de derde-partij — die wordt ondersteund door verweerders verduidelijking ter zitting — is de rechtbank van oordeel dat duidelijk is dat verweerder heeft bedoeld in voorschrift 11 .5 een peil op te nemen van 2 8.90+ NAP, in verband met de waterkolom boven de stuw. Hier is sprake van een kennelijke verschrijving. Verweerder heeft echter nagelaten om nader te motiveren waarom voorschrift 10 lid 4 sub b is geschrapt in het herstelbesluit, ondanks dat eisers hier expliciet op hebben gewezen in hun zienswijze. Ook had verweerder voorschrift 5.15 moeten verduidelijken om de door de derde-partij gevreesde verwarring te voorkomen. Het herstelbesluit is onvoldoende gemotiveerd.

8. De zienswijze van de derde-partij met betrekking tot de stuw bij Julianahoeve heeft betrekking op een ontwikkeling die vervolgens is vergund door middel van het wijzigingsbesluit. De rechtbank stelt vast dat eisers noch eiseres hiertegen afzonderlijke gronden hebben aangevoerd.

9. Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen in deze uitspraak en gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep van eisers en eiseres voor zover gericht tegen het bestreden besluit gegrond. Het beroep van eiseres tegen het herstelbesluit is ongegrond. Het beroep van eisers tegen het herstelbesluit is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en het herstelbesluit. Ten overvloede wijst de rechtbank er op dat dientengevolge ook de zowel in het bestreden besluit als in het herstelbesluit verleende watervergunning daarmee ook wordt vernietigd en dat de in het primaire besluit verleende watervergunning hierdoor herleeft. Het beroep van eisers en eiseres tegen het wijzigingsbesluit is ongegrond.

10.1

Eisers hebbende rechtbank verzocht om zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit te herroepen. Subsidiair hebben zij verzocht om een natschaderegeling aan het besluit te verbinden dan wel verweerder te verplichten compenserende maatregelen te treffen.

10.2

De rechtbank ziet geen aanleiding om het primaire besluit te herroepen. Ofschoon eisers terechte kritiek hebben geuit op de onderbouwing van het primaire besluit in de rapporten van verweerder, neemt de rechtbank ook in aanmerking dat het rapport 2 slechts betrekking heeft op het perceel van eisers. Het primaire besluit omvat meerdere maatregelen in een groot gebied en het valt niet zonder meer in te zien dat alle vergunde maatregelen effect hebben op het perceel van eisers. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om zelf in de zaak te voorzien in die zin dat in het primaire besluit een aanvullende verplichting wordt opgelegd om compenserende maatregelen te treffen omdat het voor de rechtbank niet inzichtelijk is of dergelijke maatregelen kunnen worden getroffen, laat staan wat deze maatregelen zouden moeten inhouden.

10.3

De rechtbank is wel van oordeel dat het op de weg van verweerder ligt om, indien wordt volstaan met de huidige onderbouwing van de besluitvorming, een natschaderegeling aan het primaire besluit te verbinden. Uitgangspunt van deze regeling zou moeten zijn dat het niet aan eisers is om aan te tonen dat door hen geleden natschade het gevolg is van het primaire besluit maar dat verweerder gehouden is tot uitkering van geleden natschade. De rechtbank zal niet zelf in de zaak voorzien maar bepalen dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak, mede om partijen in de gelegenheid te stellen over de precieze inhoud van de natschaderegeling te overleggen dan wel in overleg te gaan over eventuele compenserende maatregelen op de percelen van eisers. De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder in deze procedure in de gelegenheid te stellen het gebrek alsnog te herstellen omdat de rechtbank niet kan overzien hoeveel tijd is gemoeid met de wijziging van het besluit en het eventuele daaraan voorafgaande overleg met partijen.

10.4

In het herstelbesluit heeft verweerder ten aanzien van het bezwaarschrift van eiseres niets overwogen. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaren en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op het bezwaar van eiseres.

11. Met deze uitspraak komt de in de tussenuitspraak getroffen voorlopige voorziening te vervallen. De rechtbank ziet aanleiding de voorlopige voorziening te treffen dat het primaire besluit wordt geschorst en dat het waterpeil in het projectgebied niet verder mag worden opgezet dan is toegestaan op basis van de geldende legger en Keur tot zes weken na het nemen van het besluit op het bezwaar van eisers. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat ter zitting door vergunninghouder is aangegeven dat het opzetten van het peil ook enige tijd later kan geschieden zonder dat de beoogde doelen van het besluit in gevaar komen.

12 Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers en eiseres het door hen betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers en eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €2.191,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus. 1 punt voor het verschijnen ter nadere zitting na de tussenuitspraak met een waarde per punt van € 487.00 en een wegingsfactor 1). voor eisers. De voor de door een derde aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor eiseres stelt de rechtbank vast op € 1 .948.00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 1 punt voor het verschijnen ter nadere zitting na de tussenuitspraak met een waarde per punt van € 487,00 en een wegingsfactor 1). De door de getuigen in rekening gebrachte kosten in verband met de tweede zitting worden door de rechtbank zelf vergoed met inachtneming van artikel 8:36, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht omdat de rechtbank deze getuigen heeft opgeroepen. Eisers maken aanspraak op een vergoeding van de reiskosten (2x € 38,64) alsmede een vergoeding van de deskundigenkosten van € 4.167,24. De rechtbank zal verweerder ook veroordelen tot vergoeding van deze kosten. De overige door eisers genoemde kosten, te weten de deskundigenkosten in verband met het tweede beroep zijn niet gespecificeerd en komen niet voor vergoeding in aanmerking. Eiseres maakt aanspraak op een vergoeding van reiskosten van € 48,00 en de gespecificeerde verletkosten van haar dochter van € 251,28) alsmede de vergoeding van de kosten van de door haar opgeroepen getuige van € 375,00. Ten aanzien van de kosten van de getuige overweegt de rechtbank dat de te vergoeden kosten. ingevolge het Bpb in samenhang met het Besluit tarieven in strafzaken beperkt blijven tot een bedrag van € 6,81 per uur, derhalve € 34,05. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de helft van de gevorderde reis- en verletkosten en getuigenkosten. mede gelet op de omstandigheid dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne reeds is veroordeeld tot vergoeding van de helft van deze kosten in de uitspraak van deze datum in de zaak SHE 13/5 869.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart de beroepen tegen het bestreden besluit gegrond;

 verklaart het beroep van eisers tegen het herstelbesluit gegrond en verklaart het beroep van eiseres tegen het herstelbesluit ongegrond;

 verklaart de beroepen tegen het wijzigingsbesluit ongegrond;

 vernietigt het bestreden besluit en het herstelbesluit

 verklaart het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

 bepaalt dat verweerder een besluit op het bezwaar van eisers dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak.

 schorst het primaire besluit tot zes weken na de te nemen beslissing op het bezwaar van eisers en treft daarnaast de voorlopige voorziening dat het waterpeil in het projectgebied niet verder mag worden opgezet dan is toegestaan op basis van de geldende legger en Keur tot zes weken na het nemen van het besluit op het bezwaar van eisers;

 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 318,00 aan eisers te vergoeden;

 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,00 aan eiseres te vergoeden;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 6.436,02;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.144,66.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. D.J. de Lange en mr. J.H.G van den Broek, leden, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.