Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:811

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-02-2014
Datum publicatie
21-02-2014
Zaaknummer
01/845517-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld ter zake doodslag. Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan onderzoek geestvermogens. Om die reden wordt hij volledig toerekenbaar geacht. Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaar. Verwerping beroep op (putatief) noodweer en noodweer-exces.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845517-13

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1985],

wonende te [adres 1],

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 oktober 2013, 13 december 2013 en 7 februari 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 september 2013.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 juni 2013 te Eindhoven opzettelijk en al dan niet met

voorbedachte rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft

verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die

[slachtoffer] met een mes meermalen in zijn lichaam gestoken en/of

gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

artikel 289 juncto 287 wetboek van Strafrecht

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Op 28 juni 2013 omstreeks 12.07 kwam bij de meldkamer van de regiopolitie Oost Brabant

een melding binnen dat op [adres 2] te Eindhoven een steekpartij had plaatsgevonden. De dader van de steekpartij zou nog aanwezig zijn. Kort hierop kwam wederom een telefoongesprek binnen bij de meldkamer. De melder, genaamd [verdachte], zei dat hij het slachtoffer had neergestoken.1

Op 28 juli 2013 omstreeks 12.11 uur arriveerden politieambtenaren in [adres 3] te Eindhoven waar zij een onbekende man van allochtone afkomst zien staan die zijn rechterhand in de lucht houdt, met zijn linkerhand een telefoon aan zijn oor en eruit ziet alsof hij zich wil overgeven. Verdachte wordt ter plaatse aangehouden.2

Op 28 juli 2013 omstreeks 12.15 uur arriveerden politieambtenaren op [adres 2] waar zij ambulancepersoneel aantroffen die bezig waren met het reanimeren van het slachtoffer. Verbalisanten werden door de aanwezige getuigen gewezen op het feit dat het steekwapen nog in de directe omgeving zou moeten liggen. Vervolgens wordt een mes aangetroffen onder het achterste ambulancevoertuig ter hoogte van de achteringang van het bedrijf aan [adres 2].3 Door het ter plaatse gekomen ambulancepersoneel werd het slachtoffer overgebracht naar het Catharinaziekenhuis te Eindhoven.4

Aldaar werd in middag van 28 juni 2013 geconstateerd dat het slachtoffer genaamd [slachtoffer] was overleden. Het lichaam van [slachtoffer] werd geschouwd door de GGD-arts K. Gan.5

Bij pathologisch onderzoek op 4 juli 2013 werd het volgende geconstateerd.

[slachtoffer] is overleden in het Catharina Annaziekenhuis in Eindhoven op 28 juni 2013. Er waren aan de rug, borstkas, rechterarm en rechterbeen in totaal 9 scherprandige huidperforaties. Het langste steekkanaal in relatie tot deze letsels had een lengte van 9 cm. Door meerdere letsels in de borstkas was onder andere het hart gekliefd, waren de longen samengevallen en waren onder andere de lever en de linker nier geperforeerd. Het letsel is bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig perforerend/klievend geweld, zoals opgeleverd kan worden door een mes, een eenzijdig scherprandig voorwerp. Het intreden van de dood van [slachtoffer] kan worden verklaard door doorgemaakt bloedverlies met algehele weefselschade tot gevolg in combinatie met weefselschade door functieverlies van de longen en het hart, opgeleverd door meervoudig steekletsel.6

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 28 juni 2014 aan het werk was bij zijn bedrijf [naam 1] aan [adres 2] in Eindhoven toen hij met een paar medewerkers - waaronder verdachte en later slachtoffer [slachtoffer] - buiten stond te roken. [getuige 1] had gehoord van anderen dat verdachte en [slachtoffer] de dag ervoor ruzie hadden gehad en hij heeft hier buiten met hen over gesproken. Daarna is hij naar binnen gegaan. Toen hij net binnen was, hoorde hij geschreeuw en zag door de ruit dat er gevochten werd tussen verdachte en [slachtoffer] waarbij over en weer werd geslagen. Hij is onmiddellijk naar buiten gerend en hoorde [slachtoffer] roepen: “Help, pak die mes”. Toen [getuige 1] [slachtoffer] zag, lag hij al op de grond terwijl verdachte half geknield over hem heen hing en met een mes ongeveer 6 keer op hem in stak. [getuige 1] zag het mes verdwijnen in het lichaam van [slachtoffer]. De laatste steek was in de borstkas waarbij het lichaam van [slachtoffer] reageerde alsof het onder stroom stond78

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij op 28 juni 2014 aan het werk was bij het bedrijf [naam 1] in Eindhoven en aldaar in de geldtelruimte stond toen [getuige 1] (getuige [getuige 1]) van buiten naar binnen liep. Op dat moment hoorde hij dat [slachtoffer] (die buiten stond te roken) riep: “Help me, pak die mes.” Toen hij en [getuige 1] naar buiten gingen, zag hij dat verdachte met zijn ene arm [slachtoffer] een soort van wegduwde en met zijn andere arm op hem in stak, waarbij [slachtoffer] zich probeerde af te weren. [getuige 2] zag verdachte meermalen op de borst van [slachtoffer] insteken met een onderhandse steekbeweging. Hij zag dat [slachtoffer] op de grond viel en verdachte op zijn knieën naast hem ging zitten en doorging met steken. [getuige 2] weet niet hoeveel keer verdachte heeft gestoken, maar zag wel dat verdachte met kracht stak. Hij heeft verklaard dat het mes ging erin ging als in boter. Vervolgens renden hij ([getuige 2]) en [getuige 1] op verdachte af om hem van [slachtoffer] af te trekken, waarbij verdachte uit zijn jas schoot en hen aankeek. Daarna draaide verdachte zich opnieuw naar [slachtoffer] en stak hem nog een keer op borsthoogte waarna verdachte opstond en wegliep.9

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in op 28 juni 2013 voor een pand, gelegen aan [adres 2] te Eindhoven, [slachtoffer] met een mes meermalen in zijn buik en borst heeft gestoken, waarna hij 112 heeft gebeld.10

Tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden, op grond waarvan de rechtbank concludeert dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] met het ter plaatse aangetroffen mes heeft gestoken, zal de rechtbank de volgende vragen bespreken:

  • -

    is sprake van opzettelijk handelen?

  • -

    is sprake van voorbedachte raad?

Opzet.

De officier van justitie is van oordeel dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] [slachtoffer] door hem met een mes in de borst en buik te steken.

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de bewijsbaarheid van het (voorwaardelijk) opzet in deze zaak.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte heeft het slachtoffer met een mes, waarvan het lemmet een lengte van ongeveer 8 centimeter en een breedte van ongeveer 2 centimeter had, onder meer in de borstkas ter hoogte van de hartstreek gestoken. Uit het letsel zoals omschreven in voormeld onderzoek door de patholoog-anatoom - kort gezegd 9 steekwonden waaronder een steekwond met steekkanaal van 4,5 centimeter in de borstholte die onder meer klieving van het hart en het samenvallen longen tot gevolg heeft gehad en steekwonden die perforatie van de linker nier en de lever hebben veroorzaakt - blijkt dat verdachte zo diep heeft gestoken dat hij door die steek ook daadwerkelijk het hart en andere vitale lichaamsdelen heeft geraakt.

Naar het oordeel van de rechtbank is het met kracht toebrengen van dergelijk letsel in de borst/buikregio naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het veroorzaken van de dood bij degene tegen wie het geweld wordt gebruikt, dat bewezen is dat verdachte opzettelijk het slachtoffer van het leven heeft beroofd,.

Voorbedachte raad.

De officier van justitie en de raadsman hebben zich beiden op het standpunt gesteld dat er geen bewijs is voor het feit dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

De rechtbank is van oordeel dat noch uit de stukken die zich in het dossier bevinden, noch uit het onderzoek ter terechtzitting, kan worden afgeleid dat verdachte na kalm beraad en rustig overleg het besluit heeft genomen om [slachtoffer] van het leven te beroven. Dat verdachte reëel de mogelijkheid heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit om [slachtoffer] van het leven te beroven is niet gebleken. Het feit dat verdachte twee dagen vóór het incident een mes heeft aangeschaft, welk mes hij op de dag van het incident bij zich had en vervolgens ook heeft gebruikt, alsmede dat verdachte en het slachtoffer een dag vóór het incident een woordenwisseling hebben gehad is, ook bijeengenomen, daarvoor onvoldoende. Omdat niet blijkt dat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen handelen en zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven, zal verdachte worden vrijgesproken van moord.

Gelet hierop en gezien hetgeen hiervoor is overwogen inzake het opzet van verdachte, acht de rechtbank doodslag wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 28 juni 2013 te Eindhoven opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] met een mes meermalen in zijn lichaam gestoken en gesneden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid.

De officier van justitie heeft - op de gronden zoals weergeven in zijn schriftelijk requisitoir - zich op het standpunt gesteld dat van een geslaagd beroep op (putatief) noodweer(exces) geen sprake kan zijn.

De raadsman heeft - op gronden als verwoord in zijn pleitnota - aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat er sprake zou zijn van putatief noodweer(exces).

De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

Om te komen tot een beoordeling van het handelen van verdachte dient de rechtbank zich een oordeel te vormen over de feiten en omstandigheden waaronder verdachte tot zijn handelen is gekomen. Verdachte was op zijn werk en [slachtoffer] en hij waren collega’s. Beiden hielden kort voor de fatale steken een pauze in het bijzijn van andere collega’s. Volgens de getuigen is verdachte zonder enige kenbare aanleiding overgegaan tot het plegen van het ten laste gelegde dodelijke geweld in de richting van [slachtoffer].

De rechtbank acht uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting volstrekt niet aannemelijk geworden dat het slachtoffer ten tijde van het onderhavige incident een (vuur)wapen droeg. De omstandigheden dat verdachte en het latere slachtoffer daags voor het incident enige woordenwisseling hebben gehad, dat het latere slachtoffer kort voor het steekincident mogelijk iets heeft opgehaald uit de auto van een (bevriende) collega, alsmede dat het slachtoffer in het verleden een vuurwapen heeft bezeten en/of heeft gebruikt, zoals door de verdediging gesteld, vormen, ook bijeengenomen, geen feiten of omstandigheden op grond waarvan het aannemelijk is dat [slachtoffer] de bewuste dag beschikte over een vuurwapen, laat staan dat hij een dergelijk wapen wilde gaan gebruiken tegen verdachte. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat er op een andere wijze sprake was van een aanval of dreigende aanval of (een) andere reële vorm(en) van agressie tegen verdachte van de zijde van het latere slachtoffer.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die in redelijkheid bij verdachte tot de conclusie hebben kunnen leiden dat er sprake was van een situatie die een vorm van noodweer kon rechtvaardigen, laat staan het geweld dat door verdachte is gebruikt tegen [slachtoffer].

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat verdachte zich ten tijde van het opzettelijk neersteken van het slachtoffer niet in een situatie bevond waarin hij gerechtigd was zich te verdedigen, of zich in redelijkheid daartoe gerechtigd kon achten. Onder deze omstandigheden faalt aldus het beroep op noodweer en putatief noodweer.

Door het ontbreken van omstandigheden die een beroep op noodweer rechtvaardigen, faalt ook het beroep op noodweer-exces, dat immers een overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit betreft bij handelen in (putatief) noodweer.

Er is ook anderszins niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

ten aanzien van het impliciet primair tenlastegelegde:

- vrijspraak;

ten aanzien van het impliciet subsidiair tenlastegelegde:

- een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaar met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft bij de hoogte van haar strafeis met name betrokken de bijzondere ernst van het feit en het onbeschrijfelijke leed dat de nabestaanden is aangedaan. Voorts heeft ze gewezen op het feit dat verdachte geen medewerking heeft verleend aan onderzoek door een psycholoog en/of een psychiater. Omdat daardoor kan niet worden vastgesteld hoe groot de kans op herhaling is kiest het openbaar ministerie ervoor om de maatschappij zo lang mogelijk tegen verdachte te beschermen.

Het schriftelijk requisitoir is aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 februari 2014 gehecht. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft, subsidiair, verzocht om de straf te matigen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het nooit de bedoeling van verdachte is geweest om iemand om het leven te brengen en dat hij zich zeer coöperatief heeft opgesteld door direct na het voorval de politie te bellen en tijdens de verhoren ook direct openheid van zaken heeft gegeven. Voorts heeft de raadsman gevraagd om geen TBS op te leggen, omdat daartoe geen reden is.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 28 juni 2013 [slachtoffer] [slachtoffer] meerdere malen met een mes gestoken, als gevolg waarvan die [slachtoffer] om het leven is gekomen.

Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan doodslag, een van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Verdachte heeft [slachtoffer] beroofd van het meest fundamentele recht dat iemand heeft, het recht op leven. Verder heeft verdachte buitengewoon zwaar en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van [slachtoffer]. De omvang van het aan de nabestaanden aangedane leed is indringend gebleken uit de terechtzitting door hen voorgedragen slachtofferverklaring. Ook de personen die getuigen zijn geweest van (een gedeelte van) de steekpartij hebben een bijzonder traumatische ervaring te verwerken gekregen. De ervaring leert dat voor al deze betrokkenen de gevolgen van een dergelijk feit veelal nog vele jaren, zo niet de rest van hun leven, merkbaar zullen zijn.

De rechtbank heeft geconstateerd dat verdachte geen medewerking heeft verleend aan onderzoek door een psycholoog en/of een psychiater. Daarmee heeft hij de rechtbank de gelegenheid ontnomen om nader inzicht te krijgen in (onder meer) de vraag of en in hoeverre het feit aan eiser kan worden toegerekend. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het feit aan verdachte volledig kan worden toegerekend.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 20 november 2013, betreffende verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte het feit pleegde terwijl hij zich nog in een proeftijd bevond van een eerdere veroordeling. Verder is verdachte in 2005 voor een geweldsmisdrijf veroordeeld.

Tot slot heeft de rechtbank meegewogen de straffen die in andere zaken in het meer recente verleden ter zake van doodslag door de rechter zijn opgelegd.

De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van elf (11)jaar, met aftrek van voorarrest.

De vordering van de benadeelde partij [persoon 1].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de gehele vordering toewijsbaar met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging betwist de gehele vordering en bepleit niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Een civiele procedure is noodzakelijk om de omvang van de schade vast te stellen.

Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering:

  • -

    kosten mortuarium (post 1) € 229,50

  • -

    kosten grafsteen (post 2) € 255,00

  • -

    kosten vliegtickets (post 3) € 1.798,37

  • -

    kosten vliegtickets regelen grafsteen (post 4a + 4b) € 440,87

  • -

    kosten Catharinaziekenhuis (post 5) € 530,12

  • -

    kosten ambulancevervoer (post 6) € 715,64 +

------------------------------------------------------------------------------------

Totaal € 3.969,50

De rechtbank zal het deel van de vordering dat ziet de kosten voor de uitvaartverzorging van het slachtoffer (post 7) afwijzen, omdat uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat deze kosten reeds door de verzekering zijn vergoed.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de posten 8 tot en met 12 van de vordering. Van dit gedeelte van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of en in hoeverre deze kosten zijn gemaakt in directe relatie tot het bewezen verklaarde strafbare feit, onder meer aangezien de bewijstukken thans ontbreken. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

DE UITSPRAAK

De rechtbank verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven en verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

doodslag

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregel.

* Gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

* Maatregel van schadevergoeding van € 3.969,50 subsidiair 49 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van

[persoon 1], van een bedrag van € 3.969,50 (zegge: drieduizendnegenhonderdnegenenzestig en vijftig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 49 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding (post 1 tot en met 6). De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

* Beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [persoon 1], van een bedrag van € 3.969,50 (zegge: drieduizendnegenhonderdnegenenzestigeuro en vijftig eurocent), aan materiële schadevergoeding (post 1 tot en met 6).

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het gedeelte betrekking hebbend op de materiële schadevergoeding onder de posten 8, 9, 10, 11 en 12 niet ontvankelijk is.

Wijst de vordering voor het overige (post 7) af.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. W.A.F. Damen, voorzitter,

mr. E.M.J. Raeijmaekers en mr. T. van de Woestijne, leden,

in tegenwoordigheid van Y.A.M. Janssen - Van Erp, griffier,

en is uitgesproken op 21 februari 2014.

1 Relaas verbalisant [verbalisant 1], p. 5 van het proces-verbaal van de regiopolitie Oost Brabant met nummer 2013088336, aantal doorgenummerde bladzijden 301. Hierna te noemen: politiedossier.

2 Relaas verbalisant [verbalisant 2] en [verbalisant 3]. p. 27 van het politiedossier.

3 Relaas verbalisant [verbalisant 4], p. 94 van het politiedossier.

4 Relaas verbalisant [verbalisant 1], p. 13 van het politiedossier.

5 Relaas verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] p. 285-286 87 van het politiedossier.

6 Een rapport van het NFI naar aanleiding van pathologisch onderzoek met zaaknummer 2013.06.28.076, afgesloten d.d. 4 juli 2013.

7 Verklaring getuige [getuige 1] d.d. 30 juni 2013 p. 134 van het politiedossier.

8 Het bewijs dat verdachte het feit heeft gepleegd berust niet geheel of in overwegende mate op de verklaring van deze getuige; om die reden wordt de bij de politie afgelegde verklaring gebruikt als (aanvullend) bewijsmiddel, ook al is de getuige niet verschenen bij de rechter-commissaris om aldaar (mede) door de raadsman te kunnen worden bevraagd ter zake zijn eerder afgelegde verklaring

9 Verklaring getuige [getuige 2] d.d. 2 juli 2013 p. 114-115 van het politiedossier.

10 Verklaring verdachte, proces-verbaal terechtzitting van 7 februari 2014.