Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:8103

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
05-01-2015
Zaaknummer
C/01/243103 / HA ZA 12-153
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:31
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Contradictoir. Letselschade. Valpartij met uitschuifladder. De producent van de uitschuifladder mocht tegenbewijs leveren tegen de aanname dat de ladder gebrekkig was, welke aanname was gebaseerd op de vaststelling dat het slachtoffer normaal gebruik heeft gemaakt van de ladder en dat deze desondanks is gebogen en schade heeft veroorzaakt. De producent voert dan aan dat het buigen van de ladder niet de oorzaak is geweest van de val, maar het gevolg. De rechtbank acht dit scenario onvoldoende onderbouwd. De rechtbank ziet niettemin ruimte voor gerede twijfel over de vermoede gebrekkigheid van de ladder, gelet op wat de onderzoekers hebben gerapporteerd over onder meer de (materiaal)sterkte van de ladder. De producent is er dus niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de ladder niet normaal is gebruikt, maar heeft wel twijfel opgeroepen over de juistheid van het (in de vastgestelde toedracht van de valpartij besloten liggende) vermoeden van gebrekkigheid van de ladder. De rechtbank stelt vast dat hier sprake is van een ‘non liquet’ situatie. Als sprake is van voldoende tegenbewijs rust het bewijsrisico (weer) bij het slachtoffer. Die kan dit bewijs echter niet leveren omdat de ladder waarmee het ongeval is gebeurd door toedoen van de producent niet meer beschikbaar is. Dit dient voor rekening en risico van de producent te komen. Aansprakelijkheid aangenomen van de producent voor de schade als gevolg van de valpartij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2015/40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/243103 / HA ZA 12-153

Vonnis van 24 december 2014

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. C.W.H.M. Uitdehaag te Veldhoven,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TREBS B.V.,

gevestigd te Nuth,

gedaagde,

advocaat mr. D. Knottenbelt te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Trebs genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 maart 2013

  • -

    de akte uitlating bewijslevering door Trebs

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 12 november 2013

  • -

    het proces-verbaal van tegenverhoor, gehouden op 13 februari 2014

  • -

    de conclusie na enquête door Trebs

  • -

    de antwoordconclusie na enquête door [eiseres]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De bewijslevering

De bewijsopdracht

2.1.

Bij tussenvonnis van 20 maart 2013 heeft de rechtbank Trebs toegelaten tegenbewijs te leveren tegen de aanname dat de uitschuifbare ladder van het type “Xtend en Climb”, waarmee [eiseres] op 4 januari 2009 ten val is gekomen, gebrekkig was. Die aanname heeft de rechtbank gebaseerd op de vaststelling dat door [eiseres] een normaal gebruik werd gemaakt van de ladder en dat deze desondanks is geknikt en schade heeft veroorzaakt.

De bewijslevering

2.2.

Trebs heeft in het kader van deze bewijsopdracht de heer [getuige] uit [woonplaats] (Verenigde Staten) (hierna: [getuige]) als getuige laten horen. Trebs heeft ook een onderzoeksrapport van [getuige] d.d. 13 oktober 2013 in het geding gebracht (met daarbij een DVD met beeldopnamen van uitgevoerde tests), en een rapport d.d. 14 augustus 2013 van een in opdracht van [getuige] door de heer [expert] van EMN Expertise uitgevoerd (voor)onderzoek naar de situatie in de woning van [eiseres].

2.3.

[eiseres] heeft in tegenverhoor, naast zichzelf, ook als getuigen laten horen haar echtgenoot [naam 1], en de heer [naam 2], die als onderzoeker werkzaam is voor TÜV Rheinland Nederland BV. [eiseres] heeft ook een rapport d.d. 4 februari 2014 van de heer [naam 2] in het geding gebracht.

Het standpunt van Trebs

2.4.

Trebs meent dat zij met de bevindingen van [expert] en [getuige] het vermoeden van een gebrek aan de ladder heeft ontzenuwd, en voert hiertoe samengevat het volgende aan.

2.4.1.

[expert] heeft onderzoek gedaan in de woning van [eiseres] en meent dat als het ongeval zich op de door [eiseres] gestelde wijze zou hebben voorgedaan, er een ander schadebeeld zou zijn geweest. Hij acht het mogelijk dat de ladder is weggegleden als gevolg van een gladde/natte vloer en vervolgens op de muur naast de douchedeur is geklapt. Door het gewicht van [eiseres] zou er dan een knik in beide zijden van de ladder zijn ontstaan op het moment dat de ladder de muur raakte.

2.4.2.

[getuige] heeft twee met de ongevalsladder vergelijkbare ladders, die daarvoor speciaal door Trebs zijn vervaardigd, uitvoerig getest in een proefopstelling. Zijn goed onderbouwde conclusies zijn duidelijk:

  • -

    de testladder was uitzonderlijk sterk en kon bij normaal gebruik meer dan tien keer het gewicht van [eiseres] dragen;

  • -

    de ongevalsladder moet net zo sterk zijn geweest als de testladder omdat het materiaal van de ongevalsladder is getest door [naam 3] en de resultaten vrijwel hetzelfde waren als de resultaten van de materiaaltesten die zijn uitgevoerd op de testladder;

  • -

    er is geen bewijs dat de ongevalsladder een fabricagefout had: op de foto’s van de ladder is te zien dat sprake was van een taaie geweldsbreuk, die zich voordoet als de maximale sterkte van het materiaal wordt bereikt (en niet als het materiaal is verzwakt door gebreken of afwijkingen van het buismateriaal);

  • -

    het is onmogelijk dat de ladder is verbogen in rechtopstaande positie door het gewicht van [eiseres]: uit de test blijkt dat verbuigen slechts mogelijk is als de ladder heel schuin staat en er vervolgens stootkracht op de ladder wordt uitgeoefend;

  • -

    hoogstwaarschijnlijk is de ladder eerst verschoven en is [eiseres] er vervolgens op gevallen.

[getuige] concludeert dan ook dat de schade aan de ladder een gevolg moet zijn geweest van de valpartij, en niet de oorzaak. [getuige] wijst er op dat de ladder niet alleen kon verschuiven bij een gladde/natte vloer bij de poten, maar ook bijvoorbeeld als [eiseres] iets op de zolder heeft geduwd of geschoven of zich ergens tegen heeft afgezet, als [eiseres] de ladder te dicht bij de onderkant van de vliering heeft gezet waarna deze bij het beklimmen van de rand is afgegleden, als [eiseres] de ladder slechts met één staander tegen de rand heeft geplaatst waarna de ladder bij het beklimmen is gedraaid en van de rand geschoven, of als [eiseres] met haar voet van de laddersport is gegleden en op de ladder is gevallen.

2.4.3.

Aan de verklaringen van [eiseres] en haar echtgenoot komt weinig gewicht toe, omdat [eiseres] partijgetuige is en haar echtgenoot, die het ongeval niet heeft zien gebeuren, ook belang heeft bij de uitkomst van de procedure. Het is bovendien de vraag of zij na zoveel jaren nog een juiste herinnering hebben aan de situatie van destijds.

2.4.4.

[naam 2] heeft slechts het dossier bestudeerd en een slipmeting gedaan van de vloer in de woning van [eiseres]. Zijn conclusies doen aan de conclusies van [getuige] niets af maar bevestigen die juist. Ook [naam 2] ziet geen concrete aanwijzingen om aan te nemen dat de ladder gebrekkig was. Dat het productieproces van belang zou zijn om de eventuele gebrekkigheid van de ongevalsladder te kunnen beoordelen, zoals [naam 2] stelt maar niet toelicht, is niet juist. [naam 3] heeft het materiaal van de ongevalsladder getest op enkele centimeters afstand van het punt waar deze was geknikt. Onderdelen van een ladder hebben volgens [getuige] over de gehele lengte dezelfde eigenschappen. Als sprake was geweest van een gebrek waardoor de ladder 90% minder sterk was (en daardoor rechtopstaand had kunnen buigen bij het gewicht van [eiseres]), dan zou dat gebrek zeer duidelijk zichtbaar zijn geweest, en dan had dat gebrek zich ook aan beide zijden van de ladder op precies dezelfde hoogte hebben moeten voordoen.

Het standpunt van [eiseres]

2.5.

[eiseres] meent dat Trebs niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs en voert daartoe samengevat het volgende aan.

2.5.1.

Voor wat betreft het door Trebs te leveren tegenbewijs mag van Trebs worden verlangd dat zij niet alleen het vermoeden van een gebrek aan de ladder ontzenuwt, maar dat zij ook een andere oorzaak voor het ontstaan van de val aannemelijk maakt. Zeker ook omdat zij [eiseres] in bewijsproblemen heeft gebracht door de ongevalsladder te vernietigen, en omdat zij [eiseres] niet heeft betrokken bij het onderzoek door [naam 3].

2.5.2.

Dat [eiseres] een normaal gebruik heeft gemaakt van de ladder blijkt uit:

  • -

    de eigen verklaring van [eiseres] dat zij de ladder is opgelopen, op de vijfde sport heeft stilgestaan waarna de ladder knikte en zij achterover is gevallen;

  • -

    de hiermee congruente bevindingen van [expert];

  • -

    de bevindingen van [naam 3], dat de ladder niet scheef heeft gestaan of scheef is belast tijdens het (aan beide zijden exact gelijk) knikken van de ladder;

  • -

    de aangetroffen beschadigingen ter plekke aan plafond, stucwerk en houtwerk;

  • -

    de bevinding van [getuige] die het eens is met de aanname van [naam 3] dat de ladder niet scheef kan hebben gestaan of scheef kan zijn belast tijdens het knikken;

  • -

    de bevestiging van [naam 2] dat de krachten op beide kanten van de ladder evenredig dezelfde moeten zijn geweest;

  • -

    de conclusie van [naam 2] dat de enige verklaring voor de val een materiaaldefect is, omdat uit zijn slipmeting bleek dat de ladder niet kan zijn weggegleden op de vloer;

  • -

    het feit dat de onderzoeken van [getuige] en [naam 3] de mogelijkheid van een materiaalfout niet uitsluiten.

2.6.

[expert] heeft geen twijfels geuit over de door [eiseres] gestelde toedracht, maar heeft er alleen geen verklaring voor kunnen geven. [expert] sluit bovendien niet uit dat de ladder door het gewicht van [eiseres] een beetje schuin is gevallen, wat het schadebeeld aan stucwerk en houtwerk en het niet raken van de douchedeur zou verklaren. Het door [expert] geopperde alternatieve scenario - de ladder is weggegleden als gevolg van een gladde/natte vloer - moet worden verworpen omdat [eiseres] heeft verklaard dat zij duidelijk voelde dat de ladder knakte, omdat [eiseres] en Hobbelen hebben verklaard dat de vloer niet nat was ten tijde van het ongeval, en omdat uit het onderzoek van [naam 2] volgt dat de vloer zowel onder droge als natte condities voldoende stroef was, zodat de ladder niet kan zijn weggegleden.

2.7.

De bevindingen van [getuige] over de deugdelijkheid van de door hem gebruikte testladders zeggen niets over de ongevalsladder. Deze testladders zijn speciaal voor dit onderzoek door Trebs geproduceerd en zijn niet representatief voor de in serieproductie geproduceerde (500.000) ladders waartoe de ongevalsladder behoorde. [getuige] heeft bovendien niet getracht het ongeval van [eiseres] te reconstrueren, maar heeft slechts gezocht naar een alternatieve verklaring voor het knikken van de ladder. [getuige] erkent dat exact dezelfde beschadiging aan beide staanders van de ladder slechts mogelijk is indien aan beide kanten de belasting tussen de twee staanders gelijk is. De ladder moet dus recht hebben gestaan en beide staanders moeten in gelijke mate zijn ondersteund op het moment van knikken. Dit sluit niet aan bij de alternatieve verklaringen die [getuige] geeft voor de schade aan de ladder (waarbij steeds sprake zou zijn van een scheef wegvallen van de ladder). [eiseres] had bovendien niets in haar handen toen zij de ladder beklom, de vloer was niet nat of glad, en uit de sporen op de vlieringvloer blijkt dat zij de ladder niet te dicht bij de onderkant van de vliering heeft geplaatst. Vast staat dat zij achterover met haar rug op de ladder is gevallen: als de ladder door dit vallen zou zijn geknikt, dan zou dat niet zijn gebeurd ter hoogte van de vijfde sport (waarop [eiseres] stond) maar ter hoogte van de sport waar zij met haar rug de ladder heeft geraakt, aldus [eiseres].

3 De verdere beoordeling

3.1.

In haar tussenvonnis van 20 maart 2013 heeft de rechtbank vastgesteld, op basis van de stellingen van partijen en de rapporten van Nationale Nederlanden en [naam 3] (prod.12 en 6 van [eiseres] en prod.5 van Trebs) die in opdracht van Trebs zijn opgesteld, dat [eiseres] een normaal gebruik heeft gemaakt van de ladder. De rechtbank heeft daarop het vermoeden gebaseerd dat het knikken/doorbuigen van de ladder moet zijn veroorzaakt door een gebrek in de ladder, conform de res ipsa loquitur-leer (vergelijk ECLI:NL:HR:1993:ZC1197). De rechtbank heeft Trebs gelegenheid geboden tot het leveren van tegenbewijs.

3.2.

De rechtbank constateert dat Trebs zich bij het leveren van tegenbewijs niet alleen heeft gericht op het al dan niet gebrekkig zijn van de ladder, maar met name ook op het gebruik van de ladder door [eiseres]. Trebs tracht onder meer aan te tonen dat de toedracht van de val, en daarmee de oorzaak van de val, een andere moet zijn geweest dan eerder als vaststaand is aangenomen.

3.3.

Trebs voert aan dat het buigen van de ladder niet de oorzaak is geweest van de val, maar het gevolg. Trebs stelt, onder verwijzing naar het rapport van [getuige], dat het zo moet zijn gegaan dat [eiseres] de ladder onvoorzichtig heeft gebruikt waardoor de ladder is gaan schuiven, waarna zij er op is gevallen en de staanders zijn doorgebogen. Trebs baseert zich hierbij op de bevinding van [getuige] in zijn onderzoek dat de (geteste) ladder, wanneer deze normaal rechtop staat, uitzonderlijk sterk is en niet kan verbuigen, waaruit [getuige] concludeert dat de ladder alleen kan zijn verbogen doordat [eiseres] met haar gewicht tegen de ladder aan stootte terwijl deze naar een meer horizontale positie viel.

3.4.

De rechtbank constateert dat Trebs er bij het bepleiten van deze andere toedracht vanuit gaat dat de ladder rechtop staand niet kon doorbuigen (en dus niet gebrekkig was), terwijl het in deze zaak nu juist de vraag is of dit ook gold voor de ladder van [eiseres]. Dat de testladder rechtop staand niet kon doorbuigen betekent nog niet dat dit ook gold voor het exemplaar van [eiseres] (zie ook hierna onder 3.6). De rechtbank overweegt verder dat alle deskundigen in deze zaak het er over eens zijn dat de beschadiging aan de ladder (een exact gelijke knik in beide staanders net boven de vijfde sport) niet kan zijn ontstaan als de ladder scheef stond of scheef werd belast. In de door Trebs geschetste alternatieve scenario’s (waarin de ladder is gaan schuiven na onvoorzichtig gebruik door [eiseres]) moet de ladder dus op het moment van knikken (het moment waarop [eiseres] op de ladder zou zijn gevallen) meer horizontaal hebben gestaan (in een kleinere hoek ten opzichte van de vloer) maar wel recht, en het gewicht van [eiseres] moet precies in het midden van de ladder terecht zijn gekomen. De rechtbank acht niet heel aannemelijk dat dit zich op deze wijze heeft voorgedaan. Gelet op de beschadigingen aan het stucwerk en het houtwerk staat immers vast dat de ladder niet rechtuit naar beneden is gevallen of weggegleden, maar dat dit scheefweg is gebeurd, naar links in de richting van de trap. Gelet op wat bekend is over de ruimte waarin de valpartij plaatsvond (zie hierover het rapport van [expert] en de daarin opgenomen foto’s en gegevens van die ruimte) oordeelt de rechtbank dat er niet vanuit kan worden gegaan dat de ladder, nadat die scheef naar links was gevallen of weggegleden, in een positie heeft kunnen komen waarin hij met beide staanders tegen een muur, of op een andere wijze ‘vast’ is komen te staan in een flauwe hoek ten opzichte van vloer. Over de kans dat [eiseres], die achterover is gevallen, precies op het midden van de ladder terecht is gekomen, ter hoogte van de vijfde sport, heeft Trebs zich niet uitgelaten. Dit alles maakt dat de door Trebs geschetste alternatieve scenario’s over de toedracht van de valpartij niet voldoende zijn onderbouwd om op basis daarvan te kunnen oordelen dat de toedracht van de valpartij een andere moet zijn geweest dan door [eiseres] is gesteld en door de rechtbank tot uitgangspunt is genomen.

3.5.

Trebs voert verder aan dat met name uit het onderzoeksrapport van [getuige] volgt dat de ladder van [eiseres] niet gebrekkig was.

3.6.

De rechtbank overweegt dat [getuige] niet de ongevalsladder heeft onderzocht maar een speciaal voor dit onderzoek door Trebs geproduceerde ladder van hetzelfde type als de ongevalsladder. Voor zover [getuige] in zijn onderzoek tot de conclusie is gekomen dat de door hem onderzochte testladder zeer sterk was en niet kon knikken bij normaal gebruik, kan hieraan dan ook niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat dit ook moet hebben gegolden voor de ongevalsladder. Van dit type ladder zijn volgens Trebs omstreeks 500.000 exemplaren geproduceerd en bij die productie kan een fout zijn opgetreden waardoor de ladder van [eiseres] minder sterk was dan andere ladders van hetzelfde type. [getuige] heeft echter ook de materiaalsterkte van de testladder vergeleken met de (door [naam 3] vastgestelde) materiaalsterkte van de geknikte staanders van de ongevalsladder en hierin nagenoeg geen verschil geconstateerd. Deze constatering, in combinatie met de vaststelling van [naam 3] dat sprake is geweest van een zogenaamde ‘taaie geweldsbreuk’ (een breuk veroorzaakt door het bereiken van de maximale sterkte van het materiaal) en dat ter hoogte van de knik niets te zien was dat er op wees dat er voor het knikken al een defect aanwezig was, en in combinatie met de vaststelling van [getuige] dat een materiaalafwijking van deze omvang (die enorm had moeten zijn om de sterkte van de ladder zodanig te verminderen dat hij rechtop staand het gewicht van [eiseres] niet kon dragen) zeer duidelijk zichtbaar zou zijn geweest, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat er ruimte is voor gerede twijfel over de vermoede gebrekkigheid van de ladder van [eiseres].

3.7.

De rechtbank stelt vast dat Trebs er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat [eiseres] de ladder niet normaal (want onvoorzichtig) heeft gebruikt, maar dat Trebs er wel in is geslaagd twijfel op te roepen over de juistheid van het (in de vastgestelde toedracht van de valpartij besloten liggende) vermoeden van gebrekkigheid van de ladder. Partijen zijn het er niet over eens of het oproepen van deze twijfel in een geval als dit voldoende is voor een geslaagde tegenbewijslevering. De rechtbank laat dit hier in het midden. Naar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van een zogenaamde ‘non liquet’ situatie waarin niet meer is vast te stellen wat er precies is gebeurd. Als geoordeeld zou worden dat er sprake is van voldoende tegenbewijs dan zou ingevolge artikel 6:188 BW het bewijsrisico ten aanzien van het gebrek (weer) op [eiseres] rusten. [eiseres] kan dit bewijs echter niet leveren omdat de ladder niet meer beschikbaar is. Na de valpartij heeft Trebs de ladder ingenomen en laten onderzoeken door [naam 3]. De ladder is vervolgens vernietigd. [eiseres] is niet in de gelegenheid geweest zelf onderzoek te doen naar de ladder en kan door toedoen van Trebs zo’n onderzoek ook niet alsnog laten uitvoeren. Een en ander dient naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van Trebs te komen.

3.8.

De rechtbank zal de vordering van [eiseres] toewijzen, inclusief de gevorderde buitengerechtelijke kosten waartegen door Trebs geen verweer is gevoerd, en de zaak voor het bepalen van de hoogte van de schade en kosten verwijzen naar de schadestaatprocedure.

3.9.

Trebs zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 101,64

- overige explootkosten 0,00

- griffierecht 267,00

- getuigenkosten 75,00 (de heer [naam 2])

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 1.808,00 (4,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 2.251,64

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

veroordeelt Trebs om aan [eiseres] te voldoen de schade die [eiseres] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het ongeval met de ladder op 4 januari 2009 en de door haar gemaakte en nog te maken buitengerechtelijke kosten, een en ander op te maken bij staat en vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW,

4.2.

veroordeelt Trebs in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] begroot op € 2.251,64,

4.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.R.M. van Dam en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2014.