Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:8102

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
05-01-2015
Zaaknummer
C/01/269189 / HA ZA 13-718
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Geschil tussen zes broers en zussen over de verdeling van de nalatenschap van moeder. Gedaagde sub 1 heeft onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat het economisch eigendom van de tot de nalatenschap behorende onroerende zaak hem toekomt. De rechtbank is van oordeel dat gedaagde sub 1 een huurrecht heeft met betrekking tot deze onroerende zaak. Tussen partijen is niet in geschil dat de onroerende zaak bij de verdeling aan gedaagde sub 1 dient te worden toegedeeld. Voor de bepaling van de waarde is bepalend de waarde in verhuurde staat (vgl. HR 20 juni 1975, NJ 1976, 414), waarbij tevens van belang is dat gedaagde sub 1 slechts een relatief lager huurprijs is verschuldigd. De rechtbank gelast een deskundigenbericht ter bepaling van deze waarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0016
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/269189 / HA ZA 13-718

Vonnis van 17 december 2014

in de zaak van

1 [eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. F.C. Hilderink te Wageningen,

tegen

1 [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. O. Surquin te Arnhem,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

advocaat mr. A.J. Exterkate te ‘s-Hertogenbosch,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

advocaat mr. A.J. Exterkate te ’s-Hertogenbosch,

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

niet verschenen.

Eisers zullen hierna tezamen [eisers] genoemd worden en afzonderlijk respectievelijk worden aangeduid als [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3]. Gedaagde sub 1 zal hierna worden aangeduid als [gedaagde 1] en gedaagde sub 2 en 3 als respectievelijk [gedaagde 2] en [gedaagde 3]. Gedaagde sub 4 zal hierna de executeur worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 11 december 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 6 juni 2014

  • -

    de brief van 17 juni 2014 van mr. Surquin met daarin de opmerkingen:

dat de verklaring van [gedaagde 1] op pagina 5 van het proces-verbaal uitsluitend betrekking heeft op de aan [gedaagde 1] gerichte brief, dat [gedaagde 1] de aan zowel hem als [gedaagde 2] gerichte brief niet is ondertekend en dat in de laatste zin van pagina 5 “met name” dient te staan tussen de woorden “komt” en “vanwege”

- de conclusie van antwoord in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

[eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3] (eisers) en [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] (gedaagden sub 1, 2 en 3) zijn allen kinderen van [naam vader], geboren op [datum] (hierna te noemen: vader) en [naam moeder], geboren op [datum] (hierna te noemen: moeder). Vader en moeder waren gehuwd in gemeenschap van goederen.

2.2

Bij notariële akte van 15 februari 1977 is een perceel grond aan [adres] te [plaats] aan vader geleverd voor een koopsom van f 45.000,-- (productie 19 bij conclusie van antwoord in reconventie). Uit de notariële akte van 12 juli 1978 blijkt dat vader een lening heeft afgesloten bij de gemeente Oss voor een bedrag van f 160.000,-- “voor het stichten van een woning aan [adres] te [plaats]”, waarbij vader een recht van hypotheek heeft verleend aan de gemeente Oss op voornoemd perceel grond (productie 20 bij conclusie van antwoord in reconventie). Vader heeft op 30 maart 1983 deze hypothecaire geldlening volledig afgelost met de opbrengst uit de verkoop van een andere onroerende zaak.

2.3

Vanaf 1984 bewoont [gedaagde 1] voornoemde woning aan [adres]. Sindsdien voldoet [gedaagde 1] een bedrag van € 2.287,05 per jaar aan vader onder de vermelding van “huur woning”. Vanaf 1993 heeft de onderneming van [gedaagde 1] (Galerie Sous-Terre B.V.) ook de bijbehorende schuur in gebruik en voldoet deze onderneming jaarlijks € 1.361,34 onder vermelding van “huur opstal plus erf t.b.v. galerie” (productie 11 bij dagvaarding).

2.4

Vader is overleden op 20 november 2003. Vader heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt inhoudende een zogenoemde ouderlijke boedelverdeling, waarbij alle goederen en schulden werden toebedeeld aan moeder, waar tegenover de kinderen een vordering kregen op moeder ter grootte van ieders erfdeel, vermeerderd met een rente van zes procent per jaar (productie 1 bij dagvaarding).

2.5

Moeder is overleden op 25 februari 2012. Moeder heeft bij testamenten van 4 mei 2005 en 22 september 2006 over haar nalatenschap beschikt (producties 2 en 3 bij dagvaarding). In deze testamenten worden [eiser 1], [eiser 2] en [gedaagde 3] benoemd tot gezamenlijk executeur tevens afwikkelingsbewindvoerder. Verder is hierin bepaald dat de afstammelingen van moeder vrijgesteld zijn van de verplichting tot inbreng van giften in de nalatenschap, tenzij bij een gift schriftelijk anders is bepaald. De zes voornoemde kinderen ([eiser 1], [eiser 2], [eiser 3], [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3]) zijn alle voor een zesde deel gerechtigd tot de nalatenschap van moeder.

2.6

Na het overlijden van moeder hebben [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3] de hiervoor bedoelde benoeming als executeur aanvaard. Hierna is tussen de drie executeurs en [gedaagde 1] een discussie ontstaan over de wijze van verdeling van de tot de nalatenschap behorende onroerende zaak aan [adres] te [plaats]. Eind 2012 wenste [gedaagde 3] terug te treden als executeur, waarna zij hiertoe een verzoek heeft ingediend bij de kantonrechter. Tezelfdertijd heeft [gedaagde 1] een verzoek ingediend bij de kantonrechter tot ontslag van de drie executeurs. Bij beschikking van 28 mei 2013 van de kantonrechter is aan [gedaagde 3] ontslag verleend als executeur-afwikkelingsbewindvoerder. Bij beschikking van 4 juli 2013 van de kantonrechter is aan [eiser 1] en [eiser 2] ontslag verleend, waarna mr. M.L. Dijkstra-Olijhoek, notaris te Helmond, is benoemd als executeur-afwikkelingsbewindvoerder (productie 5 bij dagvaarding).

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eisers] vordert dat de rechtbank:

1. voor recht zal verklaren dat [gedaagde 1] geen economisch eigenaar is van de onroerende zaak aan [adres] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], [aanduiding],

2. zal bepalen dat de nalatenschap van moeder is samengesteld, zoals aangegeven op de boedelbeschrijving (productie 6 bij dagvaarding),

3. voor recht zal verklaren dat de onder 1 bedoelde onroerende zaak deel uitmaakt van de gemeenschap van een nalatenschap in de zin van artikel 3:189 lid 2 jo. 3:166 lid 1 BW en dat partijen daarin een gelijk aandeel hebben, en dat zij bij de verdeling daarom ieder aanspraak kunnen maken op 1/6 deel van de waarde van deze onroerende zaak,

4. partijen zal veroordelen om onder leiding van de executeur afwikkelingsbewindvoerder de verdeling van de nalatenschap af te wikkelen met inachtneming van het voorgaande,

5. met veroordeling van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde 1] enerzijds en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] anderzijds voeren afzonderlijk verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3.

[gedaagde 1] vordert dat de rechtbank:

primair:

  • -

    voor recht zal verklaren dat [gedaagde 1] economisch eigenaar is van de onroerende zaak aan [adres] te [plaats],

  • -

    [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3] hoofdelijk zal veroordelen om medewerking te verlenen aan de juridische levering om niet van de onroerende zaak aan [adres] te Lithoijen aan [gedaagde 1], onder meer inhoudende dat [eiser 1], [eiser 3] en [eiser 2] daartoe op eerste verzoek voor de notaris verschijnen voor het passeren van de akte van levering, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

subsidiair:

- voor recht zal verklaren dat [gedaagde 1] een vordering heeft op de onverdeelde nalatenschap ter grootte van het door hem in de onroerende zaak geïnvesteerde bedrag van € 1.460.794,--,

primair en subsidiair:

- [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3] hoofdelijk zal veroordelen in de proceskosten.

3.4.

[eisers] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en reconventie

4.1

Kort gezegd komt het geschil in zowel conventie als reconventie in de kern neer op de vraag of ten aanzien van de tot de nalatenschap van moeder behorende onroerende zaak aan de [adres] te [plaats] (i) het economisch eigendom toekomt aan [gedaagde 1] en deze aan [gedaagde 1] dient te worden toegedeeld om niet, en zo nee, (ii) of [gedaagde 1] op grond van ongerechtvaardigde verrijking een vordering toekomt jegens de nalatenschap voor door hem gedane investeringen in voornoemde onroerende zaak.

Heeft [gedaagde 1] het economisch eigendom van [adres]?

4.2

[gedaagde 1] heeft zijn stelling dat het economisch eigendom van de onroerende zaak aan [adres] hem toekomt (en dit perceel aan hem om niet dient te worden geleverd) als volgt onderbouwd. Vader en [gedaagde 1] zijn in 1977 overeengekomen dat ten name van vader een perceel grond zou worden gekocht voor de bouw van een woning voor [gedaagde 1]. Uitsluitend omdat vader agrariër was, zijn het perceel en de benodigde vergunningen gesteld ten name van vader. Tussen vader en [gedaagde 1] is destijds afgesproken dat in de toekomst de onroerende zaak op eerste verzoek van [gedaagde 1] aan hem zou worden overgedragen. Volgens [gedaagde 1] heeft hij de aanschaf van de grond en de bouw (totale stichtingskosten f 300.000,--) uit eigen middelen gefinancierd, waarbij hij onder meer f 150.000,-- van vader heeft geleend. In 1984 heeft [gedaagde 1] de woning betrokken. Sindsdien betaalt hij weliswaar onder vermelding van “huur” een bedrag aan vader, maar dit betreft in feite een rentevergoeding voor voornoemd door [gedaagde 1] van vader geleend bedrag. [gedaagde 1] stelt verder de onroerende zaak vanaf het begin van zijn bewoning verzekerd te hebben. Volgens [gedaagde 1] hebben vader en hij hun afspraken vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst van 1 januari 1985 (productie 9 bij dagvaarding), waaruit blijkt dat aan [gedaagde 1] het economisch eigendom van de onroerende zaak toekomt.

4.3

De rechtbank is van oordeel dat uit de stellingen van [gedaagde 1] onvoldoende blijkt dat het economisch eigendom van de onroerende zaak aan [adres] hem toebehoort. [gedaagde 1] baseert het gestelde economisch eigendom op de “vaststellingsovereenkomst” gedateerd 1 januari 1985. Tijdens de comparitie heeft [gedaagde 1] verklaard dat hij niet over de originele overeenkomst beschikt, maar slechts over een kopie die hij in 1985 in bezit heeft gekregen via de (inmiddels overleden) boekhouder van vader. De originele vaststellingsovereenkomst is niet meer beschikbaar, zo blijkt verder uit de verklaring van [gedaagde 1]. Namens [eisers] is tijdens de comparitie betwist dat vader destijds deze overeenkomst heeft getekend en dat [gedaagde 1] mogelijk het document zelf heeft opgesteld en van een handtekening heeft voorzien (zie ook dagvaarding, nr. 5.2). [eisers] hebben tevens erop gewezen dat het document niet in 1985 kan zijn opgesteld gelet op de opmaak en het lettertype.

De rechtbank overweegt dat aangezien [gedaagde 1] niet beschikt over een origineel document, maar slechts over een kopie, niet vastgesteld kan worden of het document een vervalsing of (een kopie van) een authentiek document betreft. Een nader onderzoek door een deskundige naar de authenticiteit van het document of de handtekening daarop kan hierover dan ook geen uitsluitsel bieden. In dit geding kan daarom niet ervan worden uitgegaan dat – zoals [gedaagde 1] stelt – vader en hij de “vaststellingsovereenkomst” van 1 januari 1985 daadwerkelijk hebben gesloten.

4.4

Ook uit hetgeen als vaststaand kan worden afgeleid uit de (niet betwiste) inhoud van de in dit geding overgelegde bescheiden, blijkt niet dat vader het economisch eigendom van de onroerende zaak aan [gedaagde 1] heeft willen overdragen. In beginsel geldt bij economische eigendom dat het belang van de zaak (waardestijgingen en –dalingen) de economisch eigenaar volledig aangaat evenals de bevoegdheid om over de zaak te beschikken en dat alle kosten van de zaak door laatstgenoemde worden gedragen.

[eisers] hebben erop gewezen dat vader (en moeder) altijd alle lasten met betrekking tot de onroerende zaak hebben betaald, zoals WOZ-belasting, waterschapslasten en verzekeringen. [eisers] hebben deze stelling onderbouwd met diverse bewijsstukken uit de periode 1979-2008 (productie 28 bij conclusie van antwoord in reconventie). De omstandigheid dat [gedaagde 1] stelt ook de nodige investeringen in de onroerende zaak te hebben gedaan, doet er niet aan af dat voornoemde lasten telkens voor rekening van vader en moeder zijn gebleven, hetgeen niet past bij het door [gedaagde 1] gestelde volledige economische eigendom van de onroerende zaak van hem.

Verder wijzen [eisers] erop dat vader en moeder in 2001 hypothecaire zekerheid hebben verleend op de onroerende zaak Batterijstraat 23A aan de bank voor een geldlening van [gedaagde 1], zijn echtgenote en hun vennootschap (productie 29 bij conclusie van antwoord in reconventie). Vader en moeder hebben in 2003 mede ten behoeve van [naam 1], de echtgenoot van [gedaagde 3], hypothecaire zekerheid verleend op de onroerende zaak aan [adres] (productie 16 bij dagvaarding). Met name deze laatste zekerheidstelling ten behoeve van een derde door vader en moeder verdraagt zich niet met het door [gedaagde 1] gestelde exclusieve economisch eigendomsrecht van hem. Ook wordt in deze akten met geen woord gerefereerd aan het gestelde economische eigendom van [gedaagde 1].

Verder staat vast dat vader (en niet [gedaagde 1]) de bij de onroerende zaak horende schuur vanaf 1 november 1987 verhuurde aan de K.I. Vereniging Noord-Brabant en dat de huurinkomsten werden betaald aan vader (zie de huurovereenkomst en bankafschriften uit 1988 en 1992; productie 27 bij conclusie van antwoord in reconventie). [gedaagde 1] heeft in dit kader weliswaar verwezen naar de verklaring van [naam 2] van 2 juni 2014, maar heeft niet (met bescheiden) onderbouwd dat vader de huuropbrengsten aan hem doorbetaalde.

4.5

Evenmin is gebleken dat – zoals [gedaagde 1] stelt – de volledige stichtingskosten van de onroerende zaak (kosten van de grond en de bebouwing) door [gedaagde 1] zijn gedragen. [gedaagde 1] heeft niet met bescheiden onderbouwd dat deze kosten (door hem gesteld op f 300.000,--) daadwerkelijk ten laste van hem zijn gekomen. Dit kan evenmin concreet worden afgeleid uit de door [gedaagde 1] overgelegde verklaringen van Witsiers. De in het geding overgelegde bescheiden duiden er veeleer op dat deze kosten grotendeels voor rekening van vader zijn gekomen. Van de zijde van [eisers] is erop gewezen dat vader op 12 juli 1978 een hypothecaire lening is aangegaan voor een bedrag van f 160.000,-- “voor het stichten van een woning aan [adres] te [plaats]” en dat vader eind maart 1983 deze lening heeft afgelost met de verkoopopbrengst van een andere woning (productie 20 en 21 bij conclusie van antwoord in reconventie). [gedaagde 1] heeft geen verklaring gegeven voor de door [eisers] opgeworpen ongerijmdheid waarom vader zelf f 150.000,-- zou lenen tegen een rente van 7,25 procent en gelijktijdig eenzelfde bedrag aan [gedaagde 1] zou hebben uitgeleend tegen een aanzienlijk lagere rente van 5,5 procent. Evenmin valt in te zien waarom vader ten behoeve van “de realisering van de oorspronkelijke bouw” dit bedrag van f 150.000,-- uitleent aan [gedaagde 1] en [gedaagde 1] korte tijd later (in oktober 1980) op zijn beurt omgekeerd weer f 116.000,-- uitleent aan vader (conclusie van antwoord in conventie, nr. 15 en 18).

Het voorgaande duidt er niet op dat het economisch eigendom van de onroerende zaak aan [gedaagde 1] toekomt.

4.6

Verder staat als onbetwist vast dat [gedaagde 1] vanaf 1984 (het moment waarop hij de woning betrok) jaarlijks f 5.040,-- (€ 2.287,05) aan vader heeft betaald onder vermelding van “huur woning” en vanaf 1993 na ingebruikneming van de schuur (na het eindigen van de huur met de K.I.-vereniging) jaarlijks f 3.000,-- (€ 1.361,34) aan vader betaalde onder vermelding van “huur opstal plus erf t.b.v. galerie 2004” (productie 11 bij dagvaarding). Indien deze bedragen rentevergoedingen zijn voor het door [gedaagde 1] van vader op 10 oktober 1980 geleende bedrag – zoals [gedaagde 1] stelt (conclusie van antwoord in conventie, nr. 18 en 21) – dan valt in de eerste plaats niet in te zien waarom [gedaagde 1] eerst vanaf januari 1984 deze rentevergoeding is gaan betalen voor het door hem reeds ruim drie jaar daarvoor geleende bedrag. Daarnaast valt niet in te zien waarom [gedaagde 1] vanaf 1993 (gelijktijdig met ingebruikname van de schuur) een circa zestig procent hogere rente aan vader is gaan betalen terwijl het uitgeleende bedrag niet is gewijzigd.

4.7

De slotsom van het voorgaande is dat [gedaagde 1] onvoldoende concreet en consistent heeft gesteld om aan te kunnen nemen dat het economisch eigendom van de onroerende zaak aan [adres] aan [gedaagde 1] toebehoort. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen. Uitgangspunt is dan ook dat de onroerende zaak oorspronkelijk tot de huwelijksgemeenschap van vader en moeder behoorde en daarmee thans deel uitmaakt van de nalatenschap van de laatst overleden moeder. Dit brengt mee dat de door [eisers] in conventie gevorderde verklaringen voor recht onder 1 en 3 bij het nog te wijzen eindvonnis zullen worden toegewezen. De primaire vordering in reconventie van [gedaagde 1] zal bij eindvonnis worden afgewezen.

De verdeling van de met huur bezwaarde onroerende zaak

4.8

Tussen partijen is niet in geschil dat de (tot de nalatenschap behorende) onroerende zaak aan [gedaagde 1] dient te worden toegedeeld. Tussen partijen is wel in geschil voor welke waarde de onroerende zaak in de verdeling dient te worden betrokken. In het kader van deze verdeling en de daarbij in aanmerking te nemen waarde is van belang hoe de rechtsverhouding tussen [gedaagde 1] enerzijds en (de erfgenamen van) vader en moeder anderzijds betreffende de onroerende zaak dient te worden gekwalificeerd. Zoals hiervoor overwogen is geen sprake van een aan [gedaagde 1] toekomend economisch eigendom van de onroerende zaak. Vast staat verder dat [gedaagde 1] vanaf de ingebruikneming van de woning (1984) respectievelijk de schuur (1993) (tot aan het overlijden van moeder) jaarlijks vaste bedragen aan vader (en later moeder) heeft betaald, waarbij [gedaagde 1] zelf telkens ook heeft vermeld dat het huur betreft. Bovendien is gebleken dat [gedaagde 1] op 21 april 1986 bezwaar heeft gemaakt bij de belastingdienst omdat de huurwaarde aanmerkelijk hoger zou zijn dan – in de woorden van [gedaagde 1] – “de door mij betaalde huur” (productie 13 bij dagvaarding).

De rechtbank is in het licht van het voorgaande van oordeel dat het recht dat [gedaagde 1] heeft ter zake van de onroerende zaak aan [adres] aangemerkt dient te worden als een huurrecht zoals bedoeld in artikel 7:201 e.v. BW.

4.9

De rechtbank is van oordeel dat bij de toedeling aan [gedaagde 1] van de tot de nalatenschap van moeder behorende onroerende zaak en de waardebepaling daarvan rekening dient te worden gehouden met deze vanaf 1984 respectievelijk bestaande huurovereenkomsten met [gedaagde 1]. De huurovereenkomsten tussen [gedaagde 1] en vader (en later moeder) zijn aangegaan in 1984 respectievelijk 1993, zodat tot de nalatenschap van (de in 2012 overleden) moeder behoort de onroerende zaak in verhuurde staat (vgl. HR 20 juni 1975, NJ 1976, 414). Door [eisers] zijn geen concrete feiten en omstandigheden gesteld die afwijking van deze jurisprudentie rechtvaardigen. De waardering van dit vermogensbestanddeel dient dan ook plaats te vinden met inachtneming van deze verhuurde staat. Hieraan doet niet af de omstandigheid dat na toedeling van de onroerende zaak aan [gedaagde 1] de overeenkomst teniet gaat en [gedaagde 1] hierover kan beschikken in onverhuurde staat. Immers, indien vader of moeder bij leven de onroerende zaak zou hebben vervreemd aan [gedaagde 1] of een derde (dan wel nadien vanuit de onverdeelde nalatenschap de onroerende zaak aan een derde zou zijn verkocht), dan zou deze ook niet meer dan de waarde in verhuurde staat hebben opgebracht.

4.10

Ten behoeve van de toedeling aan [gedaagde 1] dient de onroerende zaak gewaardeerd te worden in verhuurde staat, waarbij tevens van belang is dat [gedaagde 1] een relatief lage huurprijs voldoet van (naar de rechtbank uit productie 11 bij dagvaarding afleidt) in totaal € 3.648,39 per jaar. Te verwachten valt dat deze waarde in verhuurde staat (voor een onroerende zaak met een WOZ-waarde per 1 januari 2012 van € 750.000,-- en een gemiddelde maandelijkse huuropbrengst van ruim € 304,--) lager zal zijn dan de marktwaarde in geval sprake zou zijn van een marktconforme huur. Voor de bepaling van de huidige waarde van de onroerende zaak in verhuurde staat met voornoemde huuropbrengst heeft de rechtbank behoefte aan deskundige voorlichting, bijvoorbeeld door een makelaar. De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen voor het nemen van een akte door beide partijen. Partijen kunnen zich bij die gelegenheid ook uitlaten over de persoon van de te benoemen deskundige.

4.11

De rechtbank overweegt dat (anders dan [gedaagde 1] stelt) niet blijkt dat [gedaagde 3] ermee heeft ingestemd dat de onroerende zaak aan [gedaagde 1] wordt toebedeeld zonder verdere verrekening van de waarde. [gedaagde 2] heeft tijdens de comparitie onbetwist verklaard dat zij bij de ondertekening van de door [gedaagde 1] aan haar voorgelegde verklaring (productie 10 bij conclusie van antwoord in conventie) door [gedaagde 1] aan haar is voorgehouden dat hij “anders het huis (…) zou moeten verlaten”, dat zij nimmer “de intentie [heeft gehad] om het huis aan [gedaagde 1] toe te delen voor niks” en dat ook [gedaagde 1] moet hebben begrepen dat zij haar “aandeel in het huis niet wilde weggegeven”. Onder deze omstandigheden mocht [gedaagde 1] de ondertekening van de verklaring door [gedaagde 2] niet begrijpen als een afstand door haar van enig vergoedingsrecht bij de verdeling, mede gelet op de maatstaf van de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen deelgenoten in een gemeenschap beheerst (artikel 3:166 lid 3). [gedaagde 1] kan dan ook geen toedeling om niet verlangen van het aandeel van [gedaagde 3] in de onroerende zaak.

Heeft [gedaagde 1] een vorderingsrecht op de nalatenschap?

4.12

[gedaagde 1] stelt subsidiair dat hem een vergoedingsrecht jegens de nalatenschap toekomt van € 1.460.794,-- voor de door hem in de loop van de jaren gepleegde investeringen en uitgaven ten behoeve van de onroerende zaak. [gedaagde 1] verwijst daartoe naar artikel 7 van de vaststellingsovereenkomst, dan wel ongerechtvaardigde verrijking in de zin van artikel 6:212 BW. [gedaagde 1] vordert in dit geding hierover een verklaring voor recht. [eisers] hebben hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

4.13

De rechtbank overweegt als volgt. Voor zo ver de vordering van [gedaagde 1] is gebaseerd op artikel 7 van de vaststellingsovereenkomst, dient deze te worden afgewezen omdat – zoals hiervoor is overwogen onder 4.3 – niet van het bestaan van deze overeenkomst kan worden uitgegaan.

4.14

Ook voor zover de vordering van [gedaagde 1] is gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking, zal deze worden afgewezen. Artikel 6:212 lid 1 BW bepaalt dat hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, verplicht is, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking. [gedaagde 1] heeft ter onderbouwing van zijn vordering volstaan met het twee weken voorafgaand aan de comparitie overleggen van een ordner met daarin een groot aantal facturen uit de periode 1985 tot en met 2013. Iedere toelichting namens [gedaagde 1] op deze facturen ontbreekt.

Uit deze facturen volgt op zichzelf niet dat (de nalatenschap van) moeder met een zelfde bedrag als het totaal van deze factuurbedragen is verrijkt, laat staan dat het redelijk is dat deze bedragen door [gedaagde 1] geheel voor rekening van de nalatenschap kunnen worden gebracht. Bij de facturen bevindt zich bijvoorbeeld een factuur van 15 oktober 1991 van tuincentrum-boomkwekerij De Schutsboom v.o.f. voor de levering van 325 “Prunus laur. Rotundifolis” voor een bedrag van f 2.050,--. Zonder ontbrekende nadere toelichting valt niet in te zien dat de verrijking op hetzelfde bedrag moet worden gesteld. [gedaagde 1] heeft bovendien niet gesteld dat hij voor deze uitgaven destijds overleg heeft gevoerd met vader en/of moeder, zodat tevens de vraag rijst in hoeverre het redelijk is dat [gedaagde 1] deze bedragen op de nalatenschap kan verhalen. Het voorgaande geldt in het kader van de redelijkheid van artikel 6:212 lid 1 BW te meer nu [gedaagde 1] decennialang de onroerende zaak heeft gehuurd voor een huurprijs die veel lager is dan een marktconforme huurprijs.

4.15

Na de comparitie is de zaak naar de rol verwezen waarbij [gedaagde 1] in de gelegenheid is gesteld om de map met facturen nader toe te lichten en daarmee de subsidiaire grondslag van zijn vordering te onderbouwen. De omstandigheid dat, zoals [gedaagde 1] bij akte terecht opmerkt, het niet de bedoeling was dat hij inhoudelijk op de akten na comparitie van [eisers] en Dore en [gedaagde 3] zou reageren, doet er niet aan af dat deze akte wel de gelegenheid was om de hiervoor bedoelde nadere onderbouwing te geven. De rechtbank zal [gedaagde 1] daartoe niet nogmaals in de gelegenheid stellen. De subsidiaire vordering zal dan ook als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

4.16

Ten overvloede overweegt de rechtbank bij het voorgaande dat [eisers] onbetwist hebben gesteld dat de vordering van [gedaagde 1] grotendeels is ontstaan voor 2009 en daarmee voor dat deel is verjaard. De rechtsvordering van [gedaagde 1] gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking verjaart vijf jaar nadat [gedaagde 1] de gestelde kosten heeft gemaakt (artikel 3:310 BW). Nu gesteld noch gebleken is dat [gedaagde 1] vóór het instellen van de eis in reconventie in deze procedure (op 27 november 2013) jegens de nalatenschap aanspraak heeft gemaakt op vergoeding van deze kosten, geldt dat voor zover [gedaagde 1] dergelijke kosten vóór 27 november 2008 heeft gemaakt de vordering van [gedaagde 1] is verjaard. [gedaagde 1] heeft tegen dit beroep op verjaring geen verweer gevoerd, zodat de subsidiaire vordering van [gedaagde 1] – indien deze al voldoende onderbouwd zou zijn – om die reden grotendeels afgewezen zou zijn.

De boedelbeschrijving (productie 6 bij dagvaarding)

4.17

[eisers] vorderen in conventie onder 2 om te bepalen dat de nalatenschap van moeder is samengesteld, zoals aangegeven op de boedelbeschrijving die als productie 6 bij dagvaarding is overgelegd.

Volgens [gedaagde 1] is de boedelbeschrijving verre van compleet en pogen [eisers] en wellicht ook [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hem op het verkeerde spoor te zetten (conclusie van antwoord in conventie, nr. 41).

4.18

De rechtbank overweegt het volgende ten aanzien van [gedaagde 1]’s stellingen dat de boedelbeschrijving onvolledig is:

a. Indien, zoals [gedaagde 1] stelt, een aantal van de erfgenamen bij leven onroerende zaken van vader en/of moeder hebben gekocht voor een “te laag bedrag”, geldt dat voor zover daarbij sprake is van een gift in de zin van artikel 7:186 lid 1 BW, daarmee in de boedelbeschrijving van de nalatenschap van moeder geen rekening hoeft te worden gehouden. In het testament van moeder (onder IV.) (productie 2 bij dagvaarding) staat immers dat giften aan haar afstammelingen niet in de nalatenschap ingebracht behoeven te worden.

b. [gedaagde 1] stelt niet concreet welke onroerende zaken door moeder bij leven zijn verkocht. Voor zover moeder de opbrengst daarvan bij leven zou hebben geschonken, geldt hetzelfde als hiervoor a. is overwogen. [gedaagde 1] stelt voor het overige niet concreet waaruit blijkt dat tot de nalatenschap nog (de opbrengst van) onroerende zaken behoren.

c. [gedaagde 1] stelt dat sieraden ontbreken. [gedaagde 1] heeft zijn stelling dat vader een juwelierszaak bezat niet onderbouwd (waar en onder welke naam). Bovendien betekent dit niet zonder meer dat (de sieraden van) deze juwelierszaak in de nalatenschap van ruim acht jaar later overleden moeder zouden moeten bevinden. Overigens erkennen [eisers] dat tot de nalatenschap van moeder enige sieraden behoorden die de drie zussen na het overlijden van moeder hebben verdeeld (conclusie van antwoord in reconventie, nr. 3.42). Deze feitelijke verdeling neemt niet weg dat (de waarde van) de sieraden tot de nalatenschap behoren en aan alle zes erfgenamen gelijkelijk toekomt. Van de zijde van [eisers] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zal duidelijkheid dienen te worden gegeven over deze sieraden en de waarde daarvan, waarbij zij dienen aan te geven of de waarde van de verdeelde sieraden reeds is verdisconteerd in de post “roerende zaken” (€ 500,) in de boedelbeschrijving of dat deze alsnog in de boedelbeschrijving dienen te worden opgenomen.

d1. Ten aanzien van de gestelde vordering van [gedaagde 1] uit hoofde van geldlening van € 52.638,48 geldt dat [eisers] onbetwist hebben gesteld dat een eventuele vordering van [gedaagde 1] op vader sinds het overlijden van laatstgenoemde opeisbaar is, zodat de door [gedaagde 1] gestelde vordering sinds 20 november 2008 is verjaard. Aldus bestaat geen reden om deze vordering in de boedelbeschrijving van de nalatenschap van moeder op te nemen.

d2. Daarnaast stelt [gedaagde 1] dat hij een vordering van € 58.991,00 heeft op (de nalatenschap van) vader. [gedaagde 1] verwijst daarbij naar pagina 26 van de aangifte successiebelasting naar aanleiding van het overlijden van vader (productie 10 bij dagvaarding). Uit deze aangifte blijkt dat bij het overlijden van vader ook [eiser 1] ([naam 3]) en [gedaagde 2] [naam 4]) bij het overlijden van vader een vordering op hem hadden van € 58.991,--. De vraag rijst wat na het overlijden van vader met deze vorderingen van [gedaagde 1], [eiser 1] en [gedaagde 2] op moeder (als rechtsopvolger van vader) is gebeurd. Indien deze vorderingen ten tijde van het overlijden van moeder nog bestonden (niet gebleken is dat deze na het overlijden van vader, maar vóór het overlijden van moeder teniet zijn gegaan), dan zouden deze op de boedelbeschrijving en successieaangifte dienen te staan (producties 6 en 7 bij dagvaarding). In beide na het overlijden van moeder opgemaakte stukken ontbreken deze schulden van moeder. Daarin is voor alle zes erfgenamen ter zake van de ouderlijke boedelverdeling wel een gelijke vordering uit overbedeling vermeerderd met rente opgenomen, zonder dat voornoemde vorderingen van [gedaagde 1], [eiser 1] en [gedaagde 3] van ieder € 58.991,-- afzonderlijk zijn vermeld. [eisers] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] krijgen gelegenheid nader toe te lichten om welke deze vorderingen (schulden van moeder) niet afzonderlijk op de boedelbeschrijving zijn vermeld.

e. Uit de omstandigheid dat [gedaagde 1] bankafschriften van moeder wenst in te zien, blijkt niet dat de boedelbeschrijving niet volledig is. [gedaagde 1] kan heeft als erfgenaam recht op inzage en kan deze desgewenst inzien bij de huidige executeur-afwikkelingsbewindvoerder.

f. [gedaagde 1] heeft zijn vermoedens omtrent geldontrekkingen door zijn broers en zusters niet onderbouwd. Voor zover moeder (na het overlijden van vader) “grote sommen geld” heeft geschonken aan bepaalde kinderen, geldt hetgeen hiervoor onder a is overwogen: de erfgenamen behoeven giften niet in te brengen. Indien [gedaagde 1] vermoedt dat zijn legitieme portie is geschonden in verband met schenkingen van moeder bij leven, dan behoeft daar in deze procedure ([gedaagde 1]’s vorderingen zijn immers niet gericht op vaststelling van zijn legitieme) geen rekening mee te worden gehouden. Een eventuele schending van [gedaagde 1]’s legitieme in verband met door moeder gedane schenkingen bij leven, leidt er niet toe dat de boedelbeschrijving van haar nalatenschap onjuist is.

4.19

Uit het voorgaande volgt dat vooralsnog niet kan worden aangenomen dat de boedelbeschrijving ten aanzien van de sieraden en de schulden van moeder aan [gedaagde 1], [eiser 1] en [gedaagde 2] volledig is (zie hiervoor nr. 4.17, onder c. en d2.). Zowel [eisers] als [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zullen gelegenheid krijgen om hierover bij akte nadere inlichtingen te verschaffen, waarna [gedaagde 1] gelegenheid heeft om hierop bij antwoordakte te reageren. Nu onvoldoende is gesteld om aan te nemen dat de boedelbeschrijving behalve wat betreft de sieraden en deze drie schulden onvolledig is, geldt dat het partijdebat over de boedelbeschrijving in deze aktewisseling beperkt is tot deze twee voornoemde onderwerpen.

Voortzetting van de procedure

4.20

De slotsom van het voorgaande is dat ten behoeve van de bepaling van de huidige waarde van de onroerende zaak in verhuurde staat (met een totale huur van gemiddeld € 304,-- per maand) een deskundige zal worden benoemd. Partijen kunnen zich bij na te noemen akte ook uitlaten over de persoon van de te benoemen deskundige (zie rechtsoverweging 4.10).

Ten aanzien van de boedelbeschrijving (productie 6 bij dagvaarding) krijgen [eisers] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gelegenheid om duidelijkheid te verschaffen over de (waarde van de) sieraden van moeder en de schulden van moeder aan [gedaagde 1], [eiser 1] en [gedaagde 2], waarna [gedaagde 1] hierop bij antwoordakte mag reageren (zie rechtsoverweging 4.19).

De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen waarbij [eisers] en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gelijktijdig gelegenheid krijgen om zich als eerste bij akte over het deskundigenbericht en de boedelbeschrijving uit te laten, waarna [gedaagde 1] bij antwoordakte daarop kan reageren.

4.21

De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1

verwijst de zaak naar de rol van 14 januari 2015 voor het gelijktijdig nemen van een akte door [eisers] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.20, waarna [gedaagde 1] de gelegenheid krijgt om hierop bij antwoordakte te reageren,

5.2

de rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Beens en in het openbaar uitgesproken op

17 december 2014.