Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:8101

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
05-01-2015
Zaaknummer
C/01/277717 / HA ZA 14-314
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Geschil tusssen broer en zus over de wijze van verdeling van de nalatenschap van moeder. De rechtbank zal de wijze van verdeling van de woning gelasten aldus dat partijen de reeds gegeven opdracht aan de makelaar dienen te handhaven; en dat voor het geval partijen niet alsnog in onderling overleg tot overeenstemming komen over de te hanteren vraagprijs en laatprijs voor de onroerende zaak de makelaar bindend de vraagprijs en laatprijs zal vaststellen, alsmede een eventuele wijziging van de te hanteren vraag- en laatprijs in geval verkoop vervolgens uitblijft, en dat partijen de aldus door de makelaar vastgestelde vraag- en laatprijs dienen te hanteren bij de verkoop van de onroerende zaak aan een derde. Verder zal de zus worden opgedragen te bewijzen dat moeder in april 2011 de schuld uit geldlening aan haar heeft kwijtgescholden. De rechtbank ziet aanleiding op grond van artikel 3:179 lid 1 BW te bepalen dat gewichtige redenen bestaan voor een partiële verdeling van de nalatenschap. Bij een eventuele verkoop van de woning, kunnen partijen de verkoopopbrengst (en de overige goederen van de nalatenschap) in beginsel verdelen, waarbij de rechtbank bepaalt dat een deel van de verkoopopbrengst van de woning bij de notaris in depot dient te blijven totdat onherroepelijk is beslist of al dan niet de schuld van de zus uit geldlening door moeder is kwijtgescholden. Uitgangspunt van artikel 4:228 lid 1 BW is immers ook dat op verlangen van de ene erfgenaam (de broer), de schulden van de andere erfgenaam (de zus) die deze aan de erflater schuldig is gebleven, op diens aandeel dienen te worden toegerekend bij de verdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0190

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/277717 / HA ZA 14-314

Vonnis van 17 december 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. R. Holland te Eindhoven,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. P.P.M. Voskuil-van Dijk te Naarden.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 25 juni 2014

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 9 december 2014

  • -

    de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

[eiser] en [gedaagde] zijn broer en zus en kinderen van de heer [naam] (hierna te noemen: vader) en mevrouw [naam] (hierna te noemen: moeder).

2.2

Op 3 november 2000 is vader overleden. Bij testament van 29 december 1989 heeft vader over zijn nalatenschap beschikt (productie 2 van [eiser]) door middel van een ouderlijke boedelverdeling, waarbij alle goederen en schulden van de nalatenschap aan moeder zijn toebedeeld. In dit testament staat verder dat [gedaagde]: “niet meer uit mijn nalatenschap zal genieten dan haar legitieme portie”.

2.3

Moeder en [gedaagde] hebben een onderhandse akte, gedateerd 27 februari 2010 ondertekend, met als aanhef “overeenkomst geldlening” en waarin verder staat dat [gedaagde] een bedrag van € 135.000,-- van moeder heeft geleend (productie 9 van [eiser]). Op 26 februari 2010 is dit bedrag vanaf de bankrekening van moeder gestort op de bankrekening [gedaagde] (productie 5 van [gedaagde]).

2.4

Moeder is op 3 november 2011 overleden. Moeder heeft bij testament van 10 december 2002 over haar nalatenschap beschikt (productie 1 van [eiser]). Volgens dit testament zijn [eiser] en [gedaagde] beiden erfgenaam voor gelijke delen in de nalatenschap van moeder. Verder is in dit testament (onder nr. 5) bepaald dat de afstammelingen van moeder zijn vrijgesteld van de verplichting tot inbreng in de nalatenschap van alle schenkingen die zij van moeder mochten hebben ontvangen, tenzij bij het doen van de schenking uitdrukkelijk anders is bepaald.

2.5

Tot de nalatenschap van moeder behoort onder andere de onroerende zaak gelegen aan [adres], [plaats] (kadastraal bekend [naam makelaar]). Deze woning was de laatste woonplaats van moeder en staat sinds haar overlijden leeg.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert samengevat - dat de rechtbank

A. de verdeling van de nalatenschap zal vaststellen,

B. de wijze van verkoop van het onroerend goed behorend tot de nalatenschap zal vaststellen op de wijze zoals [eiser] in deze procedure heeft verzocht,

C. voor recht zal verklaren dat de geldlening van moeder aan [gedaagde], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 november 2011 dient te worden toegerekend op het aandeel van [gedaagde] in de nalatenschap,

D. met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

3.3.

[gedaagde] vordert samengevat -

(voorwaardelijk: aldus dat indien [eiser] in conventie ten aanzien van de verkoop van de woning niet-ontvankelijk wordt verklaard, de eis in reconventie als vervallen kan worden beschouwd (zie de conclusie van [gedaagde], nr. 23, slot)), dat de rechtbank:

I. de wijze van verkoop van het tot de nalatenschap behorend onroerend goed zal vaststellen zoals door [gedaagde] in haar conclusie (naar de rechtbank begrijpt:) onder nr. 44 heeft verzocht,

II. met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.4.

[eiser] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en reconventie

4.1

Deze zaak betreft de afwikkeling van de nalatenschap van moeder, waarin [eiser] en [gedaagde] voor gelijke delen zijn gerechtigd. De rechtbank leidt uit de brief van de notaris van 27 augustus 2012 (productie 4 bij dagvaarding) af dat de tot de nalatenschap van moeder behorende goederen bestaan uit de (hiervoor onder 2.5 genoemde) woning – waarop nog een hypotheekschuld van € 22.689,-- rust – en verder een banktegoed van € 34.445,--. Tussen [eiser] en [gedaagde] bestaan twee geschilpunten betreffende de afwikkeling van de nalatenschap van moeder. Dit betreft (i) de bij de verdeling van de te verkoop van de woning aan een derde te hanteren verkoop- en laatprijs en (ii) de vraag of tot de nalatenschap van moeder (naast voornoemde goederen) tevens behoort een vordering op [gedaagde] van € 135.000,-- (vermeerderd met rente) uit hoofde van geldlening. De rechtbank zal beide geschilpunten hierna (vanaf 4.3) beoordelen. Daaraan voorafgaand zal het verweer van [gedaagde] inzake de ontvankelijkheid van [eiser] worden beoordeeld.

De hoedanigheid waarin [eiser] procedeert

4.2

Tijdens de comparitie is namens [gedaagde] betoogd dat [eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering omdat hij heeft nagelaten om in deze procedure op te treden in zijn hoedanigheid van erfgenaam.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Voor zover [gedaagde] beoogt te verwijzen naar de uit artikel 3:171 BW voortvloeiende regel dat de procederende deelgenoot in zijn eerste processtuk kenbaar moeten maken dat hij optreedt (als formele partij) voor de gezamenlijke deelgenoten (als materiële partij) en dat hij een uitspraak ten behoeve van de gemeenschap wenst, ziet zij eraan voorbij dat deze regel enkel ziet op procedures namens de gemeenschap jegens derden. Deze regel ziet niet op procedures, zoals de onderhavige, van de ene deelgenoot jegens de andere deelgenoot inzake de (wijze van) verdeling van de gemeenschap.

De verdeling van de woning

4.3

Partijen zijn het eens dat de tot de nalatenschap behorende woning dient te worden verdeeld door verkoop daarvan aan een derde en verdeling van de netto-opbrengst (art. 3:185 lid 2, aanhef en sub c, BW). Partijen verschillen van mening over de bij de verkoop te hanteren vraagprijs en laatprijs.

4.4

[eiser] vordert dat de rechtbank de verkoopvoorwaarden zal vaststellen door de vraagprijs (conform het advies van Makelaarsland) vast te stellen op € 349.500,--, en de laatprijs op € 320.000,--, met de bepaling dat zowel de vraagprijs als de laatprijs elke drie maanden dient te worden verlaagd met € 20.000,-- gedurende een periode van maximaal negen maanden vanaf datum van het te wijzen vonnis. Verder wenst [eiser] dat indien binnen 12 maanden de verkoop van de woning niet is gerealiseerd voornoemde makelaar, dan wel een andere door de rechtbank aan te wijzen NVM-makelaar wordt verzocht om te adviseren over de wenselijke verkoopvoorwaarden teneinde een spoedige verkoop te realiseren, waarbij dit voor partijen als een bindend advies moet worden beschouwd. Voor het geval het voorgaande niet mogelijk is, verzoekt [eiser] de rechtbank een deskundige te benoemen die de verkoopvoorwaarden ten aanzien van de woning dient vast te stellen, waarbij de door deze deskundige bepaalde vraag- en laatprijs voor partijen bindend dient te zijn en dat het in deze te wijzen vonnis in de plaats zal treden van de wilsverklaring van [gedaagde] tot het in verkoop geven van de woning.

4.5

[gedaagde] heeft hiertegen verweer gevoerd. Volgens haar gaat [eiser] uit van een veel te lage verkoopprijs en een te snelle en geforceerde periodieke verlaging van de verkoopprijs. [gedaagde] vordert in voorwaardelijke reconventie een andere vaststelling van de verkoopvoorwaarden namelijk dat de vraagprijs wordt vastgesteld op € 375.000,-- en de laatprijs op € 360.000,00 met bepaling dat de vraagprijs en de laatprijs per periode van 12 maanden (vanaf datum van het te wijzen vonnis) dienen te worden verlaagd met een bedrag van telkens € 15.000,--, tot uiteindelijk (na twee jaar) deze € 345.000,-- respectievelijk € 330.000,-- bedragen.

4.6

De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat sinds het overlijden van moeder (3 november 2011) partijen al gedurende meer dan drie jaar deelgenoten zijn in de onverdeelde nalatenschap van moeder, waartoe ook de woning behoort. [eiser] heeft (in ieder geval) reeds vanaf 22 april 2013 (zie de brief van Das Rechtsbijstand; productie 10 bij dagvaarding) bij [gedaagde] aangedrongen op verdeling van de woning. Uit de overgelegde correspondentie en ook tijdens de comparitie is gebleken dat de communicatie hierover tussen partijen moeizaam verloopt. Wel zijn partijen in december 2013 uiteindelijk erin geslaagd om gezamenlijk een makelaar ten behoeve van de verkoop van de woning te benaderen. In het opnamerapport van de makelaar (opnamedatum 23 december 2013; productie 6 bij dagvaarding) staat een vraagadviesprijs € 349.500,-- k.k. en als te verwachten opbrengst € 332.500,-- k.k. Vervolgens zijn partijen er niet in geslaagd om afspraken te maken over de te hanteren verkoopprijs en laatprijs. Uiteindelijk is de woning in februari 2014 via deze gezamenlijk benaderde makelaar te koop gezet voor een vraagprijs van € 375.000,--, waarbij [eiser] overigens stelt dat deze verkoopprijs eenzijdig door [gedaagde] is bepaald (productie 8 bij dagvaarding). Verder is tijdens de comparitie gebleken dat in de afgelopen 10 maanden slechts drie belangstellenden zich voor de woning hebben gemeld, zonder dat daarbij een concreet bod is gedaan op de woning. In een e-mail van 9 mei 2014 van de makelaar aan partijen staat het volgende (productie 17 bij conclusie van antwoord in reconventie):

“Ik heb met u beide contact gehad en ik kom tot de ontdekking dat beide partijen iets anders willen. U bent het niet eens met elkaars opvattingen omtrent de juiste wijze om tot verkoop van de woning te komen.

Het meningsverschil over het verkopen van de bovengenoemde woning belemmert Makelaarsland om de woning te verkopen. (…) Voor Makelaarsland ontstaat er nu een onwerkbare situatie. Ik kan de verkoop continueren indien u het beide eens bent omtrent de wijze van verkoop” .

Tot op heden is deze situatie in feite onveranderd gebleven.

4.7

Volgens artikel 3:178 lid 1 BW is uitgangspunt dat ieder van de deelgenoten te allen tijde verdeling kan vorderen. [gedaagde] heeft niet kenbaar gemaakt dat zij verlangt de vordering tot verdeling uit te stellen op de voet van artikel 3:178 lid 3 BW. Beide partijen wensen immers nu te verdelen, maar zijn het alleen niet met elkaar eens over de daarbij te hanteren verkoop- en laatprijs. Zoals blijkt uit het voorgaande valt onder de huidige omstandigheden verdeling door verkoop van de woning aan een derde ook niet te verwachten. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] in beginsel mag worden verwacht – te meer nu zij zelf heeft ingestemd met het inschakelen van makelaar Klerks van Makelaarsland en zij tijdens de comparitie ook heeft verklaard vertrouwen te hebben in de kundigheid van deze makelaar – dat zij zich richt naar de door deze makelaar geadviseerde vraag- en laatprijs. Hetgeen [gedaagde] tijdens de comparitie heeft verklaard rechtvaardigt niet om de adviezen van de makelaar inzake de te hanteren verkoop- en laatprijs naast zich neer te leggen. [gedaagde] wijst op de WOZ-waarde van de woning in 2010 van € 375.000,-- die voor de erfbelasting ook tot uitgangspunt is genomen. Om die reden wenst [gedaagde] bij verkoop aan een derde een zelfde opbrengst te realiseren. [gedaagde] ziet er daarbij echter aan voorbij dat de WOZ-waarde 2010 niet bepalend is voor de huidige verkoopwaarde van de woning. Evenmin is daarbij doorslaggevend de huidige WOZ-waarde van omliggende huizen. Bij het verkopen van de woning aan een derde zijn de huidige marktomstandigheden bepalend. Uit de stellingen van [gedaagde] blijkt ook niet dat deze marktomstandigheden door de makelaar bij de geadviseerde verkoop- en laatprijs onvoldoende in aanmerking zijn genomen.

4.8

De rechtbank zal de wijze van verdeling van de woning gelasten aldus dat partijen de reeds gegeven opdracht aan makelaar [naam makelaar] van Makelaarsland (dan wel een andere aan dit kantoor verbonden makelaar) dienen te handhaven. Verder zal de rechtbank bepalen – voor het geval partijen niet alsnog in onderling overleg tot overeenstemming komen over de te hanteren vraagprijs en laatprijs voor de onroerende zaak – de hiervoor bedoelde makelaar bindend de vraagprijs en laatprijs zal vaststellen, alsmede een eventuele wijziging van de te hanteren vraag- en laatprijs in geval verkoop vervolgens uitblijft, en dat partijen de aldus door de makelaar vastgestelde vraag- en laatprijs dienen te hanteren bij de verkoop van de onroerende zaak aan een derde.

4.9

De rechtbank ziet geen aanleiding om daarbij een van de door partijen voorgestelde staffels te hanteren. Volgens deze staffels van partijen – die ten opzichte van elkaar overigens ook niet gelijkluidend zijn – dient na een bepaalde periode de vraag- en laatprijs naar beneden te worden bijgesteld. Op dit moment is niet te voorzien hoe de woningmarkt zich zal ontwikkelen in de (nabije) toekomst. Niet uit te sluiten is dat de woningmarkt aantrekt en dat dan geen aanleiding bestaat om de prijzen te verlagen zoals partijen met deze staffels tot uitgangspunt nemen. Aanpassing van de vraag- en laatprijs dient dan ook aan het deskundig inzicht van de makelaar te worden overgelaten.

De lening van moeder aan [gedaagde]

4.10

[eiser] stelt dat uit de overeenkomst van geldlening van 27 februari 2010 blijkt dat moeder een bedrag van € 135.000,-- aan [gedaagde] heeft geleend, verhoogd met een marktconforme rente zijnde de wettelijke rente. Omdat [gedaagde] deze lening aan moeder schuldig is gebleven, dient deze lening te worden toegerekend op het aandeel van [gedaagde] in de nalatenschap, aldus [eiser].

4.11

[gedaagde] heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. [gedaagde] stelt dat moeder van aanvang af de bedoeling heeft gehad dat zij het bedrag van € 135.000,-- niet hoefde terug te betalen. Volgens [gedaagde] is de onderhandse akte opgesteld (op advies van haar adviseurs) om de heffing van schenkbelasting te voorkomen, maar dat moeder – hoewel zij dit overbodig vond – hiermee uiteindelijk toch akkoord is gegaan. Anders dan de bedoeling was, is in de akte niet een clausule van kwijtschelding opgenomen. Moeder heeft op 10 en 11 april 2011 aan [gedaagde] (in het bijzijn van getuigen) het geleende bedrag kwijtgescholden. Op laatstgenoemde datum heeft moeder de twee originele exemplaren van de onderhandse akte aan [gedaagde] overhandigd. Volgens [gedaagde] vond moeder dat [eiser] al genoeg schenkingen had gekregen en wenste zij de balans te herstellen omdat [gedaagde] door haar vader is “onterfd”.

4.12

De rechtbank overweegt als volgt. Bij de uitleg van hetgeen moeder en [gedaagde] zijn overeengekomen komt het aan op de zin die zij in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Vast staat dat moeder en [gedaagde] op 27 februari 2010 een akte hebben ondertekend waarin staat dat moeder € 135.000,-- leent aan [gedaagde]. Weliswaar heeft [gedaagde] gesteld dat moeder vanaf dat moment reeds de intentie heeft gehad dat [gedaagde] het geld niet hoefde terug te betalen, maar [gedaagde] heeft geen concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat moeder en zij hier reeds in februari 2010 van uit gingen. In de akte staan onder 1.1 en 1.4 ook aflossingsbepalingen, hetgeen niet voor de hand ligt indien reeds toen de gestelde intentie bestond. Verder is in de aangifte inkomstenbelasting over 2010 van moeder deze lening ook vermeld als een vordering van moeder (en niet als vermogen in box 3). Uit de stellingen [gedaagde] blijkt dat moeder niet eerder dan in april 2011 aan haar te kennen heeft gegeven dat zij het bedrag van € 135.000,-- wilde kwijtschelden. De rechtsverhouding tussen moeder en [gedaagde] zoals eind februari 2010 tot stand gekomen dient dan ook te worden aangemerkt als een overeenkomst van geldlening (verbruikleen).

4.13

In de overeenkomst van geldlening staat dat partijen geen rentepercentage hebben afgesproken, maar dat [gedaagde] een vast marktconform rentepercentage is verschuldigd. Nu [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd tegen de stelling van [eiser] dat uit deze overeenkomst volgt dat [gedaagde] de verschuldigde rente gelijk is aan de wettelijke rente en dat [gedaagde] dit verschuldigd is vanaf 3 november 2011, zal de rechtbank daarvan uitgaan.

4.14

Volgens de hoofdregel van bewijslastverdeling van artikel 150 Rv draagt [gedaagde] de bewijslast van haar (door [eiser] betwiste) stelling dat moeder het geleende bedrag van € 135.000,-- in april 2011 aan haar heeft kwijtgescholden. Het beroep van [gedaagde] op de gestelde kwijtschelding is immers als een bevrijdend verweer aan te merken. [gedaagde] zal dan ook worden opgedragen te bewijzen dat moeder in april 2011 de schuld van [gedaagde] uit geldlening aan haar heeft kwijtgescholden.

4.15

Anders dan [gedaagde] heeft bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een omkering van de bewijslastverdeling of een voorshands bewezen verklaring. In de namens [gedaagde] genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad is sprake van een uitzonderlijke situatie, waarbij de bewijspositie van degene die volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast draagt onredelijk is verzwaard door toedoen, dan wel vaststaand onzorgvuldig handelen van diens wederpartij. Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich in de rechtsverhouding tussen [eiser] en [gedaagde] niet voor. De door [gedaagde] gestelde bijzondere omstandigheden (die kennelijk volgens haar afwijking van de hoofdregel, dan wel een voorshands bewezenverklaring rechtvaardigen) staan bovendien niet vast. Uit de gemotiveerde betwisting van [eiser] blijkt dat niet als vaststaand kan worden aangenomen dat, zoals [gedaagde] stelt, moeder door middel van de gestelde kwijtschelding “de balans” heeft willen herstellen en dat moeder het originele exemplaar van de overeenkomst heeft teruggegeven en daarmee ervan uitging dat de vordering teniet ging.

Slotsom

4.16

Uit het voorgaande volgt dat de procedure in conventie een vervolg krijgt met bewijslevering door [gedaagde] ter zake van de gestelde kwijtschelding. Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

4.17

De rechtbank zal inzake de hiervoor gegeven eindbeslissingen in conventie en reconventie over de wijze van verdeling van de woning reeds nu vonnis wijzen (en deze beslissing niet aanhouden tot het nog te wijzen eindvonnis). De verkoop van de woning kan dan worden voortgezet zonder dat de verdere procedure betreffende de gestelde kwijtschelding behoeft te worden afgewacht. De verkoopopbrengst van de woning valt dan in de tussen partijen nog te verdelen gemeenschap.

Alvorens partijen kunnen overgaan tot een definitieve afwikkeling van de nalatenschap, dient in beginsel onherroepelijk vast te staan of de schuld van [gedaagde] uit hoofde van geldlening al dan niet door moeder is kwijtgescholden. Niettemin ziet de rechtbank op grond van artikel 3:179 lid 1 BW aanleiding te bepalen dat gewichtige redenen bestaan voor een partiële verdeling van de nalatenschap met inachtneming van het navolgende.

4.18

Bij een eventuele verkoop van de woning, kunnen partijen de verkoopopbrengst (en de overige goederen van de nalatenschap) in beginsel verdelen. De rechtbank zal daarbij echter bepalen dat een deel van de verkoopopbrengst van de woning bij de notaris in depot dient te blijven totdat onherroepelijk is beslist of al dan niet de schuld van [gedaagde] uit geldlening door moeder is kwijtgescholden. Uitgangspunt van artikel 4:228 lid 1 BW is dat op verlangen van de ene erfgenaam ([eiser]), de schulden van de andere erfgenaam ([gedaagde]) die deze aan de erflater schuldig is gebleven, op diens aandeel dienen te worden toegerekend bij de verdeling. Immers, indien [gedaagde] niet slaagt in het haar opgedragen bewijs, dan zal bij de definitieve afwikkeling van de nalatenschap het door haar op dat moment uit hoofde van geldlening verschuldigde bedrag op de voet van voornoemde bepaling dienen te worden toegerekend op haar aandeel in de nalatenschap. Daarop behoort niet te worden vooruitgelopen door voorafgaand aan een onherroepelijke beslissing inzake de gestelde kwijtschelding, de gehele opbrengst van een voorafgaande verkoop tussen partijen gelijkelijk te verdelen. Indien [gedaagde] slaagt in het haar opgedragen bewijs (en zij dus geen schuld heeft aan de nalatenschap uit hoofde van geldlening), dan zal het in depot bewaarde bedrag alsnog gelijkelijk tussen partijen dienen te worden verdeeld.

De rechtbank gaat daarbij ervan uit dat het bedrag in depot zal worden gehouden door dezelfde notaris die partijen op hun gezamenlijk verzoek reeds heeft bijgestaan ten behoeve van het opstellen van een verklaring van erfrecht ([naam notaris] Notarissen te [plaats], dan wel een andere aan dit kantoor verbonden notaris).

4.19

Zoals hiervoor is overwogen is uitgangspunt dat [gedaagde] over de hoofdsom van € 135.000,-- wettelijke rente is verschuldigd vanaf 3 november 2011. Aangezien een onherroepelijke beslissing inzake de kwijtschelding en daarmee de definitieve afwikkeling van de nalatenschap van moeder naar verwachting nog geruime op zich zal laten wachten, zal de rechtbank het (na een eventuele verkoop van de woning) in depot te bewaren bedrag vaststellen op € 160.000,--.

4.20

Ten aanzien van de reconventie geldt dat hiermee sprake is van een eindvonnis. Nu partijen broer en zus van elkaar zijn en het geschil de verdeling van de nalatenschap van moeder betreft, zal de rechtbank de proceskosten in reconventie tussen partijen compenseren aldus dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt.

4.21

De rechtbank zal in conventie iedere verdere beslissing aanhouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie en reconventie

5.1

gelast de wijze van verdeling van de tot de nalatenschap behorende de onroerende zaak gelegen aan [adres], [plaats] (kadastraal bekend [naam makelaar]) aldus:

- gelast partijen om de opdracht tot verkoop van deze onroerende zaak door inschakeling van makelaar [naam makelaar] van Makelaarsland (dan wel een andere aan dit kantoor verbonden makelaar) te handhaven,

-bepaalt – voor het geval partijen niet alsnog in onderling overleg tot overeenstemming komen over de te hanteren vraagprijs en laatprijs voor de onroerende zaak – de hiervoor bedoelde makelaar bindend de vraagprijs en laatprijs vast zal stellen, alsmede een eventuele wijziging van de te hanteren vraag- en laatprijs in geval verkoop uitblijft, en dat partijen de aldus door de makelaar vastgestelde vraag- en laatprijs dienen te hanteren bij de verkoop van de onroerende zaak aan een derde,

-bepaalt dat bij een eventuele verkoop van de woning een deel van de verkoopopbrengst van de woning, zijnde € 160.000,--, bij de notaris in depot dient te blijven totdat onherroepelijk is beslist of al dan niet de schuld [gedaagde] uit geldlening door moeder is kwijtgescholden,

5.2

verklaart dit vonnis ten aanzien van deze wijze van verdeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.3

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4

wijst af het meer of anders gevorderde,

in conventie

5.5

draagt [gedaagde] op te bewijzen dat moeder in april 2011 de schuld van [gedaagde] uit geldlening heeft kwijtgescholden,

5.6

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 31 december 2014 voor uitlating door [gedaagde] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.7

bepaalt dat [gedaagde], indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.8

bepaalt dat [gedaagde], indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden maart tot en met mei 2015 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.9

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank in het paleis van justitie te 's-Hertogenbosch aan de Leeghwaterlaan 8,

5.10

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.11

houdt iedere verdere beslissing aan,

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Beens en in het openbaar uitgesproken op

17 december 2014.