Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:8068

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-12-2014
Datum publicatie
30-12-2014
Zaaknummer
C/01/249099 / FA RK 12-3324_4
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wijziging gezag in eenhoofdig gezag van moeder afgewezen. Vader respecteert de gezagsuitoefening door moeder en maakt geen misbruik van zijn gezag.

Omgangscontacten voor de duur van een jaar verboden.

Wijziging door bodemrechter van dwangsommen welke door de voorzieningenrechter zijn opgelegd, mogelijk gelet op het specifieke geval.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 1:253n, geldigheid: 2014-12-30
Burgerlijk Wetboek Boek 1 1:253a, geldigheid: 2014-12-30
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 611d, geldigheid: 2014-12-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/249099 / FA RK 12-3324_4

Uitspraak : 22 december 2014

Beschikking in de zaak van

[verzoekster]

wonende te [woonplaats],

hierna mede te noemen: de moeder,

advocaat mr. R. Lessy,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

hierna mede te noemen: de vader,

advocaat mr. K.M. van Aken.

Deze beschikking is een vervolg op de beschikkingen van deze rechtbank van

21 september 2012, 3 december 2013 en 9 september 2014. De inhoud van voormelde beschikkingen dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De verdere procedure

Bij beschikking van 9 september 2014 heeft de rechtbank, onder meer en voor zover thans relevant, een voorlopige regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna ook: zorgregeling) vastgesteld waarbij de vader gerechtigd is, met handhaving van de wekelijkse telefonische contacten zoals vastgesteld bij beschikking van 3 december 2013, tot contact met de kinderen gedurende iedere woensdagmiddag van 14.00 uur tot 15.00 uur.

De definitieve beslissingen ten aanzien van het gezag, de zorgregeling en het verzoek tot uithuisplaatsing zijn aangehouden.

De rechtbank heeft vervolgens kennisgenomen van:

  • -

    de brief met bijlagen van mr. Van Aken, gedateerd 17 november 2014;

  • -

    de brief met bijlagen van de stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, gedateerd

18 november 2014.

De zaak is voortgezet behandeld ter zitting van 27 november 2014. Verschenen zijn partijen en hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming zijn verschenen: [zittingsvertegenwoordiger] Namens de stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant zijn verschenen [zittingsvertegenwoordiger]

De verdere beoordeling

Tussen partijen staan nog ter beoordeling het verzoek van de moeder tot wijziging van het ouderlijk gezag over de kinderen, de wederzijdse verzoeken ten aanzien van de zorgregeling en het verzoek van de raad voor de kinderbescherming (hierna ook: de raad) tot uithuisplaatsing van de kinderen.

Voorts staat nog ter beoordeling het verzoek van de moeder om voor recht te verklaren dat zij niet lange gehouden is aan de kort geding vonnissen 12 maart 2010 en 22 april 2010, gewezen tussen partijen, en zij aldus geen dwangsommen verbeurd.

Gezag

De raad heeft bij rapport van 10 april 2014 geadviseerd het ouderlijk gezag niet te wijzigen. De raad vreest dat bij een eenhoofdig gezag van de moeder de kinderen nog meer klem zullen komen te zitten, omdat de moeder volgens de raad niet in staat zal zijn de vader nog een rol in het leven van de kinderen te geven. Bovendien, aldus de raad, werkt de vader overal aan mee en is niet gebleken dat hij misbruik maakt van zijn ouderlijk gezag.

In haar reactie op de rapportage van de raad heeft de moeder geen bezwaren geuit tegen het advies van de raad. De vader heeft in zijn reactie op de rapportage van de raad vermeld dat hij zich kan vinden in het advies.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank verwijst naar de overwegingen zoals hierna vermeld onder “Zorgregeling”. De begeleide omgangscontacten tussen de vader en de kinderen en het verloop daarvan hebben partijen en de raad geen aanleiding gegeven tot wijziging van de eerder ingenomen standpunten.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de kinderen voor wat betreft de uitoefening van het ouderlijk gezag klem zitten tussen de ouders, dan wel dat gezamenlijk ouderlijk gezag anderszins niet in het belang van de kinderen is. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de vader de gezagsuitoefening door moeder respecteert en daarbij geen misbruik maakt van zijn ouderlijk gezag. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat de stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna: de stichting) binnen het kader van de ondertoezichtstelling mogelijkheden heeft om waar nodig sturing te geven aan de gezamenlijke gezagsuitoefening.

Het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag wordt derhalve afgewezen.

Zorgregeling

Bij beschikking 9 september 2014 heeft de rechtbank bepaald dat de vader en de kinderen gedurende drie maanden iedere woensdagmiddag van 14.00 uur tot 15.00 uur contact met elkaar zullen hebben, waarbij het eerste gesprek zo mogelijk zal worden begeleid door een gezinsvoogd dan wel een familielid van de zijde van de moeder. Ook het tweede gesprek zal worden begeleid door een familielid van de zijde van de moeder. Vervolgens dient het contact tussen de vader en de kinderen onbegeleid plaats te vinden.

De stichting heeft de rechtbank bericht dat er iedere week omgang tussen de vader en de kinderen heeft plaatsgevonden, waarbij de eerste twee bezoeken zijn begeleid door de gezinsvoogd. De stichting geeft aan dat de omgangscontacten niet goed verlopen, omdat er bij de kinderen veel weerstand bestaat tegen contacten met hun vader. Die weerstand is zodanig dat de kinderen in aanloop naar de omgangscontacten een gedragsverandering laten zien.

De stichting is van mening dat alvorens kan worden gekomen tot omgangscontacten moet worden onderzocht of sprake is van een ouderverstotingssyndroom, ook wel aangeduid als PAS.

De moeder en de vader beamen dat de omgangscontacten niet goed verlopen. De kinderen verzetten zich tegen de omgangscontacten, ondanks dat moeder de kinderen stimuleert. De moeder is van mening dat de omgangscontacten moeten worden stopgezet.

De vader is van mening dat de aanwezigheid van de moeder tijdens de omgangscontacten hem belemmeren in een vrij contact met de kinderen. Hij is er voorstander van de omgangscontacten te laten begeleiden door een medewerker van WIJ en wenst graag andere activiteiten met de kinderen te gaan doen.

De raad heeft ter zitting gesteld dat een definitieve beëindiging van de omgangscontacten tussen de vader en de kinderen, zal leiden tot een situatie waarin er niets meer veranderd. De vader zal daardoor verstoken zijn van contacten met de kinderen. De raad kan zich vinden in een PAS-onderzoek en een – tijdelijke – opschorting van de omgangscontacten. De raad is ten slotte van mening dat – ongeacht de vraag of sprake is van PAS – begeleiding van de kinderen noodzakelijk is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Gezag over een kind vooronderstelt dat ook de niet verzorgende gezagsdrager contact met het kind heeft. Dat betekent dat het recht op contact van de (mede-)gezagsdrager niet aan die persoon kan worden ontzegd. Wel kan de uitoefening van dit recht worden ontzegd. Artikel 1:253a BW biedt die mogelijkheid om, uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist, bij gezamenlijke gezagsuitoefening aan de (mede-)gezagsdrager een tijdelijk verbod op te leggen om met het kind contact te hebben. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan de gezagsdrager aan wie dit verbod is opgelegd zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar (opnieuw) tot de rechter wenden teneinde een zorgregeling te doen vaststellen dan wel het verbod te doen opheffen.

De rechtbank stelt vast dat beide ouders zich welwillend hebben ingezet om de omgangscontacten tussen de vader en de kinderen goed te laten verlopen en de hulpverlening die hen daarbij is geboden hebben geaccepteerd.

Echter, bij de kinderen bestaat op dit moment geen draagvlak voor contact met de vader. De keuze van de stichting om de moeder steeds bij de contacten aanwezig te laten zijn acht de rechtbank dan ook begrijpelijk ten einde de kinderen te laten zien dat zij twee ouders hebben die wel met elkaar kunnen communiceren. Dat dit niet het gewenste resultaat heeft is naar het oordeel van de rechtbank niet te wijten aan de ouders, doch vindt zijn oorzaak in de afwijzende houding van de kinderen in de contacten met de vader. Begeleiding door een ander dan de moeder zal daarin naar het oordeel van de rechtbank geen verandering brengen.

De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek noodzakelijk is naar de vraag om welke reden(en) de kinderen een sterk afwijzende houding hebben naar hun vader.

Een PAS-onderzoek – zoals door de stichting geopperd en door de raad onderschreven – kan daaraan bijdragen. De kinderen staan thans onder toezicht van de stichting. Een PAS-onderzoek past naar het oordeel van de rechtbank in het kader van de ondertoezichtstelling. Ongeacht de uitkomsten van dat onderzoek zal er sowieso hulpverlening voor de kinderen moeten komen. Ook die hulpverlening kan plaatsvinden binnen het kader van de ondertoezichtstelling.

De rechtbank is voorts van oordeel, gelet op de weerstand van de kinderen met betrekking tot de contacten met hun vader, dat voortzetting van de huidige begeleide omgangscontacten niet in het belang van de kinderen is. Naar aanleiding van de uitkomsten van een

PAS-onderzoek kan door de stichting worden beoordeeld welke hulpverlening voor de kinderen noodzakelijk is en op welke wijze omgangscontacten kunnen worden opgestart.

Het voorgaande brengt met zich dat de vader het recht op de uitoefening van het omgangsrecht moet worden ontzegd. De rechtbank zal de vader tijdelijk verbieden om omgangscontacten met de kinderen te hebben.

Uithuisplaatsing

Ter zitting is door de raad het verzoek tot uithuisplaatsing ingetrokken, zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist.

Verklaring voor recht

De moeder heeft verzocht voor recht te verklaren dat zij niet gehouden is om zich aan de inhoud van de vonnissen in kort geding van 12 maart 2010 en 22 april 2010 te houden en dat aldus het verbeuren van dwangsommen zoals opgenomen in het vonnis van 22 april 2010 niet langer op haar van toepassing is.

De rechtbank overweegt dat voormelde vonnissen in kort geding strekken tot nakoming van de zorgregeling zoals vastgelegd bij beschikking van 10 februari 2009.

Bij beschikkingen van 21 september 2012, 3 december 2013 en 9 september 2014, alsmede door de onderhavige beschikking is de beschikking van 10 februari 2009 gewijzigd. De zorgregeling zoals verwoord in de beschikking van 10 februari 2009 kan derhalve sedert

21 september 2012 feitelijk niet meer ten uitvoer worden gelegd en dwangsommen kunnen niet meer worden verbeurd.

Dit brengt met zich dat de moeder enkel belang heeft bij een verklaring voor recht ten aanzien van het verbeuren van dwangsommen voor wat betreft de periode tussen

22 april 2010 – de datum van het kort geding vonnis – en 21 september 2012.

Daargelaten de vraag of dwangsommen zijn verbeurd, bepaalt artikel 611d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RV) dat de rechter die een dwangsom heeft opgelegd op vordering van de veroordeelde de dwangsom kan opheffen, de looptijd ervan kan opschorten of verminderen. Uit de jurisprudentie volgt dat de zinsnede “de rechter die een dwangsom heeft opgelegd” exclusief is, in die zin dat niet een andere rechter dan de rechter die de dwangsom heeft opgelegd de dwangsom kan opheffen of wijziging. De dwangsommen zijn opgelegd door de voorzieningenrechter.

Gesteld noch gebleken is dat daadwerkelijk dwangsommen zijn verbeurd. De moeder verkeert thans in de onmogelijkheid om alsnog de omgangscontacten tussen de vader en de minderjarige over de periode voor 21 september 2012 na te komen. Nakoming van omgangscontacten met terugwerkende kracht is niet mogelijk. De wijziging van de beschikking van 10 februari 2009 door de beschikking van 21 september 2012 berust op een wijziging van omstandigheden die zich heeft voorgedaan na 10 februari 2009. De dwangsommen zien op de zorgregeling zoals die is vastgesteld bij beschikking van 10 februari 2009.

Naar het oordeel van de rechtbank kan in dit geval, waarin in een bodemprocedure een zorgregeling waaraan dwangsommen zijn verbonden wordt gewijzigd, een eerder oordeel van de voorzieningenrechter ten aanzien van die dwangsommen samenhangend met de gewijzigde zorgregeling eveneens worden gewijzigd, te meer daar niet gebleken is van een executiegeschil ten aanzien van de dwangsommen.

Door de vader is geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder. De rechtbank zal derhalve voor recht verklaren dat de moeder geen dwangsommen zal verbeuren op grond van het vonnis in kort geding van 22 april 2010.

De beslissing

De rechtbank

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 10 februari 2009 voor wat betreft de daarbij vastgestelde regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;

verbiedt de vader de uitoefening van het recht op contact met de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige], te [geboorteplaats] op [geboortedatum];

  • -

    [minderjarige], te [geboorteplaats] op [geboortedatum], tijdelijk

voor de periode van één jaar, met ingang van de datum van deze beschikking;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verklaart voor recht dat de moeder geen dwangsommen zal verbeuren op grond van het vonnis in kort geding van 22 april 2010;

compenseert de proceskosten tot op heden tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzocht af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.P.M. van Reijsen, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 22 december 2014.

conc: awe

Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden,
binnen drie maanden na de dag van de uitspraak
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.