Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:8064

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-12-2014
Datum publicatie
30-12-2014
Zaaknummer
01/880362-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor het meermalen bedreigen van zijn ex-echtgenote. Verdachte wordt daarvoor veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van verdachte wordt voor een deel groot 123 dagen toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/880362-14

V.I. zaaknummer: 99/000066-34

Datum uitspraak: 30 december 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1969],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd te: HvB Ooyerhoekseweg - Zutphen,

Verlengde Ooyerhoekseweg 21, 7207BJ Zutphen.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 december 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 20 november 2014.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 16 december 2014 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 9 mei 2014 tot en met 14 september 2014 te 's-Hertogenbosch en/of Zutphen en/of elders in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk voornoemde [slachtoffer] telefonisch al dan niet via [persoon 1] dreigend de woorden toegevoegd:

-(op 11 mei 2014)

"Ik maak, ik trek zeker die kankerkop van haar eraf, zeg dat maar" en/of "Dat zweer ik op mijn vader en moeders graf, maak ik haar dood" en/of "het is vandaag moederdag maar ik heb het op mijn moeders graf gezworen dan maak ik haar kapot" en/of "Ik geef er niks om maar dan kan ik haar toch vertellen dat zij 2015 niet haalt met dit gejammer" en/of "Als ik met verlof niet naar Brabant mag dan rij ik naar Brabant en maak ik haar kapot. Zeg dat maar, dan maak ik haar af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

-(op 15 mei 2014)

"Oh die krijgt jongen, ik zweer het, die krijgt een portie klappen van mij die vrouw. Die vrouw dat wil geen mens meemaken. Dat wil geen mensen meemaken echt waar niet. Dat wil geen mens in zijn leven meemaken wat die vrouw gaat meemaken. Ik ben in staat, ik ben in staat als ik dadelijk een heftruck pak he dat ik ze kapot in dat huis rijd he in [adres 1]. Die vieze vuile gek." en/of "Met jouw moeder gebeurt een drama. Dat zullen jullie gaan zien. Daar gebeurt een drama tussen. En dat voelt iedereen, iedereen voelt dat

aan komen.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

-(op 03 juni 2014)

"Als die vrouw niet verandert jongen he, dan stomp ik die kop he, dan stomp ik die kop helemaal andersom. Dat zullen jullie zien. Zien en meemaken. Dan sla ik die kop net zo gek he dat ze niet meer weet of ze van voren of van achteren leeft.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

-(op 30 juni 2014)

-nadat voormelde [slachtoffer] in een telefoongesprek tegen hem, verdachte, had gezegd dat zij daar niets aan kon doen- "En een paar van die dikke, een paar van die dikke, als er een paar van die dikke 9 mm in je flikker geschoten worden kan je er nooit meer iets aan doen of niet.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

-(op 16 juli 2014)

"Als ze vrijdag in de auto zit bij me he dan stomp ik al haar tanden achter in haar keel. Dus dan weet je het bij deze pas nou moet je eens goed luisteren dat dit geen geintje meer is.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

-(op 30 juli 2014)

"Als dat gebeurt he, schiet ik jou dood en dan moord ik alles uit wat uit te moorden valt en dan kijk ik wat ze met me doet. Dan zal ik het jou in 1 keer vertellen. Ik zou hier de kanker zitten als ik 1 woord lieg, dan schiet ik jou kapot en dan moord ik alles uit wat er uit te moorden valt en dan kijk ik wel wat ze met me doen.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

-(op 27 augustus 2014)

"Als ik haar zie de eerste dag he, sla ik haar het ziekenhuis in tot dat ze er nooit meer uit komt" en/of "Ik slacht je af, ik slacht jou af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.

De zaak met v.i. zaaknummer 99-000066-34 is aangebracht bij vordering van 31 oktober 2014. Deze vordering heeft betrekking op de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van de gevangenisstraf van 323 dagen, opgelegd bij arrest van de Hoge Raad van 20 september 2011. De veroordeelde zou op 5 april 2012 voorwaardelijk in vrijheid gesteld worden onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Sedert die datum is veroordeelde steeds op andere titels in detentie gehouden. De officier van justitie vordert thans de herroeping vanwege het niet houden aan voornoemde algemene voorwaarde gelet op hetgeen aan verdachte onder parketnummer 01/880362-14 ten laste is gelegd.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs en de beoordeling daarvan

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht op basis van de stukken in het dossier wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] meermalen heeft bedreigd.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft primair aangevoerd dat de inhoud van de beluisterde door verdachte vanuit de penitentiaire inrichting gevoerde telefoongesprekken niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. Volgens de raadsman zijn in strijd met artikel 39 van de Penitentiaire Beginselenwet telefoongesprekken tussen verdachte en zijn familieleden standaard opgenomen zonder dat voorafgaand aan het opnemen of beluisteren aan verdachte de aard en reden van het opnemen is gemeld. Bij het ontbreken van een wettelijke grondslag dient de directeur, gelet op artikel 8 EVRM, na te gaan of het standaard opnemen van telefoongesprekken nodig is met het oog op de veiligheid in de inrichting of het voorkomen en opsporen van strafbare feiten. Nu alle telefoongesprekken van verdachte vanuit de penitentiaire inrichting standaard zijn opgenomen, ontbreekt de afweging van de directeur van de penitentiaire inrichting of het noodzakelijk was alle gesprekken op te nemen en ontbreekt de uitdrukkelijke mededeling aan verdachte daarvan. De verdediging is van mening dat al hetgeen verdachte aan bedreigingen heeft geuit over de telefoon aan het adres van [slachtoffer] uitgesloten dient te worden van het bewijs. Bij het ontbreken van andere bewijsmiddelen is het wettige en overtuigende bewijs niet aanwezig en dient vrijspraak te volgen.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de bedreigingen niet van dien aard zijn en niet onder zodanige omstandigheden zijn geuit dat bij [slachtoffer] redelijke vrees kon ontstaan voor een levensbedreigende situatie. Volgens de raadsman blijkt dit onder meer uit de omstandigheid dat [slachtoffer] welbewust geen aangifte heeft gedaan en de omstandigheid dat zij bij de rechter-commissaris heeft verklaard, op de vraag of zij zich bedreigd voelde, dat zij niet weet hoe zij zich daaronder voelde, maar dat zij zich vernederd voelde. Ook uit de overige omstandigheden blijkt volgens de raadsman dat geen sprake is van een zodanige vrees dat van een bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht gesproken kan worden, zodat vrijspraak dient te volgen.

Het oordeel van de rechtbank.1

Ten aanzien van het verweer met betrekking tot de toelaatbaarheid voor het bewijs van de opgenomen telefoongesprekken overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 39, tweede lid, van de Penitentiaire Beginselenwet luidt als volgt:

“De directeur kan bepalen dat op de door of met de gedetineerde gevoerde telefoongesprekken toezicht wordt uitgeoefend, indien dit noodzakelijk is om de identiteit van de persoon met wie de gedetineerde een gesprek voert vast te stellen dan wel met het oog op een belang als bedoeld in artikel 36, vierde lid. Dit toezicht kan omvatten het beluisteren van een telefoongesprek of het uitluisteren van een opgenomen telefoongesprek. Aan de betrokkene wordt mededeling gedaan van de aard en de reden van het toezicht. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het opnemen van telefoongesprekken en het bewaren en verstrekken van opgenomen telefoongesprekken.”

Artikel 36, vierde lid, van de Penitentiaire Beginselenwet luidt als volgt:
“De directeur kan de verzending of uitreiking van bepaalde brieven of andere poststukken alsmede bijgesloten voorwerpen weigeren, indien dit noodzakelijk is met het oog op een van de volgende belangen:

a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;

b. de bescherming van de openbare orde of nationale veiligheid;

c. de voorkoming of opsporing van strafbare feiten;

d. de bescherming van slachtoffers van of anderszins betrokkenen bij misdrijven.”

Aan de orde is de vraag of in het onderhavige geval is gehandeld in strijd met de genoemde artikelen van de Penitentiaire Beginselenwet en artikel 8 EVRM.

Uit het door [verbalisant 1] op 30 oktober 2014 op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal blijkt dat verdachte al vele jaren gedetineerd is. De afgelopen maanden verbleef hij in de penitentiaire inrichting Achterhoek, locatie Ooyerhoek, te Zutphen.

Op vrijdag 5 september 2014 heeft [verbalisant 2] een gesprek gevoerd met [slachtoffer] en haar dochter [getuige 1]. Tijdens dit gesprek hebben zowel [slachtoffer] als haar dochter [getuige 1] tegenover [verbalisant 2] verklaard dat verdachte tijdens telefoongesprekken vanuit de penitentiaire inrichting regelmatig bedreigende taal uitte. Dochter [getuige 1] gaf aan best wel bang te zijn dat haar vader doet wat hij zegt en [slachtoffer] verklaarde dat [verdachte] altijd antwoord dat hij doet wat hij zegt. Beide vrouwen gaven aan bang te zijn voor hun veiligheid als verdachte zou vrijkomen uit detentie. [verbalisant 2] heeft zijn bevindingen gerelateerd in een proces-verbaal van bevindingen.

Op grond van het Besluit toezicht telefoongesprekken justitiële inrichtingen van
23 september 2010 is in de Penitentiaire Maatregel (PM) artikel 23a ingevoerd, waarin nadere regels zijn opgenomen over het opnemen van telefoongesprekken en het bewaren en verstrekken van opgenomen telefoongesprekken. In de toelichting op dit Besluit staat dat in de beginselenwetten tot uitdrukking wordt gebracht dat telefoongesprekken kunnen worden opgenomen in verband met het uitoefenen van toezicht daarop. Het toezicht kan omvatten het beluisteren van een telefoongesprek of het uitluisteren van een opgenomen telefoongesprek. Op grond van artikel 23a, eerste lid, van de PM mogen telefoongesprekken die in verband met het toezicht, bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de Penitentiaire Beginselenwet worden opgenomen, worden bewaard voor een periode van ten hoogste acht maanden. Op grond van artikel 23a, vijfde lid, van de PM worden opgenomen telefoongesprekken slechts verstrekt aan derden die ingevolge de uitvoering van hen bij of krachtens de wet opgedragen taken tot kennisneming daarvan bevoegd zijn.

In de onderhavige zaak werd door de hoofdofficier van justitie, nadat deze kennis kreeg van de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2], besloten om de door verdachte vanuit de penitentiaire inrichting gevoerde telefoongesprekken middels een vordering 126nd van het Wetboek van Strafvordering bij voormelde penitentiaire inrichting op te vragen ten behoeve van nader onderzoek. Vervolgens zijn de door verdachte in de periode van 9 mei 2014 tot en met 14 september 2014 vanuit de penitentiaire inrichting gevoerde telefoongesprekken opgevraagd. Tijdens het verhoor van de politie op 29 oktober 2014 is verdachte op de hoogte gesteld van de omstandigheid dat in verband met de genoemde bedreigingen de door verdachte gevoerde telefoongesprekken waren beluisterd. Verdachte heeft tijdens dit verhoor tegenover de politie verklaard: “Ik weet al meer dan een jaar dat jullie mijn telefoon tappen.” Verdachte was dus ook daadwerkelijk op de hoogte van het feit dat de door hem vanuit de penitentiaire inrichting gevoerde telefoongesprekken werden opgenomen en beluisterd.

Gelet op de eerdergenoemde aanleiding is de rechtbank van oordeel dat kon worden bepaald dat op de telefoongesprekken waar het hier om gaat toezicht zou worden uitgeoefend in de zin van de Penitentiaire Beginselenwet. Nu daaronder zowel het opnemen als het beluisteren vallen, welke twee vormen van toezicht zich hier feitelijk hebben voorgedaan, en ook aan het mededelingsvereiste is voldaan, is de rechtbank van oordeel dat is gehandeld in overeenstemming met het bepaalde in artikel 39, tweede lid, en artikel 36, vierde lid, van de Penitentiaire Beginselenwet en dat artikel 8 EVRM niet is geschonden.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de inhoud van de door verdachte vanuit de penitentiaire inrichting gevoerde telefoongesprekken rechtmatig is verkregen en derhalve voor het bewijs mag worden gebruikt. De rechtbank verwerpt derhalve dit verweer van de raadsman.

Ten aanzien van de vraag of bewezen is dat verdachte vanuit de penitentiaire inrichting [slachtoffer] heeft bedreigd, overweegt de rechtbank als volgt

Op grond van de inhoud van de door verdachte vanuit de penitentiaire inrichting gevoerde telefoongesprekken, zoals vermeld in het proces-verbaal op pagina’s 40-41 (gesprek 11 mei 2014), pagina 47 (gesprek 15 mei 2014), pagina 63 (gesprek 30 juni 2014), pagina 65 (gesprek 16 juli 2014), pagina 71 (gesprek 30 juli 2014) en pagina 75 (gesprek 27 augustus 2014), op grond van de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL2100-2014091543-10 van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 9 december 2014 – waarin [verbalisant 2] verklaart dat hij hoorde dat verdachte in de telefoongesprekken van 11 mei 2014, 15 mei 2014, 16 juli 2014 en 27 augustus 2014 in gesprek was met [persoon 1] en in de telefoongesprekken van 30 juni 2014 en 30 juli 2014 in gesprek was met [slachtoffer] – en de inhoud van de verklaring van verdachte op 31 oktober 2014 bij de rechter-commissaris, nadat hem is voorgehouden dat hij ervan wordt verdacht dat hij zijn ex de afgelopen maanden telefonisch heeft bedreigd, dat hij uit boosheid inderdaad dingen tegen haar heeft gezegd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte al dan niet via [persoon 1] bedreigingen heeft geuit over de telefoon aan het adres van [slachtoffer].

De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte gedane uitlatingen van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn geuit dat ook sprake is van een bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Volgens bestendige jurisprudentie is niet vereist dat een bedreiging in het concrete geval op de bedreigde een zodanige indruk heeft gemaakt dat er werkelijke vrees is opgewekt en de bedreigde zich in haar vrijheid belemmerd acht. Wel moet de bedreiging van dien aard zijn en onder zulke omstandigheden zijn gedaan dat deze in het algemeen een dergelijke vrees kan opwekken.

In de onderhavige zaak is de rechtbank, gelet op de aard en de inhoud van de door verdachte gebezigde woorden en de manier waarop en de omstandigheden waaronder deze uitlatingen zijn gedaan – in het bijzonder de omstandigheid dat verdachte in het verleden zeer frequent ter zake van geweldsmisdrijven met justitie in aanraking is geweest – van oordeel dat de bedreigingen van dien aard waren en onder zulke omstandigheden zijn gepleegd dat deze in het algemeen een dergelijke vrees kunnen opwekken. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

De rechtbank stelt tot slot vast dat verdachte de bedreigingen op 3 juni 2014 en een deel van de bedreigingen op 15 mei 2014 heeft geuit via zijn zoon [persoon 2], zodat verdachte zal worden vrijgesproken van deze onderdelen van de tenlastelegging.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

op tijdstippen gelegen in de periode van 11 mei 2014 tot en met 27 augustus 2014 te

's-Hertogenbosch en/of Zutphen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte telkens opzettelijk voornoemde [slachtoffer] telefonisch al dan niet via [persoon 1] dreigend de woorden toegevoegd:

-(op 11 mei 2014)

"Ik maak, ik trek zeker die kankerkop van haar eraf, zeg dat maar" en "Dat zweer ik op mijn vader en moeders graf, maak ik haar dood" en "het is vandaag moederdag maar ik heb het op mijn moeders graf gezworen dan maak ik haar kapot" en "Ik geef er niks om maar dan kan ik haar toch vertellen dat zij 2015 niet haalt met dit gejammer" en "Als ik met verlof niet naar Brabant mag dan rij ik naar Brabant en maak ik haar kapot. Zeg dat maar, dan

maak ik haar af", en

-(op 15 mei 2014)

"Met jouw moeder gebeurt een drama. Dat zullen jullie gaan zien. Daar gebeurt een drama tussen. En dat voelt iedereen, iedereen voelt dat aan komen.", en

-(op 30 juni 2014)

- nadat voormelde [slachtoffer] in een telefoongesprek tegen hem, verdachte, had gezegd dat zij daar niets aan kon doen- "En een paar van die dikke, een paar van die dikke, als er een paar van die dikke 9 mm in je flikker geschoten worden kan je er nooit meer iets aan doen of niet.", en

-(op 16 juli 2014)

"Als ze vrijdag in de auto zit bij me he dan stomp ik al haar tanden achter in haar keel. Dus dan weet je het bij deze pas nou moet je eens goed luisteren dat dit geen geintje meer is.", en

-(op 30 juli 2014)

"Als dat gebeurt he, schiet ik jou dood en dan moord ik alles uit wat uit te moorden valt en dan kijk ik wat ze met me doet. Dan zal ik het jou in 1 keer vertellen. Ik zou hier de kanker zitten als ik 1 woord lieg, dan schiet ik jou kapot en dan moord ik alles uit wat er uit te moorden valt en dan kijk ik wel wat ze met me doen.", en

-(op 27 augustus 2014)

"Als ik haar zie de eerste dag he, sla ik haar het ziekenhuis in tot dat ze er nooit meer uit komt" en/of "Ik slacht je af, ik slacht jou af".

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist voor de feiten in de zaak met parketnummer 01/880362-14 een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest.

Voor wat betreft de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in de zaak met nummer 99/000066-34 vordert de officier van justitie dat van de vrijheidsstraf, die als gevolg van de toepassing van de regeling voorwaardelijke invrijheidsstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog een gedeelte groot 123 dagen ten uitvoer wordt gelegd.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht om in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, de strafeis te matigen. Ook heeft de raadsman verzocht om de herroeping in duur te beperken.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn ex-partner. Verdachte heeft een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn ex-partner en haar lichamelijke integriteit aangetast.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder voor bedreigingen en andere geweldsmisdrijven werd veroordeeld tot langdurige gevangenisstraffen. In het bijzonder houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte eerder voor bedreiging van zijn ex-partner is veroordeeld.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Motivering van de beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling in de zaak met nummer 99/000066-34.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

In hetgeen ter terechtzitting aan de orde is gekomen en in de persoon van de veroordeelde, ziet de rechtbank, mede gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, een aanleiding om tot gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling over te gaan.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 10, 15, 15c, 15e, 15g, 15i, 15j, 27, 57, 285.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

en

bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het

Wetboek van Strafrecht.

De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling met v.i-zaaknummer 99/000066-14.

Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling voor een deel groot 123 dagen toe. Gelast dat de vrijheidsstraf die als gevolg van de toepassing van de regeling voorwaardelijke invrijheidsstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog voor een deel moet worden ondergaan, te weten voor de duur van 123 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,

mr. E.W. van den Heuvel en mr. C.J. Sangers- de Jong, leden,

in tegenwoordigheid van G.G. Dirks, griffier,

en is uitgesproken op 30 december 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Oost-Brabant, onderzoek DEVA, genummerd 21MEI14057/2014091543.