Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:7888

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
23-12-2014
Zaaknummer
SHE 14/4230
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Omdat in de aanvraag voor een omgevingsvergunning reeds melding werd gemaakt van het voornemen voor de verkoop van consumentenvuurwerk op de locatie gedurende de drie dagen direct voorafgaand aan de jaarwisseling, kan een daarop volgende brief (waarin een reactie werd gegeven op verweerders verzoek om aanvullende gegevens) niet worden gezien als een ingrijpende wijziging van de aanvraag. Als gevolg van het verstrijken van de geldende beslistermijn is daarom vergunning van rechtswege verleend voor dit voorgenomen gebruik. Verweerder heeft niet bekend gemaakt dat van rechtswege vergunning is verleend voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan in de vorm van de verkoop van consumentenvuurwerk ter plaatse gedurende de drie dagen direct voorafgaand aan de jaarwisseling. Daarom is de termijn voor derden om bezwaar te maken ook nog niet gaan lopen. Ingevolge artikel 6.1, vierde lid, van de Wabo is de werking van de omgevingsvergunning opgeschort totdat de bezwaartermijn ongebruikt is verstreken of op het bezwaar (als dat wordt gemaakt) is beslist. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de opschorting met toepassing van artikel 6.1, vierde lid van de Wabo op te heffen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2015/51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 14/4230 en SHE 14/3389

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 december 2014 in de zaak tussen

[verzoekster], te [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. P.J.M. Boomaars),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, verweerder

(gemachtigde: mr. T.J.A. Peels).

Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2013 (het eerste primaire besluit) heeft verweerder besloten een aanvraag van verzoekster om een omgevingsvergunning voor het bouwen van twee opslagplaatsen voor consumentenvuurwerk ten behoeve van het entertainmentbedrijf van eiseres aan [adres] te Eindhoven (hierna: de locatie) niet in behandeling te nemen.

Bij besluit van 20 december 2013 (het tweede primaire besluit) heeft verweerder besloten de aanvraag van verzoekster om een omgevingsvergunning voor het bouwen van twee opslagplaatsen voor consumentenvuurwerk ten behoeve van het entertainmentbedrijf van verzoekster op de locatie, alsmede overige activiteiten waaronder de verkoop ter plaatse van consumentenvuurwerk op 29, 30 en 31 december, af te wijzen.

Bij besluit verzonden op 25 augustus 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster gericht tegen het tweede primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het eerste primaire besluit herroepen, aangegeven dat er op 21 november 2013 een omgevingsvergunning van rechtswege is ontstaan voor het bouwen van twee opslagplaatsen voor consumentenvuurwerk ten behoeve van het entertainmentbedrijf van verzoekster aan de locatie en de aanvraag van verzoekster voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan afgewezen.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen strekkende om verzoekster te behandelen als ware hij in het bezit van een vergunning voor de verkoop van consumentenvuurwerk met inbegrip van de normaliter hieraan te verbinden voorschriften.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2014. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en A.M.W.A.M. van der Linden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit voor zover hierbij de weigering van een omgevingsvergunning is gehandhaafd voor het gebruik in afwijking van het bestemmingsplan in de vorm van de verkoop van consumentenvuurwerk op de locatie gedurende de drie dagen direct voorafgaand aan de jaarwisseling en laat het bestreden besluit in stand voor zover hierbij omgevingsvergunning voor het gebruik in afwijking van het bestemmingsplan voor de overige activiteiten is geweigerd;

 verklaart het bezwaar tegen het bestreden besluit gedeeltelijk gegrond, herroept het tweede primaire besluit voor zover hierbij vergunning is geweigerd voor het gebruik in afwijking van het bestemmingsplan voor zover het betreft de verkoop van consumentenvuurwerk op de locatie gedurende de drie dagen direct voorafgaand aan de jaarwisseling, bepaalt dat voor dit gebruik van rechtswege vergunning is verleend en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd;

 heft bij wijze van voorlopige voorziening de opschorting van de van rechtswege verleende vergunning voor het bouwen van twee opslagplaatsen voor consumentenvuurwerk en de verkoop van consumentenvuurwerk op de locatie gedurende de drie dagen direct voorafgaand aan de jaarwisseling op;

 wijst het verzoek om voorlopige voorziening voor het overige af;

 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 656,00 aan verzoekster te vergoeden;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 2.435,00 te betalen aan verzoekster.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling uit van de navolgende feiten en omstandigheden. Op 20 augustus 2013 heeft onder meer Van der Linden namens verzoekster een gesprek gehad met medewerkers van verweerders gemeente. Op 17 september 2013 heeft verweerder van verzoekster een aanvraagformulier voor een omgevingsvergunning ontvangen. Op het aanvraagformulier wordt het project omschreven als realisatie van een tweetal opslagplaatsen voor consumentenvoorwerk ten behoeve van het entertainmentbedrijf. Als bijlage bij de aanvraag is gevoegd het ‘definitief uitgangspuntendocument nr. AML/1303-005-a’ (verder het UPD). In het UPD wordt duidelijk aangegeven dat verzoekster via internet consumentenvuurwerk verkoopt aan particulieren dat tijdens de drie dagen direct voorafgaand aan de jaarwisseling ter beschikking wordt gesteld aan de consument. In het UPD wordt melding gemaakt van de verkoopruimte voor consumentenvuurwerk. Op 14 oktober 2013 heeft verweerder aanvullende informatie verzocht, meer in het bijzonder over de exacte bedrijfsactiviteiten omdat verweerder heeft geconstateerd dat in het milieumeldingsformulier wordt gesproken over een verkoopruimte voor consumentenvuurwerk en in het aanvraagformulier omgevingsvergunning over opslagruimten. In een brief van 21 oktober 2013 heeft verzoekster haar eerdere aanvraag op verzoek van verweerder aangevuld respectievelijk verduidelijkt. In de brief staat onder andere vermeld dat een omgevingsvergunning wordt gevraagd voor twee (inpandige) vuurwerkopslagplaatsen (een bewaarplaats en een bufferbewaarplaats) voor consumentenvuurwerk. Dat kan worden afgenomen op de locatie gedurende de drie dagen direct voorafgaand aan de jaarwisseling. Verder wordt aangegeven dat het bedrijf ook handelsactiviteiten in de vorm van internetverkoop van handelsgoederen wil gaan ondernemen.

2. Na het eerste primaire besluit heeft de behandelend ambtenaar de aanvraag inclusief aanvulling alsnog in behandeling genomen. Dit is niet schriftelijk bevestigd.

3. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de aanvraag van verzoekster door middel van de brief van 21 oktober 2013 wezenlijk is uitgebreid met de aanvraag van gebruik in strijd met het bestemmingsplan, namelijk detailhandel ter plaatse in de vorm van de driedaagse verkoop van consumentenvuurwerk ter plaatse en internetverkoop. De voorzieningenrechter begrijpt verweerder aldus dat verweerder de brief van 21 oktober 2013 als een nieuwe aanvraag heeft beschouwd en binnen de daarvoor geldende beslistermijn deze nieuwe aanvraag heeft afgewezen.

4. De voorzieningenrechter verstaat het tweede primaire besluit als een wijziging van het eerste primaire besluit en daarmee als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verzoekster heeft wel geprotesteerd tegen het eerste primaire besluit en aangegeven dat dit besluit berust op een vergissing. Bovendien had verzoekster al in een brief van 8 november 2013 aangegeven dat de brief van 21 oktober 2013 op 24 oktober 2013 door verweerder was ontvangen. De aanvraag is vervolgens inhoudelijk behandeld. De voorzieningenrechter houdt het ervoor dat verweerder dit heeft willen bevestigen in het bestreden besluit door het herroepen van het eerste primaire besluit. Het subsidiaire standpunt van verweerder dat ten tijde van het tweede primaire besluit het eerste primaire besluit nog niet was gewijzigd en dat daardoor geen sprake was van een verstreken beslistermijn volgt de voorzieningenrechter niet. In het dossier valt niets ter ondersteuning van dit standpunt te vinden. Bovendien zou dit standpunt tot gevolg hebben dat verzoekster geen aanspraak zou kunnen maken op de van rechtswege verleende vergunning die wordt genoemd in het bestreden besluit en in een nadeliger positie geraken.

5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster in de aanvraag naast de activiteit bouwen ook aangegeven dat zij voornemens was om ter plaatse gedurende de drie dagen direct voorafgaand aan de jaarwisseling consumentenvuurwerk te verkopen. Dit staat duidelijk in het UPD en dat was een bijlage bij de aanvraag. Omdat reeds melding wordt gemaakt van dit voornemen in de aanvraag voor de omgevingsvergunning, kan de brief van 21 oktober 2013 in zoverre niet worden gezien als een wijziging van de aanvraag. Daarom kan overigens ook in het midden kan blijven of het UPD daadwerkelijk is overhandigd tijdens het gesprek op 20 augustus 2013. In de brief van 21 oktober 2013 wordt voor het eerst melding gemaakt van handelsactiviteiten in de vorm van internetverkoop van handelsgoederen. De voorzieningenrechter beschouwt deze toevoeging wel als een wijziging van de aanvraag. Dit is geen niet-ingrijpende wijziging van de aanvraag. De brief van 21 oktober 2013 moet, voor wat betreft de nieuwe activiteit, als een nieuwe aanvraag worden beschouwd.

6. Het in de aanvraag vermelde voorgenomen gebruik in de vorm van de driedaagse verkoop van consumentenvuurwerk is te beschouwen als detailhandel en in strijd met het bestemmingsplan. Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wordt de aanvraag tevens aangemerkt als een aanvraag voor toestemming voor dit gebruik in strijd met het bestemmingsplan. Voor dit gebruik kan een vergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid onder a sub 2 van de Wabo in samenhang met artikel 4, negende lid, bijlage II van het Besluit omgevingsrecht worden verleend met een reguliere voorbereidingsprocedure. Als gevolg van het verstrijken van de geldende beslistermijn is daarom ook vergunning van rechtswege verleend voor het in de aanvraag vermelde voorgenomen gebruik. Verweerder heeft dit miskend in het bestreden besluit. In zoverre komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Voorts bestaat aanleiding het bezwaar van verzoekster tegen het tweede primaire besluit in zoverre gegrond te verklaren en het tweede primaire besluit te herroepen voor zover hierbij vergunning is geweigerd voor het gebruik in afwijking van het bestemmingsplan voor zover het betreft de verkoop van consumentenvuurwerk op de locatie gedurende de drie dagen direct voorafgaand aan de jaarwisseling. Verweerder was ten tijde van het tweede primaire besluit namelijk niet bevoegd op dit onderdeel van de aanvraag te beslissen omdat de vergunning op dat moment van rechtswege was verleend. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd.

7. Op het moment van het tweede primaire besluit was de geldende beslistermijn voor de nieuwe activiteit (die pas op 21 oktober 2013 was gemeld) niet verstreken en was verweerder bevoegd om hierover inhoudelijk te beslissen. Omdat verzoekster niet heeft gemotiveerd in bezwaar of beroep waarom het tweede primaire besluit ten aanzien van deze nieuwe activiteit onrechtmatig is, heeft verweerder in het bestreden besluit het tweede primaire besluit in zoverre kunnen handhaven.

8. Ter zitting is niet duidelijk geworden of verweerder de, in het bestreden besluit genoemde, vergunning van rechtswege heeft bekendgemaakt. In ieder geval heeft verweerder niet bekend gemaakt dat van rechtswege vergunning is verleend voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan in de vorm van de verkoop van consumentenvuurwerk ter plaatse gedurende de drie dagen direct voorafgaand aan de jaarwisseling. Daarom is de termijn voor derden om bezwaar te maken ook nog niet gaan lopen. Ingevolge artikel 6.1, vierde lid, van de Wabo is de werking van de omgevingsvergunning opgeschort totdat de bezwaartermijn ongebruikt is verstreken of op het bezwaar (als dat wordt gemaakt) is beslist.

9. In artikel 6.1, vierde lid, van de Wabo is ook bepaald dat de vergunninghouder de voorzieningenrechter van de rechtbank kan verzoeken de opschorting op te heffen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de opschorting op te heffen. De voorzieningenrechter heeft verzoekster ter zitting er op gewezen dat derden bezwaar kunnen maken tegen de van rechtswege verleende vergunning (na bekendmaking daarvan) en dat verzoekster handelt voor eigen risico. De voorzieningenrechter ziet gelet het bovenstaande geen aanleiding een andere voorlopige voorziening te treffen en wijst het verzoek daartoe voor het overige af.

10. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster de door haar betaalde griffierechten in de voorlopige voorzieningenprocedure en de bodemprocedure vergoedt. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten in de bezwaar- en beroepsfase. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.435,- (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op een hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487, - en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.A.C. Spoormakers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2014.

De griffier is buiten staat voorzieningenrechter

deze uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.