Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:7887

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
01/845278-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zijn zus van het leven beroofd door haar met een snoer te wurgen. De rechtbank kwalificeert deze handeling als doodslag. Verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht jaar. Tevens wordt hem de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845278-13

Datum uitspraak: 24 december 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1977],

thans preventief gedetineerd in PPC Vught, 5263 NT Vught, Lunettenlaan 501.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 juli 2013, 8 oktober 2013, 23 december 2013, 7 maart 2014, 2 mei 2014, 2 juli 2014, 17 september 2014 en 10 december 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 11 juni 2013.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 10 december 2014 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 16 april 2013 tot en met 17 april 2013 te

's-Hertogenbosch, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die
[slachtoffer] verwurgd door een snoer meermalen, althans eenmaal om de hals van die
[slachtoffer] te wikkelen en/of vervolgens aan te trekken en/of aangetrokken te houden, waardoor de luchtwegen van die [slachtoffer] werden afgesloten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

[artikel 289/287 Wetboek van Strafrecht]

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag. De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, zodat verdachte van de impliciet primair ten laste gelegde moord moet worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad en verzoekt de rechtbank om verdachte vrij te spreken van de hem impliciet primair ten laste gelegde moord.

De verdediging deelt het standpunt van de officier van justitie dat de impliciet subsidiair aan verdachte ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Het oordeel van de rechtbank.

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting1, het proces-verbaal onderzoek Plaats Delict2 en het sectierapport3, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 17 april 2013 opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door haar te verwurgen. Verdachte heeft daartoe een snoer meermalen om de hals van [slachtoffer] gewikkeld en dit snoer vervolgens aangetrokken, waardoor de luchtwegen van die Koudad werden afgesloten, ten gevolge waarvan zij is overleden.

De rechtbank acht, met de officier van justitie en de raadsman, voorbedachte raad niet bewezen, nu niet vastgesteld kan worden dat verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Dit leidt, gelet op wat hiervoor is overwogen, tot de conclusie dat de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen is.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 17 april 2013 te 's-Hertogenbosch opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] verwurgd door een snoer meermalen om de hals van die [slachtoffer] te wikkelen en vervolgens aan te trekken, waardoor de luchtwegen van die [slachtoffer] werden afgesloten, ten gevolge waarvan voornoemde
[slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft – kort weergegeven – bepleit dat, bij twijfel over de aanwezigheid van een mogelijke psychose bij verdachte ten tijde van het plegen van het delict, er in het voordeel van verdachte van moet worden uitgegaan dat verdachte het delict heeft gepleegd onder invloed van een psychose. In dat geval dient verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar te worden beschouwd en van alle rechtsvervolging ontslagen te worden.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar de rapporten van de psychiater en de psycholoog en hetgeen door deze deskundigen ter zitting is verklaard, geen algehele maar verminderde toerekeningsvatbaarheid aangevoerd en gesteld dat verdachte wel strafbaar is.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht voor de beoordeling van het verweer de toestand en de verklaringen van verdachte vóór en na het delict van belang alsmede de bevindingen van de geraadpleegde gedragsdeskundigen daarover.

Verdachte is op 16 april 2013 aangehouden op verdenking van diefstal van sieraden van zijn zus. Hoewel hij bij zijn aanhouding een erg verwarde indruk maakte, gedroeg verdachte zich volgens hulpofficier van justitie A.P.M. Pelders bij de voorgeleiding rustig in woord en gedrag en volgens arrestantenverzorger J.P.W.M. van Zutphen was verdachte, gedurende zijn oponthoud op het politiebureau, heel netjes en beleefd.

Op 23 april 2013, derhalve binnen een week na het plegen van het delict, is verdachte door justitieel forensisch psychiater M.P. Boers gezien ten behoeve van het bepalen van de detentiegeschiktheid en de indicatiestelling voor een eventueel nader onderzoek naar de geestvermogens. Verdachte heeft tijdens dit consult aangegeven dat hij na zijn laatste detentie vanwege een psychose, een jaar opgenomen is geweest binnen de FPA te Vught. Hij kreeg hierbij medicatie in de vorm van Zyprexa. Verder heeft verdachte op 23 april 2013 aangegeven dat hij deze medicatie niet nodig heeft en ook niet gebruikt en hij heeft gezegd gezond te zijn. Psychiater Boers heeft geconcludeerd dat uit het onderzoek met name aanwijzingen naar voren komen voor een scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling, verslavingsproblematiek en alcoholmisbruik. Gedurende het onderzoek op 23 april 2013 zijn volgens de psychiater geen evident psychotische waarnemingsstoornissen naar voren gekomen.

Verdachte heeft in de verhoren die plaatsvonden nadat hij op 17 april 2013 in verband met de dood van zijn zus was aangehouden ontkend betrokken te zijn geweest bij haar dood.

Een jaar later, op 5 juni 2014, heeft verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij zijn zus heeft gedood en dat hij voorafgaande, ten tijde en na afloop van het door hem gepleegde delict wel psychotisch was en dat hij onder invloed van drank, drugs en de psychose zijn zus heeft gedood. Verdachte heeft toen verklaard dat hij stemmen hoorde en opdrachten kreeg, bijvoorbeeld om drugs te gebruiken maar dat deze opdrachten géén betrekking hadden op zijn zus. Ook tijdens het uitgebreide politieverhoor dat op 4 juli 2014 plaatsvond in aanwezigheid van de raadsman van verdachte en een recherchepsychologe, heeft verdachte niet verklaard dat hij stemmen hoorde die hem opdroegen zijn zus te doden.

Op 6 oktober 2014 heeft de psychiater dr. A.L. van Bemmel, onder supervisie van dr. P.J.A. van Panhuis (psychiater NRGD) een rapport omtrent verdachte uitgebracht. De conclusie luidt, zakelijk weergegeven:

Betrokkene functioneert op een licht tot matig zwakzinnig niveau. Tevens is er sprake van een antisociale persoonlijkheid, cannabisafhankelijkheid en alcoholafhankelijkheid. Waarschijnlijk is er sprake van “drug induced psychosis”. Op basis van het onderzoek en de beschikbare gegevens is het agressieve gedrag van betrokkene ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde deels veroorzaakt door fors alcohol- en drugsgebruik in combinatie met zijn persoonlijkheidskenmerken en beperkte intelligentie. Het agressieve gedrag van betrokkene dat leidde met name tot de dood van zijn zus kan deels verklaard worden uit zijn stoornissen.

Dat geschiedde doordat de waarneming en interpretatie van betrokkene van de realiteit tijdens het ten laste gelegde overheerst werd door zijn beperkte intelligentie en fors gebruik van alcohol en drugs in combinatie met zijn persoonlijkheidskenmerken. Dat geschiedde in grote mate, hij beschikte niet over alternatieve interpretaties van de gebeurtenissen en derhalve beschikte hij niet over gedragsalternatieven. Maar gezien zijn voorgeschiedenis was hij evenwel op de hoogte van de risico’s die hij liep bij het alcohol- en drugsgebruik.
Op basis van deze psychiatrische overwegingen wordt geadviseerd het ten laste gelegde betrokkene ten dele niet toe te rekenen.

Op 15 oktober 2014 heeft de GZ-psycholoog R.J.A. van Helvoirt een rapport omtrent verdachte uitgebracht. De conclusie luidt, zakelijk weergegeven:

Er is bij betrokkene sprake van een psychotische stoornis niet anderszins omschreven. Daarnaast kan een afhankelijkheid van cocaïne, cannabis en alcohol geclassificeerd worden naast zwakbegaafdheid en een persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale en narcistische kenmerken.

Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde.

De ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedde onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde voor wat betreft de psychotische problematiek, de verslavingsproblematiek en de persoonlijkheidsproblematiek.

Wat gesteld kan worden op basis van alle voorhanden zijnde informatie, is dat betrokkene wanneer het in psychiatrisch opzicht beter met hem gaat, hij geneigd is om zijn eigen mogelijkheden op verschillende levensgebieden te overschatten. Hij trekt op dergelijke momenten meer zijn eigen plan en bepaalt meer zijn eigen koers. Dit vanuit zijn persoonlijkheid. Daarnaast is naar voren gekomen dat wanneer hij stopt met zijn medicatie, zoals dat ook in februari 2013 het geval was, dat dan

zijn psychische conditie verslechtert. Betrokkene is als gevolg hiervan niet meer te hanteren in het begeleid wonen traject en wordt er uitgezet. Dit vanwege onder andere overlastgevend gedrag en het zich niet houden aan de gestelde regels. Wanneer betrokkene stopt met het gebruik van medicatie en middelen daarbij gaat gebruiken, ging dat in het verleden vaak gepaard met oninvoelbaar, dreigend en agressief gedrag. Niet alleen blijkt dit uit de eerder opgemaakte rapportages Pro Justitia. Ook komt dit naar voren uit de opgevraagde informatie vanuit het PPC Vught, waar betrokkene niet lang na zijn aanhouding d.d. 20 april 2013 is geplaatst. Middelengebruik zorgt er met andere woorden voor dat betrokkenes toestandsbeeld op een dergelijk moment verder verslechtert. Deze combinatie van factoren, te weten het gestopt zijn met zijn medicatie waarna vervolgens zich een psychotisch toestandsbeeld ontwikkeld heeft met bijkomend middelengebruik wat een verder ontregelende werking heeft, is ook wat speelde voorafgaand aan het huidige ten laste gelegde. Deze factoren hebben dan ook doorgewerkt in het huidige ten laste gelegde feit indien bewezen, al blijft het zoals eerder vermeld lastig de precieze mate van doorwerking helder te krijgen. Op basis van dit onderzoek zijn er te weinig duidelijke en evidente gedragskundige aanwijzingen en bouwstenen dat betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde geheel niet meer in staat was om zijn wil in vrijheid te bepalen. Opdrachtgevende stemmen om zijn zus [slachtoffer] iets

aan te doen, worden door betrokkene ontkend en evenmin zegt hij boos te zijn geweest op zijn zus. Ten aanzien van de mate van toerekeningsvatbaarheid wordt geadviseerd om betrokkene te beschouwen als verminderd toerekeningsvatbaar.

Pas ter zitting van 10 december 2014 heeft verdachte verklaard dat hij in de (korte) periode voorafgaande aan het delict stemmen hoorde die hem opdrachten gaven om zijn zus iets aan te doen.

Desgevraagd stellen zowel psycholoog Van Helvoirt als psychiater Van Bemmel voornoemd ter zitting dat verdachte ten overstaan van hen, ondanks daarover specifiek en uitgebreid bevraagd te zijn, nimmer heeft gesproken over het horen van stemmen en het krijgen van opdrachten met betrekking tot zijn zus. Voorts stellen zij dat er ook verder geen aanwijzingen zijn dat er ten tijde van het plegen van het delict bij verdachte sprake was van een psychose waaruit verdachtes gedrag volledig of in overwegende mate verklaard kan worden, zoals bijvoorbeeld visuele hallucinaties of gevoelens van angst bij verdachte.

Het verweer van verdachte, dat hij niet eerder met de psychiater en psycholoog heeft gesproken over het horen van stemmen en het krijgen van opdrachten met betrekking tot zijn zus, omdat er te weinig tijd zou zijn geweest om dit met de deskundigen te bespreken, overtuigt de rechtbank niet, omdat het de kern van de zaak betreft. Beide deskundigen hebben ter zitting verklaard meerdere gesprekken met verdachte te hebben gevoerd. Dit blijkt ook uit de door hen opgestelde rapportages. Verder hebben beide deskundigen, zoals hiervoor al opgemerkt, verklaard verdachte over dit specifieke punt uitvoerig te hebben bevraagd. Daar komt bij dat verdachte tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 5 juni 2014 over een psychose spreekt ten tijde van het ten laste gelegde, maar dat hij in dat verband ten aanzien van het slachtoffer geen opdracht had.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het niet aannemelijk is geworden dat verdachte zodanig psychotisch is geweest ten tijde van het plegen van het delict, dat daaruit zijn handelen geheel kan worden verklaard.

Voor de conclusie dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht, bestaat aldus en ook mede gelet op de rapporten van de psychiater en de psycholoog en het verhandelde ter zitting, geen grond. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer dienaangaande.

De rechtbank neemt aldus, gelet op het vorenstaande, de conclusies van de deskundigen ten aanzien van de mate van toerekeningsvatbaarheid over en maakt deze tot de hare.

Ook overigens zijn er geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, en terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft subsidiair een aanmerkelijke matiging van de geëiste gevangenisstraf alsmede een terbeschikkingstelling met voorwaarden bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft op een gruwelijke wijze zijn zus van het leven beroofd. Verdachte heeft aan het slachtoffer het kostbaarste bezit, het leven, ontnomen. Aan diverse nabestaanden van het slachtoffer, onder wie haar kinderen, is hierdoor onherstelbaar leed aangedaan. Feiten als het onderhavige dragen een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en hebben ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer gevoelens van angst en onveiligheid teweeg gebracht.

De rechtbank zal in strafmatigende zin rekening houden met de omstandigheid dat, zoals hiervoor overwogen, het feit in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

De rechtbank zal dezelfde straf opleggen als de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de gevorderde straf in overeenstemming is met de ernst van het bewezen verklaarde feit en daarbij betrokken is de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf van lange duur.

Oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling.

Zoals hiervoor overwogen gaat de rechtbank, verwijzend naar de hiervoor aangehaalde passages uit de rapportages van de deskundigen en het verhandelde ter zitting, uit van een verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het plegen van het delict.

Op 6 oktober 2014 heeft de psychiater dr. A.L. van Bemmel, onder supervisie van dr. P.J.A. van Panhuis (psychiater NRGD) een rapport omtrent verdachte uitgebracht. De conclusie ten aanzien van het recidivegevaar en het advies luiden, zakelijk weergegeven:

Het functioneren van betrokkene op licht tot matig zwakzinnig niveau, zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis en psychopathie in combinatie met het stellig (blijven) bagatelliseren van zijn bijdrage aan het ten laste gelegde zal bij het voortbestaan opnieuw aanleiding kunnen geven tot soortgelijke of andere strafbare feiten als waarvan betrokkene nu verdacht wordt. Het is zeer waarschijnlijk dat het forse alcohol- en drugsgebruik bij betrokkene tot ernstige geweldsdelicten kan leiden. Bij geen verandering in zijn probleemgedrag zal betrokkene een groot gevaar blijven vormen voor personen.
Er wordt geadviseerd dat betrokkene een intensieve en langdurige behandeling en gedragsbeïnvloeding ondergaat die gericht is op zijn persoonlijkheidsproblematiek die rekening houdt met zijn forse intellectuele beperkingen. Omdat een vrijwillige deelname aan zo’n interventie bij herhaling niet mogelijk is gebleken, wordt geadviseerd een klinische behandeling gedwongen op te leggen. Deze behandeling dient plaats te vinden met een hoge zorgintensiteit en een hoog beveiligingsniveau binnen een forensische psychiatrische instelling met expertise in de behandeling van de combinatie van SGLVG-problematiek met persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek. Wegens het grote maatschappelijke gevarenrisico wordt geadviseerd dit te laten plaatsvinden in het juridische kader van een terbeschikkingstelling met verpleging.

Op 15 oktober 2014 heeft de GZ-psycholoog R.J.A. van Helvoirt een rapport omtrent verdachte uitgebracht. De conclusie ten aanzien van het recidivegevaar en het advies luiden, zakelijk weergegeven:

Zijn psychotische kwetsbaarheid met alle eerder genoemde gedragskenmerken is de belangrijkste risicofactor tezamen met zijn middelenafhankelijkheid. Daarnaast de persoonlijkheidsproblematiek van betrokkene waardoor hij geneigd is zijn eigen mogelijkheden te overschatten. Het ontbreken van een vaste dagbesteding met voldoende sociaal toezicht en controle werkt verder risicoverhogend.

Deze factoren beïnvloeden elkaar. Vanwege onvoldoende ziektebesef en -inzicht en de neiging om de ernst van zijn eigen problematiek te onderschatten, is betrokkene gebaat bij een goede dagstructuur en voldoende toezicht en controle. Echter in periodes dat hij psychosevrij is, is hij geneigd om meer zijn eigen weg te gaan en staat hij minder open voor begeleiding en controle. Het ontbreken daarvan zorgt er echter wel voor dat betrokkene uit het zicht van behandelaren en begeleiders verdwijnt, waardoor zijn psychische conditie verslechtert.

De comorbide problematiek van betrokkene dient intensief behandeld te worden middels onder andere psycho-educatie afgestemd op zijn verstandelijke vermogens en farmacotherapie. Daarbij dient opgemerkt te worden dat betrokkene binnen deze behandeling lang gevolgd en gemonitord moet kunnen worden. Dit omdat hij geneigd is zijn eigen kwetsbaarheden te onderschatten en, in het verlengde daarvan, zijn eigen mogelijkheden te overschatten. Dit is herhaaldelijk gebleken in het verleden. Het feit dat betrokkene nu zegt doordrongen te zijn van het besef dat hij zijn medicatie moet blijven gebruiken, is iets wat in het verleden ook meerdere malen is opgetekend, maar wat er niet toe heeft geleid dat hij zijn medicatie ook is blijven gebruiken. Meerdere keren is hij er tegen advies van behandelaren mee gestopt, met de laatste keer het ten laste gelegde indien bewezen tot gevolg. Er dient dus sprake te zijn van een stevig en langer durend juridisch kader waarbij ingegrepen kan worden indien betrokkenes psychische conditie minder stabiel wordt en hij vanuit een psychose komt tot voor anderen gevaarlijk gedrag. Dit gegeven in combinatie met het hoge gevaar op recidive zoals onderbouwd middels de HKT-30 (zie kopje ‘risicoprognose’ voor details), maakt dat geadviseerd wordt om aan betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging

van overheidswege op te leggen. Een andere maatregel, los van het feit of dat juridisch mogelijk is, biedt onvoldoende garantie vanuit gedragskundig oogpunt om het gevaar op recidive te verkleinen op de langere termijn.

De rechtbank neemt de bovenstaande conclusies en adviezen over en maakt deze tot de hare. Met de psycholoog en de psychiater is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk maakt.

De rechtbank overweegt voorts dat is voldaan aan de formele voorwaarden om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Het hierna te kwalificeren feit betreft een misdrijf waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.

Voorts merkt de rechtbank op dat het een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte ter beschikking stellen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen de inhoud van de overige adviezen en rapporten die over de persoonlijkheid van verdachte zijn uitgebracht en de ernst van het door hem begane feit.

De oplegging van een terbeschikkingstelling met voorwaarden, zoals bepleit door de raadsman, is gelet op artikel 38, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht niet aan de orde, nu tevens een vrijheidsstraf van meer dan vijf jaren aan verdachte zal worden opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen de verpleging eist.

De rechtbank zal dan ook voorts bevelen dat verdachte van overheidswege verpleegd wordt.

De vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 1] en [betrokkene 2].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie verzoekt de rechtbank om de vorderingen van de benadeelde partijen bij wijze van voorschot tot een bedrag van (ieder) € 15.000,- toe te wijzen, met toepassing van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Ten aanzien van het restant van hun vordering dienen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging voert primair aan dat de vorderingen zich niet lenen voor het strafgeding en dat deze een onevenredige belasting vormen voor het strafproces, zodat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen.

De verdediging voert subsidiair aan dat de vorderingen van de benadeelde partijen afgewezen dienen te worden, nu thans geen sprake is van enige schade, meer specifiek van enig geestelijk letsel naar aanleiding van de dood van [slachtoffer].

Beoordeling.

De rechtbank is van oordeel dat behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, aangezien de vaststelling van de hoogte van de vooralsnog niet voldoende onderbouwde vorderingen ten koste zou gaan van de vlotte afhandeling van de strafzaak, terwijl de benadeelde partijen (bij monde van hun raadsvrouwe) naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen wat zij ter staving van de vorderingen kunnen aanvoeren en daarvan bewijs te leveren. De benadeelde partijen kunnen daarom thans in hun vorderingen niet worden ontvangen en kunnen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 37a, 37b, 287.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Doodslag.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

Gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging.

Verklaart de benadeelde partijen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] niet-ontvankelijk in de vorderingen.

Compenseert de kosten van partijen aldus dat elke partij haar eigen kosten

draagt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,

mr. E.C.P.M. Valckx en mr. C.J. Sangers- de Jong, leden,

in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Cox-Wentholt, griffier,

en is uitgesproken op 24 december 2014.

1 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 10 december 2014.

2 Proces-verbaal onderzoek Plaats Delict, bijlage 4, p. 1171-1255 van TGO “Helike”, opgemaakt d.d. 5 september 2013, aantal pag. 1-1570 (het dossier).

3 Rapport van het NFI betreffende Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, betreffende [slachtoffer], d.d. 7 augustus 2013, bijlage 7b, p. 1292-1306 van het dossier.