Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:7870

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-12-2014
Datum publicatie
22-12-2014
Zaaknummer
01/865029-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zijn dochters en stiefzoon gedurend een periode van in totaal bijna tien jaren vele malen mishandeld. Daarbij was onder andere sprake van slaan (al dan niet met een voorwerp), schoppen en urenlang met de armen omhoog moeten staan. Ook heeft verdachte een aardappelschilmesje naar het hoofd van een van zijn dochters gegooid waarbij zij werd geraakt en een snijwond in haar gezicht opliep.

De rechtbank veroordeelt verdachte hiervoor tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar en 3 maanden waarvan 1 jaar voorwaardelijk met algemene en bijzondere voorwaarden.

De rechtbank bepaalt tevens dat veroordeelde de slachtoffers een schadevergoeding moet betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865029-14

Datum uitspraak: 22 december 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1969],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 december 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 12 november 2014.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 8 december 2014 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 25 april 2008 tot en met 7 juni 2013 te Zeeland, [gemeente], in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk mishandelend zijn kind, althans een persoon, te weten [slachtoffer 1] (geboren [2000]), (met kracht) met de vuist en/of vlakke hand tegen het gezicht en/of lichaam

heeft geslagen en/of gestompt en/of die [slachtoffer 1] met een pollepel, althans een voorwerp, tegen de handen (palmen) en/of de (onderzijde van de) voeten heeft geslagen en/of die [slachtoffer 1] (urenlang) met de armen omhoog heeft laten staan, waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, zulks terwijl voorstaand(e) feit(en) is/zijn gepleegd tegen zijn kind, een kind over wie hij het gezag uitoefent of een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin;

(artikel 304 van het wetboek van strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 20 maart 2011 te Zeeland, [gemeente], in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn kind [slachtoffer 1] (geboren op [2000]) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (vanaf korte afstand) een (aardappelschil)mesje heeft gegooid naar het hoofd van die [slachtoffer 1] (ten gevolge waarvan dit mesje een (snij)wond in het gezicht heeft veroorzaakt), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, zulks terwijl voorstaand feit is gepleegd tegen zijn kind, een kind over wie hij het gezag uitoefent of een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin;

(artikel 302 jo 45 van het wetboek van strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 maart 2011 te Zeeland, [gemeente], opzettelijk mishandelend zijn kind [slachtoffer 1] (geboren op [2000], (vanaf korte afstand) een (aardappelschil)mesje naar het hoofd heeft gegooid (ten gevolge waarvan er een (snij)wond in haar gezicht is ontstaan), waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 304 van het wetboek van strafrecht)

3.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 12 augustus 2011 te Zeeland, [gemeente], in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk mishandelend zijn kind, althans een persoon, te weten [slachtoffer 2] (geboren [1999]), (met kracht) met de vuist en/of vlakke hand tegen haar gezicht en/of lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of die [slachtoffer 2] met een messenslijper/een stalen staaf, althans een voorwerp en/of een pollepel tegen haar handen (palmen) en/of de (onderzijde van haar) voeten heeft geslagen en/of die [slachtoffer 2] (urenlang) met haar armen omhoog heeft laten staan en/of die [slachtoffer 2] (met kracht) bij haar arm(en) heeft vastgepakt en/of die [slachtoffer 2] met een stok/bezemsteel tegen haar lichaam heeft geslagen, waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, zulks terwijl voorstaand(e) feit(en) is/zijn gepleegd tegen zijn kind, een kind over wie hij het gezag uitoefent of een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin;

(artikel 304 van het wetboek van strafrecht)

4.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 13 september 2003 tot en met 27 maart 2009 te Zeeland, [gemeente], in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer 3] (geboren [1996]), (met kracht) met de vlakke hand en/of de vuist tegen het gezicht en/of het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of die [slachtoffer 3] met een messenslijper/ijzeren staaf tegen zijn handen (palmen) en/of de (onderzijde van zijn) voeten heeft geslagen en/of die [slachtoffer 3] (urenlang) met zijn handen omhoog heeft laten staan en/of die [slachtoffer 3] tegen zijn lichaam heeft geschopt, waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, zulks terwijl voorstaand(e) feit(en) is/zijn gepleegd tegen zijn kind, een kind over wie hij het gezag uitoefent of een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin;

(artikel 304 van het wetboek van strafrecht)

5.

hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 27 maart 2009 te Zeeland, [gemeente], in elk geval in Nederland aan een persoon genaamd [slachtoffer 3] (geboren [1996]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een brandwond aan de linker hand), heeft toegebracht, door opzettelijk (gedurende een paar minuten, althans enige tijd) een brandende aansteker, althans open vuur, onder en/of tegen en/of dicht bij de hand van die [slachtoffer 3] te houden (ten gevolge waarvan een (blijvend) litteken is ontstaan), zulks terwijl voorstaand feit is gepleegd tegen zijn kind, een kind over wie hij het gezag uitoefent of een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin;

(artikelen 302 jo 304 van het wetboek van strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 27 maart 2009 te Zeeland, [gemeente], in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 3] (geboren [1996]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (een paar minuten, althans enige tijd) een brandende aansteker, althans open vuur onder en/of tegen en/of dicht bij de hand van die [slachtoffer 3] heeft gehouden (ten gevolge waarvan een brandwond en/of een litteken is ontstaan), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, zulks terwijl voorstaand feit is gepleegd tegen zijn kind, een kind over wie hij het gezag uitoefent of een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin;

(artikel 302 jo 45 en 304 van het wetboek van strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen. De officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het onder feit 1, feit 2 primair, feit 3, feit 4 en feit 5 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft geconcludeerd tot vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten.

Het oordeel van de rechtbank.1

De rechtbank baseert haar oordeel over de feitelijke gang van zaken op de navolgende bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 1.

Het proces-verbaal van aangifte gedaan door [slachtoffer 1] op 31 juli 20132:

Ik ben [slachtoffer 1], geboren op [2000]. Ik doe aangifte van mishandeling, gepleegd op het adres [adres] te [woonplaats], binnen de [gemeente]. Het geweld dat op mij werd uitgeoefend veroorzaakte pijn en/of letsel. Ik verklaar daarover het volgende.

Mijn vader is [verdachte]. De eerste herinnering dat mijn vader mij geslagen heeft, was ik ongeveer acht jaar oud. Ik kreeg toen straf van mijn vader. Hij gaf mij als bevel dat ik tegen de muur moest gaan staan. Ik moest de hele avond en nacht staan met mijn armen omhoog tegen de muur van de woonkamer naast de deur van de hal. Iedere keer als ik bewoog, sloeg mijn vader met zijn handen mij op een van mijn beide armen.

Ik hoorde dat mijn vader ons beiden, mijn broer [slachtoffer 3] en ik, naar boven riep. Ik moest van mijn vader tegen de muur in de slaapkamer van pappa gaan staan. Ik moest weer met mijn armen omhoog staan. Mijn vader vertelde tegen mijn broer [slachtoffer 3] dat hij mij in de gaten moest houden. Hij moest mijn vader waarschuwen als ik bewoog of in slaap viel. Ik zag dat mijn vader naar bed ging en ging slapen. Na ongeveer een half uur zei [slachtoffer 3] dat ik naar mijn eigen kamer mocht gaan.
Verder sloeg mijn vader mij bijna dagelijks. Hij sloeg mij in mijn gezicht en op mijn schouders. Ook sloeg hij op mijn rug. Hij sloeg dan met zijn vuist, hiermee bedoel ik zijn knokkels, op het midden van mijn rug onder mijn schouderbladen. Als ik een verkeerd product kocht in de winkel of per ongeluk een bord liet vallen of hoorde dat ik ruzie op school had gehad sloeg hij ook. Verder weet ik nog dat mijn vader mij toen ik tien jaar oud was, voordat hij mij opsloot in de kelder, mij nog geslagen heeft.

Verder heb ik toen ik een jaar of 12 was een klap gekregen. Ik had achter de computer gezeten en volgens pappa had ik op een site gezeten waar ik niet mocht komen. Hij sloeg mij op mijn rechter kant van mijn gezicht met de binnenkant van zijn vlakke hand. Hij raakte mij op mijn wang en mijn oor. Ik voelde heel veel pijn op mijn oor en wang. Je kon nog twee dagen zien dat hij daar geslagen had. Het zag er erg rood uit.

Ergens in april of mei van dit jaar was ik met mijn kleine zusje [naam 1] aan het spelen. Ik tilde mijn zusje op en hield haar met twee armen tegen mijn borst geklemd. Ik zag dat pappa zijn open linkerhand ophief. Ik probeerde mijn zusje te beschermen en draaide mijn rug naar hem toe. Ik voelde een klap op mijn rechter schouder. Door de kracht van de klap botste ik met mijn hoofd en schouder tegen de muur in de gang. Dit deed erg pijn. Hierna voelde ik een vuistslag met zijn knokkels op mijn linker schouderblad.

Ik geloof dat het in de avond van 4 juni 2013 was. Ik zag mijn pappa in de deuropening van de schuur staan. Ik zag dat mijn vader erg boos werd. Hij trok mij uit de stoel en ik ging staan. Ik voelde een harde klap van een vuist aan de rechterkant van mijn gezicht. De klap kwam tussen mijn oog en oor ter hoogte van mijn slaap. Door de klap viel ik in de hoek tegen de grond en de muur. Ik voelde pijn op de plaats waar mijn vader mij sloeg. Ik voelde pijn aan de bult. De volgende dag ging ik naar school. Ik heb het die dag tegen mijn meester verteld. De school heeft toen bureau jeugdzorg ingeschakeld. Ik ben vanaf die dag niet meer naar huis gegaan.

Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] op 27 januari 20143:
Mijn vader heeft mij wel eens met een houten lepel geslagen op de binnenkanten van mijn handen. Dat heeft hij diverse malen gedaan. Het deed altijd wel heel erg pijn.

Het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisant [naam verbalisant 1]4:

Uit de 892 pagina’s tellende contactverslagen tussen hulpverlening en (stief)vader betreffende [slachtoffer 1] bleek mij het volgende.

26-06-2009

[slachtoffer 1] was gisteren onder eten op praatstoel. N.a.v. een bericht in de krant over geheimen vertellen, begon [slachtoffer 1] te praten. Zij vertelde dat vader haar, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] strafte door op de binnenkant van de hand te slaan, ook moesten ze met handen omhoog aan de muur staan (en dat was lastig want je kreeg pijn in de armen zo vertelde [slachtoffer 1]).

Het proces-verbaal van verhoor van [naam 2] op 6 januari 20145:

Ik heb met [verdachte] een relatie gehad van de zomer van 2006 tot en met juli 2008. Ik heb samen gewoond met [verdachte] in de woning in [woonplaats]. Hier woonden ook de kinderen van hem te weten [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3]. [verdachte] strafte de kinderen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] door hun handen omhoog te houden. Dit duurde dan wel eventjes. Ik heb dat een aantal keren meegemaakt. [slachtoffer 1] heeft ook met haar handen in de lucht gestaan.

Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 3] op 31 januari 20146:

Ik heb heel vaak gezien dat [slachtoffer 1] geslagen werd. Zo moest ze net als de andere kinderen bij straf in een hoek van de kamer gaan staan met de handen omhoog. Ze moest daar dan soms uren staan. [slachtoffer 1] werd regelmatig op haar handen geslagen door [verdachte]. Dat deed hij met bijvoorbeeld een stuk tuinslang. Ook sloeg hij met zijn handen en vuisten. Bij elke confrontatie kreeg [slachtoffer 1] van [verdachte] klappen met de handen of een stuk tuinslang. Ik hoorde [slachtoffer 1] daarna regelmatig huilen van pijn.

Ten aanzien van feit 2 primair.

Het proces-verbaal van aangifte gedaan door [slachtoffer 1] op 31 juli 20137:
Ik ben [slachtoffer 1], geboren op [2000]. Ik doe aangifte van zware mishandeling of poging daartoe, gepleegd op het adres [adres] te [woonplaats], binnen de [gemeente]. Het geweld dat op mij werd uitgeoefend veroorzaakte bij mij lichamelijk letsel. Ik verklaar daarover het volgende.

Mijn vader is [verdachte]. Toen ik een jaar of elf oud was kreeg ik een aardappelmesje naar mijn hoofd gegooid. Ik stond in de woonkamer. Pappa zat op de bank een meter of 2-3 van mij en schilde fruit. Ik zag dat pappa met zijn linker hand het aardappelmesje naar mij gooide. Ik zag nog dat mijn stiefmoeder pappa probeerde tegen te houden om deze te gooien. Het aardappelmesje raakte mij in mijn gezicht. Ik voelde meteen pijn op mijn wang net onder mijn jukbeen. Ik zag dat ik bloedde. Mijn stiefmoeder deed een pleister op mijn snee. Pappa reed mij samen met mijn stiefmoeder naar het ziekenhuis in Veghel. In het ziekenhuis hebben ze de wond ontsmet en opnieuw een pleister er op geplakt.

Aanvraagformulier medische informatie betreffende [slachtoffer 1], ondertekend door arts [naam arts]op 5 maart 2014 met bijlagen8:

Waargenomen letsel: zie dossier.

Waarneembericht van [waarnemer]te Veghel, nacht/dienst consult op 20 maart 2011. Tijdstip begin: 01:30 en tijdstip einde: 01:40

Klein wondje van minder dan 1cm, linker wang net voor het oor. Wijkt klein beetje. Geplakt met hystoacryl, afgedekt met 1 steristripje.

Ten aanzien van feit 3.

Het proces-verbaal van aangifte gedaan door [slachtoffer 2] op 12 augustus 20139:

Ik ben [slachtoffer 2], geboren op [1999]. Ik doe aangifte van mishandeling, gepleegd op het adres [adres] te [woonplaats], binnen de [gemeente]. Het geweld dat op mij werd uitgeoefend veroorzaakte lichamelijk letsel. Ik verklaar hierover het volgende.

Sinds 2 jaar ben ik woonachtig in een gezinshuis.

Mijn vader is [verdachte].

Ik kan me herinneren, dat ik vanaf mijn vijfde jaar regelmatig tegen de muur van de woonkamer moest gaan staan, met mijn armen omhoog. Soms moest [slachtoffer 1] naast mij komen staan. Wij moesten urenlang zo blijven staan. Als mijn vader en [naam 2] naar bed gingen, moesten wij mee naar boven. In de slaapkamer van mijn vader moesten wij dan weer op dezelfde manier tegen de muur gaan staan. Mijn vader ging dan slapen. Mijn armen deden ontzettend pijn. Ik was erg vermoeid maar durfde niet weg te lopen.

Ik kreeg vaak straf. Soms hield mijn vader mijn hand vast en sloeg met opzet en volle kracht op mijn handpalm. Hij sloeg zowel op mijn linker en rechter handpalm. Vooraf werd verteld dat ik stokslagen zou krijgen. Soms werd mijn hand niet vastgehouden. Dan moest ik beide handen, met de handpalmen naar boven, voor mijn lichaam houden. Vervolgens werd er op mijn handpalmen geslagen. Het was erg pijnlijk. Ik zag dat mijn handpalmen rood/blauw van kleur werden.

Het proces-verbaal van studioverhoor van [slachtoffer 2] op 8 juli 201410:

Ik ben minder vaak op mijn voeten geslagen als op mijn handen. Ik denk dat het drie keer is geweest op mijn voeten. Voor de rest was het altijd op mijn handen eigenlijk. Ik zat dan bijvoorbeeld op mijn knieën of zo en dan sloeg hij op mijn voeten. Ik had op dat moment niks aan mijn voeten. Hij sloeg dan in het midden van mijn voet. Ja echt de onderkant.

Die andere mishandelingen waren gewoon slaan. Als die boos was dan sloeg die gewoon soms echt. Ja, in je gezicht sloeg die dan. Gewoon met zijn hand sloeg hij dan. Die hand was toen hij mij sloeg gewoon plat. Gewoon bitch clap.

Geslagen worden met een houten pollepel is ook wel eens een paar keer gebeurd. Maar niet vaak. Dat was eh, gewoon eh, zo’n roerlepel. Voor in de pan. Zo’n lange. We werden daarmee gewoon op de hand geslagen.

Het proces-verbaal van verhoor van [naam 2] op 6 januari 201411:

Ik heb met [verdachte] een relatie gehad van de zomer van 2006 tot en met juli 2008. Ik heb samen gewoond met [verdachte] in de woning in [woonplaats]. Hier woonden ook de kinderen van hem te weten [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3]. [verdachte] strafte de kinderen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] door hun handen omhoog te houden. Dit duurde dan wel eventjes. Ik heb dat een aantal keren meegemaakt.

De mishandelingen die [verdachte] gepleegd heeft ten opzichte van [slachtoffer 2] waren onmenselijk. Ik heb hem diverse keren [slachtoffer 2] zien slaan. Dit was buiten proporties. Ik heb diverse keren gehoord dat hij [slachtoffer 2] sloeg. Ik hoorde dan [slachtoffer 2] roepen, niet slaan papa, niet doen, niet doen. Als ik dan binnen kwam dan werd het slaan minder. Als [slachtoffer 2] iets verkeerd deed of zei, dan werd ze geslagen. Als ik in de keuken aan het koken was dan hoorde ik [slachtoffer 2] boven schreeuwen papa hou op met slaan, [naam 2] help. Als ik dan boven kwam deelde hij tikken uit die volgens mij niet in verhouding stonden met de klappen die ik daarvoor gehoord had toen ik de trap op kwam. Toen [slachtoffer 2] ooit een keertje onder de douche stond zag ik op haar bovenarm een blauwe plek. Ik vroeg dan hoe ze daar aan kwam en ze vertelde mij dat het het gevolg was van de manier van straffen van haar vader [verdachte]. Ik heb zijn vingers in haar arm zien staan. Ze vertelde mij zelf dat het de vingers van haar vader waren die haar vasthield tijdens het straffen.

Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 3] op 31 januari 201412:

Ik heb heel vaak gezien dat [slachtoffer 1] geslagen werd. Zo moest ze net als de andere kinderen bij straf in een hoek van de kamer gaan staan met de handen omhoog. Ze moest daar dan soms uren staan. [slachtoffer 1] werd regelmatig op haar handen geslagen door [verdachte]. Dat deed hij met bijvoorbeeld een stuk tuinslang. Ook sloeg hij met zijn handen en vuisten. Bij elke confrontatie kreeg [slachtoffer 1] van [verdachte] klappen met de handen of een stuk tuinslang.

[slachtoffer 2] is door [verdachte] mentaal en fysiek beschadigd. Die mentale en fysieke mishandelingen door [verdachte] bestonden uit slaan zoals ik al eerder omschreven heb bij [slachtoffer 1].

Ten aanzien van feit 4.

Het proces-verbaal van aangifte gedaan door [slachtoffer 3] op 31 januari 201413:

Ik ben [slachtoffer 3], geboren op [1996]. Ik doe aangifte van mishandeling. Ik wil beginnen vanaf de leeftijd 7,5 à 8 jaar. Ik woonde toen samen met [slachtoffer 4], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en mijn ex-stiefvader [verdachte] op het adres [adres] te [woonplaats]. Vanaf de leeftijd van 7,5 à 8 jaar herinner ik mij de mishandelingen. Ik werd eigenlijk dagelijks het slachtoffer van fysiek geweld, gepleegd door mijn ex-stiefvader [verdachte]. Met fysiek geweld bedoel ik, het slaan met handen en vuisten op mijn gehele lichaam. Zodra ik een meningsverschil met mijn ex-stiefvader [verdachte] had dan liep dat uit op geweld. Dan kreeg ik klappen, schoppen of tikken waar hij mij maar kon raken. Ik kan geen datum’s noemen want het was dagelijks.

Een andere straf van [verdachte] is het feit dat wij als we iets fout deden soms uren met de armen omhoog tegen de muur aan moesten staan. Als we onze armen naar beneden deden zonder dat dit mocht dan kregen wij iets naar ons hoofd gegooid. Tot ik uit huis geplaatst werd en dat was op 27 maart 2009 ben ik dus eigenlijk dagelijks mishandeld door mijn ex-stiefvader [verdachte]. Ik ben vanaf die datum nooit meer door hem mishandeld.

Het proces-verbaal van verhoor van [naam 2] op 6 januari 201414:
Ik heb met [verdachte] een relatie gehad van de zomer van 2006 tot en met juli 2008. Ik heb samen gewoond met [verdachte] in de woning in [woonplaats]. Hier woonden ook de kinderen van hem te weten [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3]. [verdachte] strafte de kinderen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] door hun handen omhoog te houden. Dit duurde dan wel eventjes. Ik heb dat een aantal keren meegemaakt.

Het proces-verbaal van aangifte gedaan door [slachtoffer 4] op 13 augustus 201315:

Ik ben [slachtoffer 4], geboren op [1992]. Toen ik ongeveer vier jaar was, kreeg mijn moeder [naam 3] een relatie met [verdachte]. Na een tijdje kwam hij bij ons wonen. Rond de tijd dat [verdachte] bij ons kwam wonen, beviel mijn moeder van mijn broertje [slachtoffer 3]. Wij woonden aan de [adres] te [woonplaats].

Ik heb regelmatig gezien dat [verdachte] mijn broertje [slachtoffer 3] mishandelde.

Toen ik ongeveer 10 jaar was, hadden [slachtoffer 3] en ik schijnbaar iets gedaan wat niet mocht. [slachtoffer 3] en ik stonden tegenover elkaar of naast elkaar. [verdachte] stond tussen ons in. Ik zag en voelde dat [verdachte] ons om de beurt een klap gaf. Ik zag en voelde dat hij ons om de beurt met zijn vuist op onze schouder sloeg. [verdachte] sloeg ons met kracht en sloeg steeds harder.

Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 4] op 13 januari 201416:

Ik weet me te herinneren dat mijn stiefvader [verdachte] mijn stiefbroertje, net als bij mij, sloeg met de handen en/of vuisten en trapte met zijn voeten.

De geloofwaardigheid van de verklaringen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [naam 2] (ten aanzien van alle feiten)

Door de verdediging is ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten bepleit dat deze verklaringen onbetrouwbaar en ongeloofwaardig zijn.

De verdediging stelt dat de aangevers oneigenlijke motieven hadden bij het doen van hun aangiftes. Voorts zijn de afgelegde getuigenverklaringen vaag, onduidelijk, niet concreet en kan het gelet hierop niet anders zijn dan dat deze verklaringen in hoofdlijnen op elkaar afgestemd zijn. Daarom moeten de door hen afgelegde verklaringen als ongeloofwaardig worden beschouwd.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank heeft in het dossier geen enkele aanwijzing gevonden dat er sprake zou zijn van onderlinge afstemming van de verklaringen of van een wraakactie of complot tegen verdachte. Het enkele feit dat er, gezien het tijdsverloop tussen de verschillende aangiftes en de afgelegde getuigenverklaringen, feitelijk wel gelegenheid bestond om verklaringen op elkaar af te stemmen, is volstrekt onvoldoende om aan te nemen dat die afstemming ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Ook de inhoud van de verklaringen en de bewoordingen waarin de gebeurtenissen zijn beschreven wijzen niet op zo’n afstemming. Hoewel het beeld van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [naam 2] naar het oordeel van de rechtbank door tijdsverloop enigszins vertekend kan zijn wat betreft de details van de mishandelingen, neemt dit niet weg dat hun lezingen van wat de kinderen is overkomen, in de kern overeenstemmen.

De rechtbank vindt in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting ook geen enkele aanwijzing die aanleiding geeft om de juistheid van de afgelegde verklaringen in twijfel te trekken.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de verklaringen die [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [naam 2] hebben afgelegd betrouwbaar en geloofwaardig zijn en voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Ten aanzien van feit 2 primair

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is om tot een veroordeling ter zake van dit feit te komen. Door niemand wordt immers het verhaal van [slachtoffer 1], dat haar vader een aardappelschilmesje naar haar zou hebben gegooid, bevestigd. Ook blijkt nergens uit dat het wondje het gevolg zou hebben kunnen zijn geweest van het gooien van een mes.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] gedetailleerd en geloofwaardig is. Bepaalde details die zij in haar aangifte noemt - zoals hoe oud ze was toen het onderhavige geweldsincident plaatsvond, de beschrijving van de wond, de locatie van de wond in haar gezicht en bij welk ziekenhuis haar wond is behandeld - komen overeen met voornoemde medische informatie van de behandelend arts. Voorts past het bij [slachtoffer 1] tijdens het consult op 20 maart 2011 geconstateerde letsel bij de geweldshandeling die zij in haar aangifte heeft beschreven.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat er voldoende bewijs is dat verdachte vanaf korte afstand een aardappelschilmesje heeft gegooid naar het hoofd van [slachtoffer 1] ten gevolge waarvan dit mesje een snijwond in haar gezicht heeft veroorzaakt.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door het vanaf korte afstand gooien van een aardappelschilmesje naar het hoofd van [slachtoffer 1] willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat daardoor zwaar letsel bij [slachtoffer 1] zou optreden aan één van de ogen. Een oog is, zoals algemeen bekend is, een kwetsbaar deel van het lichaam en met het vanaf korte afstand gooien van een aardappelschilmesje naar (de voor- of zijkant van) het hoofd is een aanmerkelijke kans op zwaar oogletsel gegeven.

De rechtbank acht de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, terwijl verdachte het misdrijf begaat tegen zijn kind, gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 5 primair en subsidiair

De rechtbank neemt de navolgende bewijsmiddelen in aanmerking.

Het proces-verbaal van aangifte gedaan door [slachtoffer 3] op 31 januari 201417:

Ik ben [slachtoffer 3], geboren op [1996]. Ik doe aangifte van mishandeling. Ik wil beginnen vanaf de leeftijd 7,5 à 8 jaar. Ik woonde toen samen met [slachtoffer 4], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en mijn ex-stiefvader [verdachte] op het adres [adres] te [woonplaats]. Vanaf de leeftijd van 7,5 à 8 jaar herinner ik mij de mishandelingen. Ik werd eigenlijk dagelijks het slachtoffer van fysiek geweld, gepleegd door mijn ex-stiefvader [verdachte].

Zo weet ik mij een voorval te herinneren met een aansteker. Ik had met vuur zitten spelen en [verdachte] kwam thuis. Hij werd boos. Hij pakte mij bij mijn linker arm en pakte vervolgens mijn linkerhand stevig vast. Ik kon deze hand niet meer bewegen. Hierop pakte hij de aansteker, bracht deze tot ontbranding en hield de brandende vlam onder mijn linker hand. Hij hield de aansteker heel lang onder mijn hand. Ik voelde hevige pijn en toen hij de aansteker weg nam en mijn hand los liet zag ik een rode plek op mijn ringvinger welke heel erg zeer deed. Ik moest huilen van de pijn.

Tot ik uit huis geplaatst werd en dat was op 27 maart 2009 ben ik dus eigenlijk dagelijks mishandeld door mijn ex-stiefvader [verdachte]. Ik ben vanaf die datum nooit meer door hem mishandeld.

Het proces-verbaal van aangifte gedaan door [slachtoffer 4] op 13 augustus 201318:

Ik ben [slachtoffer 4], geboren op [1992]. Toen ik ongeveer vier jaar was, kreeg mijn moeder [naam 3] een relatie met [verdachte]. Na een tijdje kwam hij bij ons wonen. Rond de tijd dat [verdachte] bij ons kwam wonen, beviel mijn moeder van mijn broertje [slachtoffer 3]. Wij woonden aan de [adres] te [woonplaats].

Ik heb regelmatig gezien dat [verdachte] mijn broertje [slachtoffer 3] mishandelde. Ik weet nog dat [slachtoffer 3] een keer met vuur gespeeld had. [slachtoffer 3] en ik sliepen op dezelfde kamer. Ik zag dat [verdachte] onze slaapkamer binnen kwam lopen. Ik hoorde dat hij schreeuwde naar mijn broertje. Ik hoorde dat hij zei dat hij niet meer met vuur mocht spelen. Ik zag dat hij een vinger van mijn broertje vastpakte. Ik zag dat hij zijn vinger zo vasthield, dat mijn broertje zijn vinger niet weg kon halen. Ik zag dat hij een aansteker onder deze vinger hield. Ik zag dat hij deze aansteker onder de vinger van mijn broertje hield, terwijl er een vlam uit de aansteker kwam. Ik zag dat de vlam uit de aansteker de vinger van mijn broertje raakte. Ik hoorde dat mijn broertje heel hard schreeuwde van de pijn. Ik hoorde mijn broertje nog zeker een uur daarna huilen van de pijn. Mijn broertje heeft daar nu nog steeds een litteken

van op zijn vinger.

Een schrijven van [naam geneeskundige] forensisch geneeskundige van GGD Brabant-Zuidoost d.d. 24 juni 2014 betreffende een forensisch geneeskundig onderzoek van [slachtoffer 3], geboren op [1996]19:

Ik heb betrokkene op 16 juni 2014 onderzocht.

Omschrijving van het incident waardoor letsels ontstonden:

Betrokkene geeft aan dat ongeveer 8 of 9 jaar geleden iemand een brandende aansteker onder zijn hand gehouden heeft. Hij heeft hier een brandwond aan over gehouden.

Uitwendig waargenomen letsel:

Aan de binnenzijde (de palmaire zijde) van de 4e vinger van de linkerhand, is op de overgang van de middelste falanx (vingerkootje) en de distale falanx (buitenste vingerkootje) een litteken zichtbaar van ongeveer 15 millimeter lengte. Het litteken heeft een ruwweg driehoekige vorm, met twee lange zijden van ongeveer 15 mm en een korte zijde van ongeveer 4 mm. De randen van het litteken hebben een onregelmatige vorm. Het litteken is volledig genezen en in het litteken zijn lokale bindweefselverdikkingen te zien.

Past het letsel bij de opgegeven toedracht?

Uit de vorm en het aangezicht van het litteken zijn enkele zaken af te leiden: het betreft een litteken van een wond met onregelmatige randen, dus geen scherprandige wond, zoals bijvoorbeeld een snijwond of een bijtwond. De wond is diep genoeg geweest om door alle huidlagen heen te gaan, maar gezien de bindweefselverdikkingen heeft de wond ook geen gelijkmatige diepte gehad. Dit alles past niet bij een snij of een scheur of een schaafwond, maar deze eigenschappen passen wel bij een brandwond. Gezien de diepte van de wond betreft het dan een 3e graads brandwond.

Uit het feit dat de wond volledig genezen is, leid ik af dat de verwonding meer dan een jaar geleden plaats heeft gevonden. Een exactere tijdsaanduiding kan ik niet geven. Resumerend past het letsel dus bij de opgegeven toedracht.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er op dit punt onvoldoende bewijs is. Er is weliswaar vastgesteld dat [slachtoffer 3] een litteken van een brandwond heeft, maar dat wil niet zeggen dat deze brandwond door verdachte is veroorzaakt. [slachtoffer 3] speelde veel met vuur. Ook volgt niet uit de verklaring van [slachtoffer 3] waar het is gebeurd en wie het heeft gezien.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 3] over dit ‘aansteker’- incident gedetailleerd en geloofwaardig is. Bovendien wordt zijn verklaring bevestigd door de verklaring van [slachtoffer 4]. Voorts past het bij [slachtoffer 3] tijdens het forensisch geneeskundig onderzoek op 16 juni 2014 geconstateerde letsel bij de geweldshandeling van verdachte die hij in zijn aangifte heeft beschreven. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat verdachte door opzettelijk gedurende enige tijd een brandende aansteker dicht bij de hand van [slachtoffer 3] te houden opzettelijk een brandwond aan een vinger van de linker hand van [slachtoffer 3] heeft toegebracht. Het gaat daarbij om een 3e graads brandwond, welke blijvend letsel in de vorm van een ontsierend litteken aan de vinger tot gevolg heeft gehad.

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is hoe een dergelijke gedraging gekwalificeerd moet worden.

De rechtbank stelt voorop dat voormelde geweldshandeling door verdachte jegens [slachtoffer 3] zonder twijfel als een mishandeling in de zin van artikel 300 lid 1 juncto artikel 304 aanhef sub 1 Sr heeft te gelden. Dit delict is hier evenwel niet aan verdachte ten laste gelegd.

Met betrekking tot hetgeen wel aan verdachte ten laste is gelegd wordt overwogen als volgt.

(Poging tot) zware mishandeling?

De rechtbank is van oordeel dat het bij het slachtoffer geconstateerde letsel niet als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr) kan worden aangemerkt. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Artikel 82 Sr geeft een opsomming van de gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Die bepaling laat de rechter evenwel de vrijheid om ook buiten die gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Daarbij wegen factoren mee als de aard van het letsel, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op herstel.

Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer 3] als gevolg van het tegen hem gebruikte geweld de brandende aansteker een brandwond aan een vinger heeft opgelopen welke inmiddels volledig genezen is. Hoewel die verwonding ongetwijfeld zeer pijnlijk is geweest en aan de binnenzijde van de 4e vinger van zijn linkerhand op de overgang van het middelste vingerkootje en het buitenste vingerkootje nog steeds een litteken zichtbaar is met een lengte van ongeveer 15 millimeter, gaat het om een kleine plek en blijkt uit het dossier niet van langdurig functieverlies. Gelet daarop en voorts gelet op het volledige herstel, kan deze verwonding niet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel zoals bedoeld in artikel 302 Sr. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van het onder 5 primair ten laste gelegde.

Dat laatste geldt ook voor de onder 5 subsidiair ten laste gelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht niet bewezen dat door het houden van de aanstekervlam dichtbij de vinger een aanmerkelijke kans in het leven werd geroepen op het ontstaan van zwaar letsel in de zin van artikel 302 Sr.

Het gevolg is dat de door verdachte jegens [slachtoffer 3] gepleegde geweldshandeling niet valt onder de feitelijke omschrijving van het ten laste gelegde en dat verdachte van feit 5 moet worden vrijgesproken.

De voor het overige aangevoerde bewijsverweren geven geen aanleiding tot een afzonderlijke bespreking daarvan. Zij vinden hun weerlegging in voornoemde uitgewerkte bewijsmiddelen.

Gelet op voornoemde uitgewerkte bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1, feit 2 primair, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde heeft begaan.

De rechtbank is van oordeel dat het procesdossier naast de verklaring van het slachtoffer zelf, geen ondersteunend bewijs bevat voor het slaan op de voeten van [slachtoffer 1], het slaan van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] met een messenslijper/stalen staaf of stok/bezemsteel, zodat verdachte van deze gedeelten van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.
op tijdstippen gelegen in de periode van 25 april 2008 tot en met 7 juni 2013 te [plaats 1], [gemeente], telkens opzettelijk mishandelend zijn kind, te weten [slachtoffer 1] geboren [2000], met kracht met de vuist en/of vlakke hand tegen het gezicht en/of lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of die [slachtoffer 1] met een pollepel tegen de handen (palmen) heeft geslagen en/of die [slachtoffer 1] urenlang met de armen omhoog heeft laten staan, waardoor deze telkens letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, zulks terwijl voorstaande feiten zijn gepleegd tegen zijn kind;

2. primair

omstreeks 20 maart 2011 te [plaats 2] [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn kind [slachtoffer 1] geboren op [2000] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet vanaf korte afstand een aardappelschilmesje heeft gegooid naar het hoofd van die [slachtoffer 1] ten gevolge waarvan dit mesje een snijwond in het gezicht heeft veroorzaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, zulks terwijl voorstaand feit is gepleegd tegen zijn kind;

3.

op tijdstippen gelegen in de periode van 1 juli 2006 tot en met 12 augustus 2011 te [plaats 3], [gemeente], telkens opzettelijk mishandelend zijn kind, te weten [slachtoffer 2] geboren [1999], met kracht met de vuist en/of vlakke hand tegen haar gezicht en/of lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of die [slachtoffer 2] met een voorwerp en/of een pollepel tegen haar handen (palmen) en/of de (onderzijde van haar) voeten heeft geslagen en/of die [slachtoffer 2] urenlang met haar armen omhoog heeft laten staan en/of die [slachtoffer 2] met kracht bij haar armen heeft vastgepakt, waardoor deze telkens letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, zulks terwijl voorstaande feiten zijn gepleegd tegen zijn kind;

4.

op tijdstippen gelegen in de periode van 13 september 2003 tot en met 27 maart 2009 te [plaats 4], [gemeente], telkens opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer 3] geboren [1996], met kracht met de vlakke hand en/of de vuist tegen het gezicht en/of het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of die [slachtoffer 3] urenlang met zijn handen omhoog heeft laten staan en/of die [slachtoffer 3] tegen zijn lichaam heeft geschopt, waardoor deze telkens letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, zulks terwijl voorstaande feiten zijn gepleegd tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft voor alle ten laste gelegde feiten een gevangenisstraf gevorderd voor de duur van 4 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht. Voorts heeft zij gevorderd dat deze bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard en heeft zij de gevangenneming van verdachte gevorderd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich gelet op de bepleite integrale vrijspraak niet over de strafmaat uitgelaten. Wel heeft de verdediging zich ten aanzien van de gevangenneming van verdachte op het standpunt gesteld dat verdachte in alle vrijheid de uitspraak van de rechtbank moet kunnen afwachten.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zijn dochters en zijn stiefzoon gedurende een periode van totaal bijna tien jaar vele malen mishandeld. Daarbij was onder andere sprake van slaan (al dan niet met gebruikmaking van een voorwerp), schoppen en urenlang met de armen omhoog moeten staan. Ook heeft verdachte naar het hoofd van één van zijn dochters een aardappelschilmesje gegooid waarbij zij werd geraakt en een snijwond in haar gezicht opliep.

Door zijn handelen heeft verdachte een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Deze kinderen, tussen 7 en 13 jaar oud, werden door hem verzorgd en opgevoed en waren van hem afhankelijk. Zij hebben jarenlang in hun eigen huis verbleven in een zeer onveilige situatie, waarin zij telkens opnieuw werden blootgesteld aan diverse mishandelingen. Het is algemeen bekend dat dergelijke feiten grote schade kunnen toebrengen aan de ontwikkeling van jonge kinderen. Dat de feiten een grote impact op de slachtoffers hebben gehad, laat zich raden en blijkt ook uit hun schriftelijke slachtofferverklaringen. De effecten van het handelen van verdachte op de geestelijke ontwikkeling van de slachtoffers zijn momenteel niet geheel te overzien. Het is slechts te hopen dat zij in staat zullen zijn om - met deskundige hulp - de verdere psychische schade zoveel mogelijk te beperken.

De feiten zijn des te ernstiger nu verdachte de (stief)vader is van de slachtoffers. Hij heeft het vertrouwen dat kinderen in hun (stief)vader mogen stellen en de veiligheid die zij van hem mogen verwachten op een buitengewoon ernstige wijze beschaamd en veronachtzaamd. Bovendien heeft verdachte - op het moment dat slachtoffers bij hulpverleners of op school aandacht vroegen voor hun problemen - alle bij het gezin betrokken (hulpverlenings-) instanties en personen op slinkse wijze om de tuin geleid en de schrijnende situatie waarin de kinderen zaten verhuld.

Het hoeft geen betoog dat feiten als de onderhavige ook in de samenleving gevoelens van afschuw en verontwaardiging oproepen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat gelet op de aard van de strafbare feiten, de ernst daarvan, de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd en de langdurige periode waarin zij zijn gepleegd, niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een vrijheidsbenemende straf van langere duur.

De rechtbank zal een gedeelte van deze gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van 3 jaren om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte vrijspreekt van het onder feit 5 door de officier van justitie bewezen geachte feit. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar verklaren, nu verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar en drie maanden moet ondergaan alvorens hij zich aan voornoemde voorwaarden dient te houden.

De rechtbank zal de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte niet opheffen, nu er naar het oordeel van de rechtbank geen gronden aanwezig zijn voor onmiddellijke vrijheidsbeneming.

De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht alle drie de vorderingen voor een bedrag van € 5.000,- voor toewijzing vatbaar, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partijen dienen niet ontvankelijk verklaard te worden in het gedeelte van hun vorderingen dat ziet op de immateriële schade voor zover deze het bedrag van € 5.000,- te boven gaat, nu de behandeling van dit gedeelte van voornoemde vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Voorts acht de officier van justitie de door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] gevorderde advocaatkosten van € 363,- voor toewijzing vatbaar.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen dienen te worden afgewezen omdat het causaal verband tussen de gevorderde schade en de feiten ontbreekt.

Beoordeling.
De rechtbank zal, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit of de bewezen verklaarde feiten toegebrachte immateriële schade, een bedrag van € 5.000,- aan iedere benadeelde partij afzonderlijk toewijzen, aangezien op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk is geworden dat minimaal deze immateriële schade door [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] is geleden als rechtstreeks gevolg van het/de door verdachte gepleegd(e) feit(en).

Voornoemde toegewezen bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de laatste dag van de bewezen verklaarde pleegperiode tot de dag der algehele voldoening. Dit betekent dat het aan [slachtoffer 1] toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2013 tot de dag der algehele voldoening, het aan [slachtoffer 2] toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2011 tot de dag der algehele voldoening en het aan [slachtoffer 3] toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal alle benadeelde partijen niet ontvankelijk verklaren in het gedeelte van hun vorderingen dat ziet op de immateriële schade voor zover deze het bedrag van € 5.000,- te boven gaat. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dat gedeelte van elk van deze vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu de vaststelling van de omvang van deze schade nader onderzoek vereist. Dit onderzoek is nodig om vast te kunnen stellen of en in hoeverre - boven het thans reeds toegewezen bedrag - schade is ontstaan door en valt toe te rekenen aan de bewezen verklaarde feiten.

De benadeelde partijen kunnen dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partijen. Deze kosten zijn, gelet op hetgeen daarover is gesteld, bij zowel [slachtoffer 1] als bij [slachtoffer 3] tot op heden begroot op € 363,-. Bij [slachtoffer 2] zijn deze kosten tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten door voornoemde benadeelde partijen.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor de toegewezen bedragen tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert. Het aan [slachtoffer 1] toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2013 tot de dag der algehele voldoening. Het aan [slachtoffer 2] toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2011 tot de dag der algehele voldoening en het aan [slachtoffer 3] toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2009 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelden is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36f, 45, 57, 60a, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 5 primair en subsidiair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het overige ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 2 primair:

poging tot zware mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind

T.a.v. feit 3:

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 4:

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

T.a.v. feit 1, feit 2 primair, feit 3, feit 4:

Gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar en 3 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering;

-dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd bij Reclassering Nederland, Regio 's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch zal melden, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de reclassering, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

T.a.v. feit 1, feit 2 primair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 5.000,00 subsidiair 60 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van EUR 5.000,- (zegge: vijfduizend euro) aan immateriële schadevergoeding, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 dagen hechtenis.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van EUR 5.000,- (zegge: vijfduizend euro) aan immateriële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de rechtsbijstandkosten van de benadeelde partij tot heden begroot op EUR 363,-.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 3:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 5.000,00 subsidiair 60 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van een bedrag van EUR 5.000,- (zegge: vijfduizend euro) aan immateriële schadevergoeding, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 dagen hechtenis.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], van een bedrag van EUR 5.000,- (zegge: vijfduizend euro) aan immateriële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de rechtsbijstandkosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 4:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 5.000,00 subsidiair 60 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] van een bedrag van EUR 5.000,- (zegge: vijfduizend euro) aan immateriële schadevergoeding, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 dagen hechtenis.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], van een bedrag van EUR 5.000,- (zegge: vijfduizend euro) aan immateriële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de rechtsbijstandkosten van de benadeelde partij tot heden begroot op EUR 363,-.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.M. Hettinga, voorzitter,

mr. M. Lammers en mr. J.M.J. Denie, leden,

in tegenwoordigheid van mr. E.C.M. Boerboom, griffier,

en is uitgesproken op 22 december 2014.

Mr. J.M.J. Denie is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politieregio Brabant-Noord, district Maas en Leijgraaf, genummerd PL21Z1-2014014119 Z, gesloten op 23 juni 2014, aantal doorgenummerde bladzijden 449 [verder: eindpv].

2 Het proces-verbaal van aangifte gedaan door [slachtoffer 1] op 31 juli 2013, p. 90-93 van het eindpv

3 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] op 27 januari 2014, p. 97 van het eindpv

4 Het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisant[naam verbalisant 2]p. 107 van het eindpv

5 Het proces-verbaal van verhoor van [naam 2] op 6 januari 2014, p. 138-140 van het eindpv

6 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 3] op 31 januari 2014, p. 306-307 van het eindpv

7 Het proces-verbaal van aangifte gedaan door [slachtoffer 1] op 31 juli 2013, p. 90-92 van het eindpv

8 Aanvraagformulier medische informatie betreffende [slachtoffer 1] met bijlagen, p. 113 en p. 132 van het eindpv

9 Het proces-verbaal van aangifte gedaan door [slachtoffer 2] op 12 augustus 2013, p. 176-177 van het eindpv

10 Het proces-verbaal van studioverhoor van [slachtoffer 2] op 8 juli 2014, p. 14, 24 en 44 van de 54 pagina’s

11 Het proces-verbaal van verhoor van [naam 2] op 6 januari 2014, p. 138-140 van het eindpv

12 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 3] op 31 januari 2014, p. 306-307 van het eindpv

13 Het proces-verbaal van aangifte gedaan door [slachtoffer 3] op 31 januari 2014, p. 303-304 van het eindpv

14 Het proces-verbaal van verhoor van [naam 2] op 6 januari 2014, p. 138-139 van het eindpv

15 Het proces-verbaal van aangifte gedaan door [slachtoffer 4] op 13 augustus 2013, p. 262-263 van het eindpv

16 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 4] op 13 januari 2014, p. 266-267 van het eindpv

17 Het proces-verbaal van aangifte gedaan door [slachtoffer 3] op 31 januari 2014, p. 303-304 van het eindpv

18 Het proces-verbaal van aangifte gedaan door [slachtoffer 4] op 13 augustus 2013, p. 262-263 van het eindpv

19 Een schrijven van [geneeskundige] forensisch geneeskundige van GGD Brabant-Zuidoost d.d. 24 juni 2014 betreffende een forensisch geneeskundig onderzoek van [slachtoffer 3]