Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:7732

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
18-12-2014
Zaaknummer
01/865047-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor een viertal geweldsdelicten, waaronder een poging tot doodslag, wordt verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar. Tevens wordt de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging gelast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummers: 01/865047-14, 01/010539-14, 01/021362/14, 01/860319-14
Parketnummer vordering: 20/004642-10

Datum uitspraak: 18 december 2014

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1964],

wonende te [adres 1],

thans gedetineerd te: Vught PPC.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 juli 2014, 23 september 2014 en 4 december 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 30 juni 2014, 22 augustus 2014 en 31 oktober 2014.

De tenlastelegging inzake parketnummer 01/865047-14 is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 4 december 2014 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie aan dit vonnis gehecht.

Aan verdachte/veroordeelde is thans, met inachtneming van de wijziging, ten laste gelegd dat:

Onder parketnummer 01/865047-14:

1.

hij op of omstreeks 05 april 2014 te Someren ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een (vlees)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de richting van diens buik(streek) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 29 januari 2014 te Helmond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde auto op die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] is ingereden, die zich op dat moment (te voet) voor de auto van verdachte bevond(en), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 29 januari 2014 te Helmond [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde auto ingereden op die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], die zich op dat moment (te voet) voor de auto van verdachte bevond(en);

3.

hij op of omstreeks 29 januari 2014 te Helmond met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer verzorgingsartikelen en/of haarlak en/of zonnebrand, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Onder parketnummer 01/010539-14:

hij op of omstreeks 16 januari 2014 te Someren in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten het/een gemeentehuis te Someren, gelegen aan [adres 2], wederrechtelijk is binnengedrongen;

Onder parketnummer 01/021362-14:

hij op of omstreeks 30 januari 2014 te Someren in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten het/een gebouw aan [adres 3] (en in gebruik bij de gemeente Someren), wederrechtelijk is binnengedrongen;

art. 139 lid 1Wetboek van Strafrecht

Onder parketnummer 01/860319-14:

hij op of omstreeks 12 september 2011 te Someren [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7], allen politieambtenaar, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk meermalen, althans eenmaal aan voornoemde [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] dreigend een mes, althans een puntig voorwerp getoond en/of hen dreigend de woorden toegevoegd :"Schiet dan, schiet dan" en/of "kom dan, kom dan, ik maak je hartstikke kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art. 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte/veroordeelde daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 20/004642-10 is aangebracht bij vordering van 22 augustus 2014. De rechtbank heeft geconstateerd dat op de vordering abusievelijk het verkeerde parketnummer staat vermeld, waarbij sprake lijkt te zijn van een schrijffout ten aanzien van één cijfer. Gelet op de justitiële documentatie van verdachte/veroordeelde, in samenhang bezien met de op de vordering omschreven veroordeling, is de rechtbank van oordeel dat het voor verdachte/veroordeelde duidelijk is van welke voorwaardelijke veroordeling de officier van justitie de tenuitvoerlegging vordert. De vordering heeft betrekking op het vonnis van de gerechtshof te 's-Hertogenbosch d.d. 16 mei 2012. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak ten aanzien van parketnummer 01/865047-14 feit 2 en 3.

De rechtbank heeft kennisgenomen van zowel de aangifte van [slachtoffer 2] d.d. 6 februari 2014 (p. 58-60 van het dossier) als van de aangifte van [slachtoffer 3] d.d. 3 april 2014 (p. 68-69 van het dossier), zijnde twee maanden later. De rechtbank stelt vast dat de aangifte van [slachtoffer 3] vrijwel gelijkluidend is aan die van [slachtoffer 2]. Nu er geen sprake lijkt te zijn van een verklaring over feiten en omstandigheden van hetgeen de getuige [slachtoffer 3] zelf heeft waargenomen of ondervonden, maar van een “kopie” van de verklaring van aangever [slachtoffer 2], zal de rechtbank dit bewijsmiddel buiten beschouwing laten.

* Feit 2

De rechtbank is van oordeel dat uit het procesdossier onvoldoende blijkt dat verdachte/veroordeelde het opzet had om [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] van het loven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel te bedreigen. Er zijn geen bewijsmiddelen, anders dan de verklaring van [slachtoffer 2], met betrekking tot onder meer de snelheid waarmee de auto reed en waar de getuige en de auto zich ten opzichte van elkaar hebben bevonden. De rechtbank zal derhalve verdachte wegens onvoldoende bewijs vrijspreken van feit 2.

* Feit 3

De rechtbank acht evenmin wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan eveneens behoort te worden vrijgesproken. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende uit de bewijsmiddelen blijkt dat daadwerkelijk goederen zijn weggenomen en dat verdachte diegene is geweest die zich hieraan schuldig heeft gemaakt. Verdachte heeft dit feit ook ontkend.

Bewijsoverweging ten aanzien van parketnummer 01/865047-14 feit 1.

* Poging tot doodslag op [slachtoffer 1]

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte/veroordeelde met een mes in de richting van de buikstreek van het slachtoffer heeft gestoken, een bijzonder kwetsbare plek van het lichaam waar zich vitale lichaamsdelen bevinden. Volgens verdachte/veroordeelde zelf betrof dit een spits mes en volgens de nicht van verdachte/ veroordeelde, [getuige 1], was het lemmet 15 tot 20 cm lang. Verdachte/veroordeelde heeft door aldus met een dergelijk mes te handelen ten minste willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij het slachtoffer zou kunnen doden. De rechtbank is tevens van oordeel dat er sprake is van boos opzet op de levensberoving. Uit de verklaring van [slachtoffer 1] blijkt dat verdachte/veroordeelde tegen zijn broer [getuige 2] voorafgaand aan het steekincident heeft gezegd: “Als je wilt dat je schoonzoon blijft leven, moet je hem nu waarschuwen”. Volgens [getuige 1] heeft verdachte/veroordeelde voordat hij [slachtoffer 1] met het mes wilde steken, geroepen: “[getuige 2] als je je schoonzoon niet leert of weghaalt, dan maak ik hem dood. Dan leeft hij straks niet meer”. Vervolgens heeft verdachte/veroordeelde met het mes [slachtoffer 1] gestoken. De rechtbank acht dan ook feit 1 bewezen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte/veroordeelde

Onder parketnummer 01/865047-14:

1.

op 05 april 2014 te Someren ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een (vlees)mes, in de richting van diens buik(streek) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Onder parketnummer 01/010539-14:

op 16 januari 2014 te Someren in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten het gemeentehuis te Someren, gelegen aan [adres 2], wederrechtelijk is binnengedrongen;

Onder parketnummer 01/021362-14:

op 30 januari 2014 te Someren in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten het gebouw aan [adres 3] in gebruik bij de gemeente Someren, wederrechtelijk is binnengedrongen;

Onder parketnummer 01/860319-14:

op 12 september 2011 te Someren [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7], allen politieambtenaar, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk aan voornoemde [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] dreigend een mes getoond en/of hen dreigend de woorden toegevoegd :"Schiet dan, schiet dan" en/of "kom dan, kom dan, ik maak je hartstikke kapot".

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte/veroordeelde zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte/veroordeelde uitsluiten. Verdachte/veroordeelde is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregelen.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten op de aanhangig gemaakte dagvaardingen een gevangenisstraf geëist voor de duur van drie jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 7], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 6] acht de officier van justitie in hun geheel toewijsbaar (€ 750,-) met daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.

Voorts heeft de officier van justitie geëist dat de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 20/004632-10 wordt toegewezen en dat derhalve een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zes maanden wordt tenuitvoergelegd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte heeft met een mes in de richting van de buik van de vriend van een familielid gestoken. Het is aan de afwerende beweging met de arm te danken dat [slachtoffer 1] niet daadwerkelijk in de buik is geraakt. Wel is [slachtoffer 1] in de arm geraakt en heeft daarbij behoorlijk letsel opgelopen. Een delict als het onderhavige veroorzaakt veel maatschappelijke onrust en leidt tot toename van gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers.

Tevens heeft verdachte/veroordeelde een viertal politieambtenaren bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. De politieambtenaren hebben zich zo bedreigd gevoeld dat zij zich genoodzaakt hebben gevoeld het dienstwapen te hanteren en ook daadwerkelijk af te vuren. De bedreiging heeft kennelijk een zeer grote indruk op hen gemaakt. Slachtoffers van dit soort feiten ondervinden daar vaak nog lang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijkse uitoefening van hun werk. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij van [slachtoffer 6] ter terechtzitting van 4 december 2014 blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is.

Voorts heeft verdachte/veroordeelde zich schuldig gemaakt aan twee maal in een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringen.

Kijkend naar de persoon van verdachte/veroordeelde, houdt de rechtbank rekening met de volgende omstandigheden.

Blijkens een uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 31 oktober 2014 heeft verdachte/veroordeelde een omvangrijk strafblad. Verdachte/veroordeelde werd eerder voor een poging tot zware mishandeling veroordeelde tot één jaar gevangenisstraf. Voorts is hij eerder veroordeeld voor bedreigingen. Verdachte heeft de onderhavige strafbare feiten gepleegd tijdens de proeftijd van een eerdere veroordeling, hetgeen hem er niet van heeft weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank houdt tevens rekening met de omstandigheid dat, zoals hierna zal worden overwogen, uit een omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebracht rapport door het Pieter Baan Centrum van 24 oktober 2014 blijkt, dat het door hem gepleegde strafbare feit 1 van parketnummer 01/865047-14 in verminderde mate aan hem kan worden toegerekend. Op de toerekeningsvatbaarheid zal de rechtbank bij de oplegging van de maatregel terugkomen.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte vrijspreekt van feit 2 en 3 van parketnummer 01/865047-14 en zij van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van één jaar.

Gezien de noodzaak om de samenleving tegen verdachte te beveiligen, kan daarmee echter niet worden volstaan.



Oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de op te leggen maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging als volgt.

De psychiater en de psycholoog van het Pieter Baan Centrum hebben in hun rapport van 24 oktober 2014 onder meer geconcludeerd en geadviseerd als volgt.

Verdachte is lijdende aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. In diagnostische zin is deze ziekelijke stoornis allereerst te omschrijven als een psychotische stoornis niet anderszins omschreven (NAO). Bij verdachte komt deze psychotische stoornis NAO o.a. tot uiting in bij hem bestaande stoornissen in de executieve functies, zoals onsamenhangend, chaotisch en bij momenten incoherent denken en spreken, en stoornissen in de realiteitstoetsing welke tot uiting komen in paranoïde wanen. Bij deze psychotische symptomen is bij betrokkene tevens sprake van een gestoorde agressieregulatie en impulscontrole. De psychotische symptomen gaan gepaard met ernstig sociaal disfunctioneren. Ook een eventueel bij verdachte bestaande gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, zoals een mogelijk aanwezige (antisociale) persoonlijkheidsstoornis, kan hebben bijgedragen aan een psychische ontregeling in de vorm van een psychotische stoornis. Een (antisociale) persoonlijkheidsstoornis kon echter niet worden vastgesteld, maar ook niet worden uitgesloten.

Tevens is bij verdachte sprake van een ziekelijke stoornis in de zin van een afhankelijkheid van methadon. De gedragsdeskundigen hebben geconcludeerd dat de thans aanwezige ziekelijke stoornis van de geestvermogens ook aanwezig is geweest ten tijde van het aan verdachte tenlastegelegde onder feit 1 van parketnummer 01/865047-14. Betrokkene is volgens de gedragsdeskundigen naar alle waarschijnlijkheid de afgelopen jaren chronisch psychotisch geweest, hetgeen een grote rol zal hebben gespeeld bij het tenlastegelegde. Rapporteurs adviseren verdachte dan ook met betrekking tot feit 1 ten minste als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De bij verdachte bestaande psychotische stoornis gaat gepaard met bij momenten fors oplopende agitatie, boosheid en soms ook (verbale en/of fysieke) agressie, voortkomend uit zijn gevoel van bedreiging en achterstelling, zijn machteloosheid en het gebrek aan controle over zijn agressie als gevolg van de beperkingen in de genoemde executieve functies. Deze agressie heeft een impulsief en niet steeds invoelbaar en voorspelbaar karakter. Dit alles maakt samen dat de kans op herhaling van vergelijkbaar agressief gedrag door verdachte, indien verdachte onbehandeld blijft, zowel op de korte als lange termijn als sterk verhoogd moet worden ingeschat. De bij verdachte bestaande middelenafhankelijkheid en –misbruik moet daarbij als extra risicofactor worden genoemd.

Naast voornoemde klinische risicotaxatie is het recidiverisico ook middels actuariële risicotaxatie geïnventariseerd. Samenvattend levert de gestructureerde risico-inschatting gebruikmakend van de HCR-20 eveneens een als hoog te kwalificeren recidiverisico bij verdachte op.

Ter afwending van gevaar dient verdachte volgens de gedragsdeskundigen te worden gemotiveerd voor zowel een (farmocotherapeutische en gedragstherapeutische) behandeling van de bij hem bestaande psychotische symptomen als een behandeling van de bij hem bestaande middelenafhankelijkheid. De rapporteurs zien gronden om te voorspellen dat deze behandeling van verdachte alleen een kans van slagen heeft binnen een dwingend kader waar verdachte zich niet aan kan onttrekken en adviseren, alles in ogenschouw genomen, aan verdachte de maatregel terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging op te leggen.

De rechtbank neemt de bovenstaande conclusies en adviezen over. Met de psycholoog en de psychiater is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk maakt.

De raadsman heeft aangevoerd dat de rapporteurs niet hebben onderzocht of het beoogde beveiligingskader via een minder vergaande modaliteit is te bereiken. De maatregel terbeschikkingstelling met dwang is een ultimum remedium. De raadsman heeft verzocht aan verdachte niet de maatregel van terbeschikkingstelling met dwang op te leggen, maar verdachte af te straffen.

De rechtbank ziet, gelet op de inhoud van het hiervoor weergegeven rapport, geen ruimte om verdachte/veroordeelde ‘slechts’ af te straffen. De gedragsdeskundigen hebben gerapporteerd dat verdachte/veroordeelde vanuit de aard van de bij hem bestaande psychopathologie niet in staat zal zijn om zich aan opgelegde voorwaarden te houden. Daarbij hebben zij opgemerkt dat ook minder vergaande maatregelen naar de mening van de gedragsdeskundigen niet haalbaar zijn in het licht van de bij betrokkene bestaande complexe psychopathologie, zijn afwezige ziektebesef en ziekte-inzicht. De rechtbank neemt ook deze conclusies over en maakt deze tot de hare.

Om te voorkomen dat verdachte/veroordeelde in de toekomst weer een ernstig geweldsdelict pleegt, vindt de rechtbank het noodzakelijk dat verdachte/veroordeelde wordt behandeld.

De rechtbank overweegt voorts dat is voldaan aan de formele voorwaarden om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Het hierna te kwalificeren feit 1 van parketnummer 01/865047-14 betreft een misdrijf waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Voorts merkt de rechtbank op dat het een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

De rechtbank komt met inachtneming van de hierboven weergegeven rapportage tot het oordeel dat er een verband is tussen de door de gedragsdeskundigen vastgestelde stoornis en het plegen van het strafbare feit 1 onder parketnummer 01/865047-14. De rechtbank zal verdachte/veroordeelde verminderd toerekeningsvatbaar verklaren. De rechtbank houdt hiermee bij het opleggen van de straf, zoals hiervoor reeds overwogen, rekening.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank/veroordeelde verdachte ter beschikking stellen. De rechtbank zal voorts bevelen dat verdachte/veroordeelde van overheidswege wordt verpleegd.

De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 7], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 6].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, aan ieder van de benadeelde partijen, een immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 500,-. De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in het meer gevorderde. De benadeelde partijen kunnen het overige deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte/veroordeelde veroordelen in de kosten van de benadeelde partijen tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte/veroordeelde veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag niet bepalen dat dit vermeerderd dient te worden met de wettelijke rente, aangezien dit niet is gevorderd door de benadeelde partijen.

Schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft verzocht niet de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De rechtbank wijst dit verzoek af en zal voor de toegewezen bedragen tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert.

Aangezien aldus aan verdachte/veroordeelde meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 20/004642-10.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 60a, 139, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte/veroordeelde het onder parketnummer 01/865047-14 feit 2 en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het onder parketnummer 01/865047-14, feit 1, ten laste gelegde en het onder de parketnummers 01/010539-14, 01/021362/14 en 01/860319-14 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte/veroordeelde meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. 01/865047-14 feit 1:

poging tot doodslag

T.a.v. 01/010539-14:

in een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringen

T.a.v. 01/021362-14:

in een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringen

T.a.v. 01/860319-14:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte/veroordeelde hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregelen:

T.a.v. 01/865047-14 feit 1, 01/010539-14, 01/021362-14, 01/860319-14:

Gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht

T.a.v. 01/865047-14 feit 1:

Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging

T.a.v. 01/860319-14:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte/veroordeelde op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7] van een bedrag van EUR 500,- (zegge: vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte/veroordeelde mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 7], van een bedrag van EUR 500,- (zegge: vijfhonderd euro), te weten immateriële schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte/veroordeelde tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte/veroordeelde verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Verdachte/veroordeelde is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. 01/860319-14:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte/veroordeelde op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] van een bedrag van EUR 500,- (zegge: vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een immateriële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij deels toe en veroordeelt verdachte/veroordeelde mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4], van een bedrag van EUR 500,- (zegge: vijfhonderd euro), te weten immateriële schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte/veroordeelde tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte/veroordeelde verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Verdachte/veroordeelde is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. 01/860319-14:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte/veroordeelde op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] van een bedrag van EUR 500,- (zegge: vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een immateriële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij deels toe en veroordeelt verdachte/veroordeelde mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 6], van een bedrag van EUR 500,- (zegge: vijfhonderd euro), te weten immateriële schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte/veroordeelde tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte/veroordeelde verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Verdachte/veroordeelde is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Last tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van het gerechtshof te 's Hertogenbosch d.d. 16 mei 2012, gewezen onder parketnummer 20/004642-10, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.Th. van Vliet, voorzitter,

mr. W.M. Weerkamp en mr. M. Senden, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.A.M. Balemans-Jongeneelen, griffier,

en is uitgesproken op 18 december 2014.