Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:7731

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
18-12-2014
Zaaknummer
01/845393-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt terzake poging tot zware mishandeling en mishandeling van zijn partner, veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845393-12

Datum uitspraak: 18 december 2014

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1969],

wonende te [adres 1].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 december 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 oktober 2014.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 december 2012 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] met een hamer op het hoofd heeft geslagen en/of (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 287/302 jo. 45 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 december 2012 te 's-Hertogenbosch opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [slachtoffer 1], met een hamer,op het hoofd heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 13 december 2012 te 's-Hertogenbosch opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [slachtoffer 1], met een hamer op haar pink en/of haar pols heeft geslagen en/of (met zijn vuisten) heeft geslagen en/of gestompt en/of heeft geschopt en/of getrapt en/of aan haar haren heeft getrokken, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 304/300 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 13 december 2012 te 's-Hertogenbosch [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer 1] een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, voorgehouden en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd : "Ik ga je vermoorden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(artikel 285 Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak ten aanzien van feit 1 impliciet primair en feit 3.

De rechtbank acht, met de officier van justitie en de raadsman van verdachte, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, hetgeen aan verdachte onder feit 1 impliciet primair is ten laste gelegd. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.

Evenmin acht de rechtbank feit 3 bewezen, net als de officier van justitie en de raadsman. Tegenover de aangifte van [slachtoffer 1] staat de ontkennende verklaring van verdachte. Nu de aangifte niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen dient verdachte, bij gebrek aan bewijs, van dit feit te worden vrijgesproken.

Betrouwbaarheid verklaring aangeefster.

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] niet betrouwbaar zijn. Door en namens verdachte is hiertoe in het bijzonder aangevoerd dat zij wegens haar psychische problematiek niet betrouwbaar zou (kunnen) verklaren.

De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat verdachte zijn beweringen over de psychische gesteldheid van aangeefster en het bijgevolg ontbreken van betrouwbaarheid van haar verklaringen niet heeft gestaafd. Voorts blijkt uit het dossier dat de eerste verklaring van aangeefster d.d. 13 december 2012 op onderdelen wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen, waaronder de bevindingen van de verbalisanten die ter plaatse het letsel zien aan het hoofd van aangeefster, dat zij een doek tegen haar hand houdt waarop rode bloedvlekken zitten en dat zij kreunt. Voorts bevat het dossier medische informatie met betrekking tot het door aangeefster opgelopen letsel aan de vinger en pols.

De rechtbank zal derhalve de verklaring van aangeefster d.d. 13 december 2012 tot het bewijs bezigen, voor zover deze wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 impliciet subsidiair.

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte met een hamer heeft geslagen op het hoofd van aangeefster waarbij zij letsel en pijn heeft opgelopen. De vraag is vervolgens hoe dit in juridische zin dient te worden gekwalificeerd. De rechtbank overweegt dienaangaande het navolgende.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte het voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1]. Naar algemene ervaringsregels is de kans aannemelijk dat iemand zwaar lichamelijk letsel oploopt als gevolg van het slaan met een hamer van het type waarvan in casu sprake was (foto hamer p. 46 van het dossier) boven op het hoofd. De gedragingen van verdachte waren dan ook geëigend om dat letsel toe te brengen en kunnen naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het – behoudens contra-indicaties, waarvan ter terechtzitting niets is gebleken – niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dit gevolg heeft aanvaard. Aldus heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zou bekomen, en is het opzet van verdachte in voorwaardelijke zin daarop gericht.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1.

op 13 december 2012 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] met een hamer op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 13 december 2012 te 's-Hertogenbosch opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, te weten [slachtoffer 1], met een hamer op haar pink en haar pols heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2 een gevangenisstraf geëist voor de duur van drie maanden waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en aan mishandeling van zijn levensgezel door haar met een hamer op het hoofd te slaan en op haar vinger en pols. Aangeefster heeft daarbij ook behoorlijk letsel opgelopen.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten werd veroordeeld, laatstelijk in 2012, waarbij hem een werkstraf en een gevangenisstraf is opgelegd. Dit heeft hem er echter niet van weerhouden opnieuw soortgelijke feiten te plegen.

In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop in deze zaak. Voorts heeft verdachte sinds dit feit uit december 2012, voor zover thans bekend, geen nieuwe justitiecontacten gehad.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De raadsman heeft verzocht aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. De rechtbank is echter van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke straf. Dit zou geen recht doen aan de ernst van het bewezen verklaarde en is een te geringe straf nu verdachte al eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Gelet op de bovengenoemde omstandigheden zal de rechtbank een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur opleggen. De rechtbank wil met deze voorwaardelijke gevangenisstraf enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 45, 57, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder feit 1 impliciet primair ten laste gelegde en het onder feit 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het onder feit 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde en het onder feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 impliciet subsidiair:

poging tot zware mishandeling

T.a.v. feit 2:

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straffen:

T.a.v. feit 1 impliciet subsidiair, feit 2:

* Gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van

2 jaren;

* Taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank waardeert een in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. Senden, voorzitter,

mr. W.M. Weerkamp en mr. M.Th. van Vliet, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.A.M. Balemans-Jongeneelen, griffier,

en is uitgesproken op 18 december 2014.