Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:7662

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-12-2014
Datum publicatie
04-02-2016
Zaaknummer
14_2687
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is op verzoek gepubliceerd en is om die reden niet voorzien van een samenvatting.

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 14/2687

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2014 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. van Gemert),

en

De minister van Veiligheid en Justitie, directeur CVOM, verweerder

(gemachtigde: P. van den Nieuwenhuijzen).

Procesverloop

Bij brief van 13 juni 2014 heeft verweerder het verzoek van eiser om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.

Bij besluit van 8 augustus 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij fax van 20 februari 2014 heeft eiser verweerder verzocht: “openbaar te maken en mij toe te zenden alle documenten uit de personeelsdossiers van de juristen die werkzaam zijn bij uw Cluster Wob. Onder juristen versta ik uitsluitend de academische/universitair geschoolde medewerkers met een opleiding rechten”.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser in zijn verzoek niet de bestuurlijke aangelegenheid heeft genoemd waarover hij geïnformeerd wil worden. Ook vraagt eiser volgens verweerder niet om op een bestuurlijke aangelegenheid betrekking hebbende documenten. Het verzoek van eiser kan daarom niet worden aangemerkt als een verzoek zoals bedoeld in de Wob en dus behelst het antwoord daarop, de brief van verweerder van 13 juni 2014, een feitelijke mededeling dat het verzoek niet onder de werking van de Wob valt. Een dergelijke mededeling is volgens verweerder niet vatbaar voor bezwaar en beroep. Verweerder was om die reden ook niet verplicht om eiser behulpzaam te zijn bij het preciseren van zijn verzoek.

3. In beroep heeft eiser aangegeven dat de door hem gevraagde documenten wel zien op een bestuurlijke aangelegenheid. Dat blijkt volgens eiser uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van de State van 26 mei 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AO9992). Het verzoek van eiser was daarom wel aan te merken als een Wob-verzoek. Volgens eiser zijn de door hem gewenste documenten voldoende concreet benoemd en bestond er naast het noemen van de documenten geen verplichting om aan te geven op welke bestuurlijke aangelegenheid het verzoek betrekking had. Indien zijn verzoek te algemeen geformuleerd was, had verweerder de verplichting hem behulpzaam te zijn om zijn verzoek te preciseren. Volgens eiser is zijn bezwaar daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Tevens is eiser van mening dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden.

4. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wob wordt onder ‘bestuurlijke aangelegenheid’ verstaan de aangelegenheid die betrekking heeft op het beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en uitvoering daarvan. Het begrip ‘bestuurlijke aangelegenheid’ moet ruim worden opgevat (zie ook MvT Kamerstukken II, 19859, nr. 3, pagina 25). Het begrip ziet op het bestuur in al zijn facetten zodat de enkele aanwezigheid van een verband met een bestuurlijke aangelegenheid reeds voldoende is. Uit de rechtspraak blijkt dan ook dat ook bepaalde documenten uit personeelsdossiers betrekking kunnen hebben op een bestuurlijke aangelegenheid. Hoewel uit het verzoek van eiser inderdaad in het geheel niet duidelijk blijkt op welke bestuurlijke aangelegenheid de door eiser gewenste documenten betrekking hebben, is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet heeft kunnen stellen dat de door eiser gevraagde documenten per definitie geen betrekking hebben op een bestuurlijke aangelegen. Hieruit volgt dat verweerder het verzoek van eiser had moeten aanmerken als een verzoek zoals bedoeld in de Wob. Gelet hierop dient de brief van verweerder van 13 juni 2014, waarin verweerder heeft geweigerd om de door eiser gevraagde documenten openbaar te maken, te worden gezien als een afwijzing van een Wob-verzoek en derhalve een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen bezwaar en beroep openstond. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

5. Ten aanzien van het beroep van eiser op schending van de hoorplicht overweegt de rechtbank als volgt. Met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb, kan van het horen worden afgezien indien er naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden dan dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Nu in het bovenstaande is geoordeeld dat verweerder het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, is de hoorplicht geschonden.

6. Het beroep is gegrond. Nu door verweerder nog geen inhoudelijk standpunt is ingenomen op het verzoek van eiser ziet de rechtbank geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien dan wel voor toepassing van de bestuurlijke lus. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en bepalen dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen, met inachtneming van deze uitspraak.

7. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding vast overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlagen. De rechtbank stelt de kosten vast op in totaal € 610,75 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van een beroepschrift) en € 123,75 voor de door eiser geclaimde reis- en verletkosten.

8. De rechtbank is van oordeel dat de kosten in verband met het verschijnen ter zitting van eisers gemachtigde niet voor vergoeding in aanmerking komen. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb is onder meer artikel 7:15, tweede lid, van de Awb op de proceskostenveroordeling in beroep van toepassing. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb komen de kosten, die de belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken, voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank is ambtshalve bekend dat zowel eiser als zijn gemachtigde zich beroepsmatig bezig houden met het verlenen van rechtsbijstand in procedures zoals de onderhavige. Dit feit behoeft -op zichzelf- aan een kostenvergoeding voor de door eisers gemachtigde aan hem verleende rechtsbijstand niet in de weg te staan. Ook een belanghebbende die zelf beroepsmatig rechtsbijstandverlener is, staat het immers vrij in een door hem op persoonlijke titel gevoerde procedure de hulp van een rechtsbijstandverlener in te roepen. In een dergelijk geval kan niet op voorhand worden gezegd dat geen sprake is van redelijkerwijs gemaakte kosten. Of daarvan sprake is, hangt van de specifieke omstandigheden van het geval af. Wanneer, zoals in de onderhavige procedure, eiser tezamen met zijn gemachtigde ter zitting verschijnt en daar mede het woord voert, geeft het feit dat eiser zelf beroepsmatig in dergelijke procedures rechtsbijstand verleent, aanleiding te oordelen dat eiser de kosten voor het verschijnen van zijn gemachtigde ter zitting niet redelijkerwijs heeft moeten maken. Eiser beschikt zelf over de benodigde kennis om ter zitting zijn standpunt te bepleiten en was kennelijk door zijn werkzaamheden niet verhinderd persoonlijk ter zitting te verschijnen. De aard van de onderhavige procedure geeft bovendien geen aanleiding te veronderstellen dat zulks voor eiser, bijvoorbeeld vanwege persoonlijke emotionele betrokkenheid, als (te) belastend zou moeten worden aangemerkt. Deze omstandigheden geven de rechtbank aanleiding te oordelen dat eiser de kosten voor het verschijnen van zijn gemachtigde ter zitting niet redelijkerwijs heeft moeten maken.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 165,– aan hem te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakt proceskosten vastgesteld op € 610,75.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.H. Rijken - Lie, rechter, in aanwezigheid van

drs. J.A. Meijer - Habraken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

15 december 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.