Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:7601

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-12-2014
Datum publicatie
15-12-2014
Zaaknummer
01/820912-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/820912-13

Datum uitspraak: 15 december 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1964],

wonende te[woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 december 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 oktober 2014.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 1 december 2014 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2005

tot en met 4 februari 2006 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer]

[slachtoffer], geboren op [1990], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog

niet die van zestien jaren had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer

ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede

bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer],

hebbende verdachte zich door die [slachtoffer] laten pijpen en/of aftrekken en/of die

[slachtoffer] gepijpt en/of afgetrokken;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op en of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2005

tot en met 4 februari 2006 te Eindhoven, met [slachtoffer], geboren op [1990]

[1990], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens)

buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, (telkens)

bestaande uit het zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en/of het pijpen en/of

aftrekken van die [slachtoffer];

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode

van 1 januari 2005 tot en met 4 februari 2008 te Eindhoven een of meermalen

door giften of beloften van geld of goed of misbruik van uit feitelijke

verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding, te weten (telkens)

door het betalen van (een) geldbedrag(en) en/of het in het vooruitzicht

stellen van de betaling van (een) geldbedrag(en), een persoon, [slachtoffer],

geboren op [1990], waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest

vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen, te weten het zich door die

[slachtoffer] laten pijpen en/of aftrekken en/of het pijpen en/of aftrekken van die

[slachtoffer] door hem, verdachte, te plegen of zodanige handelingen van verdachte te

dulden.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen en eist een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging concludeert tot integrale vrijspraak van verdachte.

Vrijspraak.

Ten aanzien van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld wat de exacte leeftijd van [slachtoffer] was ten tijde van de (betaalde) seksdates met verdachte. In het bijzonder kan niet zonder gerede twijfel worden vastgesteld dat [slachtoffer] ten tijde van de aan verdachte ten laste gelegde gedragingen al dan niet de leeftijd van 16 jaren had bereikt. Enerzijds weet [slachtoffer] zelf niet meer precies hoe oud hij toentertijd was en anderzijds heeft hij -naar eigen zeggen- met meerdere personen (betaalde) seksdates gehad. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [slachtoffer] daarover pas jaren later is gehoord, hetgeen van invloed kan zijn geweest op zijn beleving en zijn herinneringen.

Tot slot overweegt de rechtbank dat verdachte heeft verklaard dat hij zeker wist dat [slachtoffer] meerderjarig was toen zij seksdates met elkaar hadden.

Gelet hierop acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde.

Weliswaar bevat het dossier aanwijzingen dat [slachtoffer] nog niet meerderjarig was ten tijde van de betaalde seksdates met verdachte, maar op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte wist dat [slachtoffer] nog niet meerderjarig was. Volgens verdachte was [slachtoffer] immers meerderjarig.

Evenmin is de rechtbank op grond van het dossier gebleken van feiten en omstandigheden op basis waarvan verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer] nog niet meerderjarig was. Daar komt nog bij dat [slachtoffer] bij de politie heeft verklaard dat hij niet wist wat verdachte over zijn leeftijd wist en het volgens hem goed kon zijn dat verdachte dacht dat hij meerderjarig was.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer] nog niet meerderjarig was, zodat de rechtbank verdachte ook zal vrijspreken van het meer subsidiair ten laste gelegde.

DE UITSPRAAK

Ten aanzien van primair, subsidiair en meer subsidiair:

Vrijspraak.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.A. Buijs, voorzitter,

mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,

in tegenwoordigheid van L.F.M. Schulte, griffier,

en is uitgesproken op 15 december 2014.

Mr. Verheggen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.