Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:754

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-02-2014
Datum publicatie
21-02-2014
Zaaknummer
01/825432-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming na hennepteelt in Sittard. Veroordeelde wordt een bedrag van EUR 44.275,- ontnomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer ontneming: 01/825432-11

Datum uitspraak: 21 februari 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1969],

wonende te [woonplaats], [adres].

Onderzoek van de zaak:

De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 141.735,30 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De officier van justitie heeft de vordering ter terechtzitting gewijzigd, in die zin dat thans hoofdelijke toewijzing van een bedrag van € 45.275,-- wordt gevorderd.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 januari 2014.

[verdachte] voornoemd (hierna: veroordeelde) is bij vonnis van 23 februari 2012 door de meervoudige kamer van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch veroordeeld voor onder meer ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” in de periode van 1 juli 2011 tot en met 12 augustus 2011, betreffende de hennepkwekerij in de loods op het adres [adres] te [plaats].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht aannemelijk dat veroordeelde 8 oogsten heeft gehad in de loods [adres] te [plaats] en dat dit in totaal € 45.275,-- heeft opgebracht voor veroordeelde. Dit betreft het wederrechtelijk voordeel dat is verkregen door veroordeelde en [medeverdachte 1] (medeverdachte in de strafzaak, tevens zijn toenmalige partner) in de periode van 1 januari 2010 tot 12 augustus 2011. Veroordeelde had in de periode dat hij met [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] (beide laatstgenoemden waren ook medeverdachten in de strafzaak) een hennepkwekerij in voornoemde loods had, een relatie met [medeverdachte 1] voornoemd. Hij voerde een gezamenlijke huishouding met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] heeft gedeeld in de door veroordeelde ontvangen opbrengst. Uit de verklaringen bij de politie blijkt dat de kosten door de investeerders zijn betaald. Er dienen dan ook geen kosten op voornoemd bedrag in mindering te worden gebracht. De officier van justitie verzoekt hoofdelijke oplegging van voornoemd bedrag.

De officier van justitie ziet geen aanleiding het bedrag te matigen, omdat er op basis van de stukken niet gezegd kan worden dat er geen toekomstige draagkracht is.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe verzoekt de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen voor maximaal 7 oogsten op een geldbedrag van ten hoogste € 30.215,20 bruto, waarop de eigen investeringen van cliënt nog in mindering dienen te worden gebracht, en cliënt en zijn ex-partner hoofdelijk aansprakelijk te stellen dan wel de betalingsverplichting voor cliënt te bepalen op een toewijsbaar gedeelte van een bedrag. Dit bedrag wordt volgens de raadsvrouwe ondersteund door de berekening van Enexis en de eerste verklaring van cliënt omtrent de maximale bruto-opbrengst van € 30.275.

Veroordeelde heeft op dit moment geen draagkracht en zal naar redelijke verwachting ook in de toekomst geen draagkracht hebben. De raadsvrouwe verzoekt het bedrag te matigen tot nihil, ter voorkoming van een soortgelijk verzoek in de toekomst in de executiefase.

De beoordeling1

De vordering is tijdig ingediend.

Op grond van de bewijsmiddelen is de meervoudige strafkamer van de rechtbank van oordeel dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van andere feiten dan het feit ter zake waarvan betrokkene is veroordeeld, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.

In het financieel onderzoek wordt becijferd dat het door veroordeelde uit de productie van hennep verkregen voordeel in de periode van 1 januari 2008 tot en met 13 augustus 2011 minimaal € 40.000,-- bedraagt op basis van de verklaringen van de verdachten in de strafzaak en dat het voordeel bij berekening volgens het BOOM-rapport

€ 141.735,30 bedraagt. In deze periode, tot ongeveer halverwege de maand juli 2011, had veroordeelde een relatie met [medeverdachte 1], tegen wie de officier van justitie ook een ontnemingsvordering heeft ingediend.

Op 13 augustus 2011 wordt op de locatie [adres] te [plaats] in een bedrijfspand gehuurd door [medeverdachte 2] een niet in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Er stonden 665 plantenpotten in het pand, waarin hennepplanten hadden gestaan.2

Veroordeelde heeft ter terechtzitting verklaard dat hij met [medeverdachte 2] voornoemde hennepkwekerij heeft opgebouwd. De hennepkwekerij is in werking geweest vanaf 1 januari 2010 tot 12 augustus 2012. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] verrichtten regelmatig werkzaamheden in de hennepkwekerij, waaronder het knippen van de hennepplanten.3

Veroordeelde kreeg 30% van de opbrengst, 30% ging naar [medeverdachte 2] en 40% was voor de –rechtbank onbekend gebleven- investeerders.4

Er stonden in de loods twee bakken met 336 stekken per bak.5 Veroordeelde heeft verklaard dat hij er € 30.000,-- tot € 35.000,-- aan heeft verdiend, maar weet het allemaal niet meer precies.6

Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat veroordeelde in ieder geval vanaf 1 januari 2010 tot 12 augustus 2011 actief betrokken is geweest bij de hennepkwekerij aan het adres [adres] te [plaats] en financieel voordeel heeft genoten uit de opbrengst van deze hennepkwekerij.

Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel volgt de rechtbank de berekening van de officier van justitie ter zitting.

Dit houdt het navolgende in:

De opbrengst.

[medeverdachte 2] heeft bij de politie op 15 september 2011 verklaard dat de eerste oogst voor hem

€ 12.000,--, de tweede oogst € 8.000,-- de derde oogst € 7.000,--, de vierde oogst niets, de vijfde oogst € 250,--, de zesde oogst niets, de zevende oogst € 10.000,-- en de achtste oogst tussen de € 8.000,-- en € 10.000,-- heeft opgeleverd.7 Veroordeelde kreeg voor zijn aandeel een gelijk bedrag als [medeverdachte 2].8

Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat de rechtbank uit van deze door [medeverdachte 2] genoemde bedragen, met dien verstande dat voor de achtste oogst in het voordeel van veroordeelde wordt uitgegaan van een bedrag van € 8.000,--. Gezien de periode waarin hennep is gekweekt, waren 8 oogsten als door [medeverdachte 2] is verklaard, ook haalbaar.

Veroordeelde heeft bij de politie verklaard dat hij voor de gelukte oogsten € 7.000,-- tot

€ 10.000,-- per man per oogst heeft ontvangen.9

Veroordeelde heeft verklaard dat het acht oogsten geweest kunnen zijn.10 Een aantal van deze oogsten is mislukt.

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen, met name de verklaring van [medeverdachte 2], aannemelijk dat veroordeelde voor de 8 oogsten een bedrag van € 45.275,-- heeft ontvangen.

De kosten.

De verdediging heeft aangevoerd dat veroordeelde een aantal kosten heeft gemaakt, die in mindering dienen te worden gebracht. Veroordeelde zou twee op maat gemaakte luchtkokers op de loods hebben laten plaatsen en een knipmachine en een cannacutter hebben gekocht, waarvoor in totaal een bedrag van € 5.000,-- door veroordeelde zou zijn geïnvesteerd. Voorts zou veroordeelde per oogst een bedrag van € 1.890,-- hebben geïnvesteerd voor onder meer huur en voeding.

De rechtbank constateert dat veroordeelde meerdere malen bij de politie is gehoord. Tijdens deze verhoren heeft veroordeelde steeds verklaard dat de kosten door de investeerders zijn betaald.

Zo heeft veroordeelde onder meer verklaard dat ze de stekjes kregen van degene die hen geld had geleend voor de kwekerij.11 De investeerder die hen geld had geleend moest zijn geld terug hebben, dat is er bij de eerste oogst al vanaf gehouden.12

Bij de oogsten die mislukten, kregen ze minder geld. Met alle onkosten eraf hielden ze dan niet veel over.13

Dat voornoemde kosten door de investeerders zijn betaald wordt naar het oordeel van de rechtbank ook bevestigd door de inhoud van bijlage 12 van bijlage 1614, alwaar voor ‘huur, voeding, cap en div’een bedrag aan € 6.300,-- aan kosten in mindering wordt gebracht op de opbrengst, waarna het resterende deel wordt verdeeld onder veroordeelde, [medeverdachte 2] en de investeerders.

Veroordeelde heeft niet eerder, ook al werd naar de door hem gedane uitgaven ten behoeve van de hennepkwekerij gevraagd, over de kosten met betrekking tot de cannacutter, knipmachine of luchtkokers verklaard. Deze gestelde kosten heeft hij ook verder op geen enkele wijze onderbouwd.

[medeverdachte 2] bevestigt bovendien de verklaring van veroordeelde bij de politie dat de kosten van de opbrengst werden gehaald. Van het bedrag dat over bleef kregen de investeerders 40% en veroordeelde en [medeverdachte 2] ieder 30%.15

De rechtbank acht op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting de door de verdediging genoemde kosten niet aannemelijk geworden en zal deze dan ook niet in mindering brengen.

Het voorwaardelijk verzoek tot aanhouding.

Mocht de rechtbank vinden dat de opgevoerde kosten van € 5.000,--, zoals hiervoor vermeld, onvoldoende zijn onderbouwd, dan heeft de verdediging verzocht de behandeling van de zaak aan te houden, zodat veroordeelde de kosten kan onderbouwen met stukken die in Duitsland liggen dan wel in beslag zijn genomen.

De rechtbank verwerpt dit voorwaardelijk verzoek om aanhouding. De verdediging komt pas kort voor de zitting met het standpunt dat deze kosten zouden zijn gemaakt en eerst pas op de zitting wordt verwezen naar onderliggende stukken die er zouden zijn. De rechtbank vermag niet in te zien dat de verdediging niet eerder heeft kunnen (laten) onderzoeken waar deze stukken die zijn verhaal kunnen onderbouwen zouden zijn. Dat er wellicht beslag op deze schriftelijke bescheiden zou rusten en veroordeelde Nederland niet uit kan of mag, acht de rechtbank niet redengevend.

De opbrengst van de ex-partner.

Veroordeelde heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte 1] in totaal uit de opbrengsten van de oogsten niet zoveel heeft ontvangen. Misschien € 100,-- tot € 150,-- per keer en in totaal € 1.000,--.16

[medeverdachte 3] heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte 1] haar deel voor het knippen uit het deel van veroordeelde kreeg. [medeverdachte 1] kreeg per uur betaald dat ze in de hennepkwekerij werkte. [medeverdachte 3] heeft gezien dat veroordeelde € 1.000,-- aan [medeverdachte 1] gaf.17

Ter terechtzitting heeft veroordeelde verklaard dat [medeverdachte 1] volledig in de opbrengst heeft gedeeld en dat hij haar rol heeft willen afzwakken ter compensatie van hetgeen is gebeurd nadat hij haar verdacht van diefstal van de hennep.

Met betrekking tot de opbrengst voor [medeverdachte 1] houdt de rechtbank veroordeelde aan zijn verklaring afgelegd bij de politie, welke verklaring enigszins wordt bevestigd door de verklaring van [medeverdachte 3] dat [medeverdachte 1] per uur kreeg betaald. Veroordeelde heeft verklaard dat hij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] betaalde en [medeverdachte 3] was [medeverdachte 2] probleem. [medeverdachte 1] kreeg per uur betaald, aldus veroordeelde.

Op grond van deze verklaringen acht de rechtbank aannemelijk dat [medeverdachte 1] in ieder geval een bedrag van € 1.000,-- heeft ontvangen voor haar werkzaamheden in de hennepkwekerij en dat zij per uur of per oogst werd betaald door veroordeelde. Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat [medeverdachte 1] gelijkelijk heeft gedeeld in de door veroordeelde ontvangen opbrengst. Het feit dat [medeverdachte 1] een gezamenlijke huishouding voerde met veroordeelde maakt dit niet anders en acht de rechtbank voor die conclusie onvoldoende.

Dat veroordeelde de opbrengst van de hennepkwekerij grotendeels ten eigen bate heeft aangewend, leidt de rechtbank ook af uit de omstandigheid dat uit zijn verklaring bij de politie18 blijkt dat hij heel veel uitgaven (waaronder zakelijke voor zijn bedrijf) heeft gedaan met de opbrengsten van de hennepkwekerij.

De rechtbank zal dit bedrag van € 1.000,-- in mindering brengen als kosten.

Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Alles afwegend schat de rechtbank het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op € 45.275,-- - (het aan [medeverdachte 1] betaalde bedrag van) € 1.000,-- = € 44.275,--.

Het draagkrachtverweer.

Door en namens de veroordeelde is aangevoerd dat hij niet kan werken in verband met zijn gezondheid. Gelet op de huidige en toekomstige draagkracht heeft veroordeelde onvoldoende draagkracht om een groot geldbedrag te betalen.

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting onvoldoende is gebleken dat veroordeelde nu en in de toekomst nimmer over voldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen. Gelet op het bepaalde in artikel 577b lid 2 van het Wetboek van Strafvordering bestaat de mogelijkheid voor veroordeelde de draagkracht in de executiefase wederom aan de orde te stellen.

Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden, op grond waarvan het door veroordeelde te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel.

De rechtbank zal de verplichting aan veroordeelde tot betaling van € 44.275,-- aan de Staat opleggen.

De rechtbank zal het meer of anders gevorderde waaronder de gevorderde hoofdelijkheid afwijzen.

Toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op

€ 44.275,-- (vierenveertigduizend tweehonderdvijfenzeventig euro).

Legt aan [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 44.275,-- (vierenveertigduizend tweehonderdvijfenzeventig euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij, door middel van andere feiten dan het feit ter zake waarvan hij is veroordeeld, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan, heeft verkregen.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M.J. Raeijmaekers, voorzitter,

mr. J.H.L.M. Snijders en mr. N.I.B.M. Buljevic, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 21 februari 2014.

1 Een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van de regiopolitie Brabant Zuid Oost, gezamenlijke recherche Eindhoven met rapportnummer 2011119760.80775.[verdachte].36e lid2, afgesloten d.d. 13 februari 2013, , aantal doorgenummerde pagina’s 458, met bijlagen

2 Bevindingen verbalisanten pag. 300

3 Verklaring veroordeelde ter terechtzitting

4 Verklaring veroordeelde ter terechtzitting

5 Verklaring veroordeelde, pag. 191

6 Verklaring veroordeelde, pag. 189

7 Verklaring [medeverdachte 2], pag. 122

8 Verklaring veroordeelde ter terechtzitting

9 Verklaring veroordeelde pag. 171

10 Verklaring veroordeelde ter terechtzitting

11 Verklaring veroordeelde pag. 176

12 Verklaring veroordeelde pag. 179

13 Verklaring veroordeelde pag. 189

14 Berekening pag. 225

15 Verklaring [medeverdachte 2], pag. 104-105

16 Verklaring veroordeelde pag. 192

17 Verklaring [medeverdachte 3] pag. 145

18 Verklaring veroordeelde pag. 206