Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:7537

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-12-2014
Datum publicatie
12-12-2014
Zaaknummer
14 _ 4006
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting bedrijfsruimte wegens aanwezigheid van drugs.

Gelet op de in de bedrijfsruimte aangetroffen hoeveelheid softdrugs en harddrugs heeft verweerder mogen aannemen dat de drugs in het pand aanwezig waren om te worden verkocht, afgeleverd of verstrekt. Verweerder was op grond van artikel 13b van de Opiumwet dan ook bevoegd de bedrijfsruimte conform zijn beleidsregels voor twaalf maanden te sluiten.

Aan de stelling van verzoeker dat vanwege de pseudokoop sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs kan in het kader van de onderhavige bestuursrechtelijke procedure geen relevante betekenis worden toegekend. Voor het ontstaan van de bevoegdheid tot sluiting is immers niet vereist dat de drugs daadwerkelijk vanuit het pand zijn verkocht, afgeleverd of verstrekt.

De omstandigheid dat verzoeker, naar eigen zeggen, niet van de aanwezigheid van hasjiesj in de bedrijfsruimte op de hoogte was, laat de bevoegdheid tot sluiting onverlet. Dat de verkoop door zijn vroegere partner volgens verzoeker één enkel op zich zelf staand incident betrof, wat daar ook van zij, maakt evenmin dat verweerder niet tot sluiting van de bedrijfsruimte mocht overgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 14/4006

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 december 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. M.J. van de Laar),

en

de burgemeester van de gemeente Eindhoven, verweerder

(gemachtigde: F. van Laanen).

Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder gelast dat de bedrijfsruimte aan de [adres 1] in Eindhoven voor de duur van twaalf maanden wordt gesloten.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij faxbericht van 13 november 2014 heeft verweerder de voorzieningenrechter medegedeeld dat met de effectuering van de sluiting zal worden gewacht totdat op het verzoek om een voorlopige voorziening is beslist.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2014, waar verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. P.J.A. van de Laar, kantoorgenoot van zijn gemachtigde, en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid van de algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten. Verzoeker is exploitant van Greenbuddies, een handelsonderneming in tuinartikelen, zaden en lifestyle producten, gevestigd aan de [adres 1] in Eindhoven. Tot 9 oktober 2014 was Greenbuddies een vennootschap onder firma, die werd gedreven door verzoeker en [persoon 1]. Met ingang van 9 oktober 2014 wordt Greenbuddies door verzoeker als eenmanszaak geëxploiteerd. Het pand aan de [adres 1] is eigendom van [persoon 2].

4. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat volgens informatie van de politie in de bedrijfsruimte aan de [adres 1] hennepolie (18,9 gram; transactieproces op 8 en 15 juli 2014) en hennepstekken (5 stuks; transactieproces op 15, 22 en 25 juli 2014) zijn verkocht, afgeleverd en/of verstrekt en hasjiesj (116 gram) aanwezig was (op 30 september 2014). Verweerder heeft onder meer verwezen naar een bestuurlijk advies van de districtschef van de politie Eindhoven/De Kempen van 13 oktober 2014, een op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal uitslag sporenonderzoek van 16 september 2014 met als bijlage een rapport identificatie van drugs en precursoren van het Nederlands Forensisch Instituut van 4 september 2014 en een op ambtseed opgemaakt en ondertekend proces-verbaal van bevindingen van 6 oktober 2014. Voor de duur van de sluiting heeft verweerder aansluiting gezocht bij het door hem gevoerde beleid, neergelegd in de Beleidsregels Artikel 13b Opiumwet in de B5-gemeenten van 13 juni 2013 (de beleidsregels). Bij een cumulatie van op te leggen maatregelen is de zwaarst gestelde maatregel van toepassing, in dit geval sluiting voor twaalf maanden. Volgens verweerder is geen sprake van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van dit beleid.

5. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of lijst II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt, dan wel daartoe aanwezig is.

6. In paragraaf 3 van de beleidsregels is aangegeven dat in geval van een hoeveelheid van meer dan 5 hennepstekjes of planten aangenomen wordt dat sprake is van beroeps- en bedrijfsmatige hennepteelt. Er is dus geen sprake van een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik. Er is bij hennepknipperijen, drogerijen en buitenteelt vaak sprake van meer dan 30 gram hennep of hasjiesj. In het geval van 30 gram of meer hennep of hasjiesj brengt dit het risico van overdraagbaarheid met zich mee. Dit – meer dan 5 planten of meer dan 30 gram softdrugs – wordt in deze beleidsregel in ieder geval beschouwd als een handelshoeveelheid voor het verkopen, afleveren, verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn in de zin van artikel 13b van de Opiumwet.

7. In paragraaf 3.III van de beleidsregels is, voor zover hier van belang, bepaald dat de niet gedoogde verkooppunten van drugs worden gesloten in de volgende gevallen:

“- harddrugs in niet gedoogde verkooppunten van drugs


Bij een 1e constatering dat in al dan niet voor publiek toegankelijke lokalen – niet zijnde feitelijk bewoonde woningen – en daarbij behorende erven drugshandel t.a.v. harddrugs wordt geconstateerd, wordt het pand gesloten voor de duur van 12 maanden (minimaal). (…)

- softdrugs in niet gedoogde verkooppunten van drugs

Bij een 1e constatering dat in al dan niet voor publiek toegankelijke lokalen – niet zijnde feitelijk bewoonde woningen – en daarbij behorende erven drugshandel ten aanzien van softdrugs wordt geconstateerd, wordt het pand gesloten voor de duur van 6 maanden. (…).”

In paragraaf 4 van de beleidsregels (“cumulatie”) is bepaald dat bij cumulatie van op te leggen maatregelen de zwaarst gestelde maatregel van toepassing is of kan worden afgeweken van het beleid.

8. Niet in geschil is dat de bedrijfsruimte aan de [adres 1] een lokaal is als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet en een niet-gedoogd verkooppunt van drugs in de zin van de door verweerder gehanteerde beleidsregels. Ter zitting is verder gebleken dat niet langer in geschil is dat de aangetroffen hennepolie harddrugs betreft als bedoeld op lijst I van de Opiumwet.

9. Verzoeker betwist dat de aangetroffen hennepstekken en hasjiesj middelen
zijn als bedoeld op lijst II bij de Opiumwet. Hij voert daartoe aan dat hij niet van de aanwezigheid van de hasjiesj op de hoogte was en dat deze van een vroegere exploitant en dus oud moet zijn geweest. Vanwege de ouderdom kunnen er volgens verzoeker geen verboden stoffen meer in de aangetroffen plak zitten. Hij wijst erop dat slechts een voorlopig onderzoek is ingesteld naar de aard van de aangetroffen middelen en is van mening dat verweerder niet op de resultaten daarvan had mogen afgaan. Verzoeker stelt verder dat hij van [persoon 1] heeft vernomen dat de stekken die zijn aangetroffen geen stekken zijn, maar van zaad opgetrokken planten van een soort met een hoog CBD-gehalte en weinig THC.

10. Volgens vaste rechtspraak mag verweerder in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Afdeling, van 30 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:371).

11. Uit het op 6 oktober 2014 op ambtseed opgemaakt en ondertekend proces-verbaal van bevindingen blijkt dat met de voorlopige MMC-narcoticatest indicatief positief is getest op cannabis en dat het op 30 september 2014 in de bedrijfsruimte aangetroffen middel naar uiterlijke verschijningsvorm en reuk vermoedelijk cannabis/hasjiesj is. In het bestuurlijk advies van 13 oktober 2014 heeft de districtschef van politie aangegeven dat in de bedrijfsruimte aan de [adres 2] hennepstekken zijn aangetroffen “die door de collega zelf aan de hand van onder andere vorm en geur herkend werden als hennepplanten c.q. hennepstekken”.

12. Met de door verweerder overgelegde stukken is voldoende komen vast te staan dat in de bedrijfsruimte aan de [adres 1] aangetroffen middelen hennepstekken en hasjiesj en dus middelen als bedoeld op lijst II bij de Opiumwet zijn. De enkele ontkenning van verzoeker dat sprake is van verdovende middelen als bedoeld op lijst II bij de Opiumwet, is onvoldoende om de juistheid van de in het proces-verbaal van 6 oktober 2014 en het bestuurlijk advies van 13 oktober 2014 neergelegde bevindingen in twijfel te trekken. Niet valt verder in te zien waarom verweerder zich voor zijn besluitvorming niet zou mogen baseren op de uitslagen van indicatieve testen, zoals verzoeker stelt. Dit geldt temeer nu verzoeker geen begin van bewijs heeft geleverd dat de uitslagen van deze testen niet juist zouden zijn.

13. Verzoeker stelt dat het bewijs in deze zaak onrechtmatig is verkregen via pseudokoop. Hij geeft aan dat hij zelf niets van doen heeft gehad met het verkopen of afleveren van hennepolie of hennepstekken. De transactie heeft plaatsgevonden met zijn eerdere partner [persoon 1]. Er is geen enkel bewijs dat [persoon 1] deze producten vanuit de bedrijfsruimte aan de [adres 1] aan andere personen dan de betreffende politieagent heeft verkocht en geleverd. De transactie staat volledig op zichzelf, aldus verzoeker. Hij stelt verder dat sprake is van rechtsongelijkheid, omdat de gebruikte opsporingsmethode niet wordt ingezet bij andere zaken in Eindhoven.

14. Zoals de Afdeling meermalen heeft overwogen brengt de enkele aanwezigheid van
een handelshoeveelheid drugs in een pand met zich dat aan artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet de bevoegdheid tot sluiting van dat pand kan worden ontleend. Bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand die groter is dan de hoeveelheid voor eigen gebruik, is in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor de verkoop, levering of verstrekking, waarbij een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram en een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram als hoeveelheid voor eigen gebruik wordt aangemerkt. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbende op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Slaagt hij hierin niet, dan is de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om tot sluiting van het pand over te gaan (zie de uitspraken van de Afdeling van 26 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1070, 30 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:371, 26 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1058, en 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:554). Verweerder merkt in zijn beleidsregels
overigens een hoeveelheid van meer dan 5 hennepplanten of meer dan 30 gram softdrugs als handelshoeveelheid aan.

15. Gelet op de in de [adres 1] aangetroffen hoeveelheid softdrugs (116 gram hasjiesj en 5 hennepstekken) en harddrugs (18,9 gram hennepolie) heeft verweerder mogen aannemen dat de drugs in het pand aanwezig waren om te worden verkocht, afgeleverd of verstrekt. Verweerder was op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet dan ook bevoegd de bedrijfsruimte aan de [adres 1] conform zijn beleidsregels voor twaalf maanden te sluiten.

16. Aan de stelling van verzoeker dat het door de pseudokoop verkregen bewijs moet worden aangemerkt als onrechtmatig verkregen bewijs kan in het kader van de onderhavige bestuursrechtelijke procedure geen relevante betekenis worden toegekend. Voor het ontstaan van de bevoegdheid tot sluiting is immers niet vereist dat de drugs daadwerkelijk vanuit het pand zijn verkocht, afgeleverd of verstrekt (zie de uitspraken van de Afdeling van 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2947 en 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2562). Ook de stelling van verzoeker dat sprake is van rechtsongelijkheid, omdat bij andere ondernemingen niet met pseudokoop wordt gewerkt, kan daarom onbesproken blijven.

17. De stelling van verzoeker dat hij niet van de aanwezigheid van hasjiesj in de bedrijfsruimte op de hoogte was en dat niet hij, maar zijn voormalige partner [persoon 1] de hennepolie en hennepstekken heeft verkocht, laat de bevoegdheid tot sluiting onverlet. De persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitant speelt immers geen rol bij de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting noopt. Verzoeker is als exploitant verantwoordelijk voor de gang van zaken in zijn bedrijf en dient afdoende maatregelen te treffen om situaties als hier aan de orde te voorkomen (zie de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1070). De sluiting heeft bovendien geen bestraffend, maar een herstellend karakter.

18. Dat de verkoop door [persoon 1] volgens verzoeker één enkel op zich zelf staand incident betrof, wat daar ook van zij, maakt niet dat verweerder niet tot sluiting van de bedrijfsruimte mocht overgaan. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid het beleid kan voeren dat bij eerste constatering van een handelshoeveelheid drugs tot sluiting van het desbetreffende lokaal wordt overgegaan
(zie de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2947)

19. Verzoeker voert aan dat hij een blanco strafblad en een goede reputatie heeft. Hij is de kostwinner van zijn gezin, dat zwaar getroffen zal worden als de bedrijfsruimte wordt gesloten.

20. Op grond van artikel 4:84 van Awb kan verweerder afwijken van zijn handhavingsbeleid, indien handelen overeenkomstig dat beleid gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Een sluitingsduur van twaalf maanden is conform paragraaf 4 van de beleidsregels. De door verzoeker aangevoerde omstandigheden zijn niet dusdanig bijzonder dat verweerder van sluiting had moeten afzien of tot sluiting voor een kortere duur had moeten overgaan. Het door verzoeker aangevoerde financiële nadeel is een direct gevolg van de sluiting en moet daarom geacht bij de vaststelling van het beleid te zijn meegewogen (zie de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2947).

21. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in bezwaar naar verwachting in stand zal blijven, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

22. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening daarom afwijzen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Manie, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.