Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:748

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
25-02-2014
Zaaknummer
12_2375
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Na de tussenuitspraak heeft verweerder een nieuw besluit genomen. De StAB heeft advies uitgebracht ten aanzien van het aspect geluid en is op verzoek van de rechtbank ter zitting verschenen. Naar aanleiding van de zitting heeft verweerder nog een aanvullend akoestisch onderzoek overgelegd. Dit aanvullende akoestisch onderzoek is onvolledig. Niet kan worden vastgesteld of bij het toepassen van de combinatie van maatregelen (gebruik van een gemodificeerde buks en gedempte kogelvanger) wel kan worden voldaan aan de geldende toetsingswaarden. De voorschriften verbonden aan het nieuwe besluit bieden onvoldoende waarborg dat de schietboom en/of de activiteiten, die gepaard gaan met het gebruik van de schietboom, geen hinder of belemmeringen veroorzaken voor omliggende bedrijven of woningen. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op de aanvraag omgevingsvergunning. De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder nogmaals de gelegenheid te bieden de gebreken te herstellen. Verweerder heeft tot twee keer toe deze gelegenheid gehad maar is hierin niet geslaagd. Het bieden van een derde gelegenheid zou leiden tot een onaanvaardbare vertraging van de einduitspraak.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, geldigheid: 2014-02-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/254

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Bestuursrecht

Zaaknummers: SHE 12/2375

SHE 12/2379

Uitspraak van de meervoudige kamer van 19 februari 2014 in de zaak tussen

1.

[eisers 1], te [woonplaats], eisers 1,

(gemachtigde: [gemachtigde 1a]),

2.

[eisers 2], te [woonplaats], eisers 2,

(gemachtigde: [gemachtigde 1b]),

en

[verweerder], verweerder,

(gemachtigde:[gemachtigde 2]).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen vergunninghoudster

[vergunninghouder], te [woonplaats],

(gemachtigde: [gemachtigde 3]).

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [gemachtigde 3] een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ten behoeve van het plaatsen van een schietboom met kogelvanger op het perceel [adres] te [woonplaats] (verder: de projectlocatie).

Bij besluit van 5 juni 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning aan vergunninghoudster verleend, waarbij aanvullende voorwaarden met betrekking tot het gebruik van de schietboom aan de vergunning zijn verbonden.

Eisers hebben hiertegen afzonderlijk beroep ingesteld. Het beroep van eisers 1 is geregistreerd onder zaaknummer SHE 12/2375. Het beroep van eisers 2 is geregistreerd onder zaaknummer SHE 12/2379. De zaken zijn door de rechtbank Maastricht met toepassing van artikel 8:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden naar deze rechtbank.

De zaken zijn gelijktijdig behandeld op de zitting van 22 januari 2013, waar eisers 1 deels zijn verschenen en waar eisers 2 zijn verschenen bijgestaan door hun gemachtigde en vergezeld van[gemachtigde 4], werkzaam bij [bedrijf]. Verweerder is verschenen. Vergunninghoudster heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door de gemachtigde, bijgestaan door [gemachtigde 5], [gemachtigde 6] en [gemachtigde 7].

De rechtbank heeft op 19 februari 2013 een tussenuitspraak gedaan en verweerder in de gelegenheid gesteld om de in het bestreden besluit geconstateerde gebreken te herstellen. Verweerder heeft op 14 mei 2013 een nieuw besluit genomen en dit op 17 mei 2013 aan de rechtbank gezonden. Vergunninghoudster en eisers hebben hierop afzonderlijk gereageerd.

Op verzoek van de rechtbank heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) op 5 september 2013 een advies uitgebracht. Eisers en vergunninghoudster hebben hierop afzonderlijk gereageerd.

De zaak is vervolgens behandeld op de zitting van 7 november 2013 waar eisers 1 deels zijn verschenen en waar namens eisers 2 [eiser 3] is verschenen bijgestaan door hun gemachtigde en vergezeld van[gemachtigde 4]. Verweerder is verschenen bij gemachtigde alsmede [gemachtigde 8], werkzaam bij het hem adviserende bureau [bedrijf 1]. Vergunninghoudster heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door de gemachtigde, bijgestaan door[gemachtigde 9]. De rechtbank heeft ter zitting de StAB als deskundige gehoord. Namens de StAB is verschenen ing. J. Koedoot.

Naar aanleiding van de zitting heeft verweerder op 22 november 2013 de resultaten van een aanvullend akoestisch onderzoek overgelegd. Eisers 2, vergunninghoudster en de StAB hebben hierop afzonderlijk gereageerd. Partijen hebben kennis genomen van elkaars reacties. Daarna heeft de rechtbank met toestemming van partijen het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1 In het besluit van 14 mei 2013 trekt verweerder het bestreden besluit in met uitzondering van de beslissing omtrent de proceskostenveroordeling en herroept verweerder het primaire besluit. Verder besluit verweerder een omgevingsvergunning te verlenen aan vergunninghoudster voor de activiteiten bouwen en gebruik in strijd met het bestemmingsplan voor het plaatsen van een schietboom met kogelvanger. Het akoestisch onderzoek van [bedrijf 1] van 6 mei 2013 (verder: het akoestisch onderzoek) wordt als bijlage aan de omgevingsvergunning gehecht. Aan de omgevingsvergunning is een aantal voorschriften verbonden waaronder voorwaarden aan het gebruik van de schietboom. Hierin is onder meer opgenomen dat de schietboom mag worden gebruikt voor reguliere trainingen gedurende vier aaneengesloten uren per week en voor bijzondere trainingen gedurende zes maal per jaar gedurende vier aaneengesloten uren per training.

1.2 De rechtbank beschouwt het besluit van verweerder van 14 mei 2013 als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit heeft tot gevolg dat de beroepen van eisers zich tevens tegen dit besluit richten.

2.1 De tussenuitspraak bevat bindende eindbeslissingen en partijen moeten deze eindbeslissingen als een vaststaand gegeven beschouwen. Slechts in geval van nieuw gebleken feiten of omstandigheden, die redelijkerwijs niet vóór de tussenuitspraak hadden kunnen worden aangevoerd, kan in de einduitspraak tot een ander oordeel worden gekomen. Daarnaast is niet uit te sluiten dat het onder uitzonderlijke omstandigheden onaanvaardbaar kan zijn om in de eindbeslissing aan een tussenuitspraak vast te houden.

2.2 In de reactie van eisers 2 op het besluit van 14 mei 2013 wordt verwezen naar een notitie van het belangencomité[belangencomité] van 16 juni 2013 met het verzoek deze notitie als herhaald en ingelast te beschouwen. In deze notitie wordt betwist dat het uitzicht van enkele woningen slechts in beperkte mate zal worden beperkt door de schietboom. In rechtsoverweging 6.3 van de tussenuitspraak heeft de rechtbank een eindbeslissing gegeven over de gestelde aantasting van het uitzicht en het landschap. Er zijn geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die niet eerder hadden kunnen worden aangevoerd. De rechtbank laat deze opmerking dan ook buiten beschouwing.

2.3 Verder wordt in de hierboven genoemde notitie gesteld dat de dassenburcht in de nabijheid van de schietboom als gevolg van de activiteiten van vergunninghoudster wordt verstoord. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 8.3 van de tussenuitspraak een eindbeslissing gegeven over de wijze waarop verweerder rekening heeft gehouden met de aanwezige dassenburcht. Er zijn in de notitie geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die niet eerder hadden kunnen worden aangevoerd. Niet valt in te zien dat de opmerkingen met betrekking tot de verstoring van (het fourageergebied) van de dassenburcht niet eerder hadden kunnen worden geplaatst. Overigens is de rechtbank van oordeel dat de regels ter bescherming van de dassenburcht kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van eisers. Niet gebleken is dat de dassenburcht in de directe leefomgeving van eisers is gelegen. Gelet op deze redenen laat de rechtbank ook de opmerkingen met betrekking tot de dassenburcht met toepassing van artikel 8:69a van de Awb buiten beschouwing.

2.4 Eisers 1 stellen in hun reactie op het besluit van 14 mei 2013 dat de overige activiteiten van vergunninghoudster (waaronder het bezoek van andere schutterijen alsmede de geluidhinder afkomstig van festiviteiten bij de schietboom) ook moeten worden meegenomen in de beoordeling. Dit beschouwt de rechtbank als een nieuwe beroepsgrond. Mede gelet op de omstandigheid dat naar aanleiding van de tussenuitspraak juist een gericht onderzoek is verricht naar slechts het geluid van het traditioneel schieten acht de rechtbank het in strijd met een goede procesorde om in dit stadium van de procedure deze nieuwe grond in te dienen. Daarom laat de rechtbank deze stelling buiten beschouwing.

3.1 Verweerder heeft in het besluit van 14 mei 2013 overwogen dat door middel van voorwaarden kan worden voldaan aan de toetsingswaarde van de Handreiking Limburgs Traditioneel Schieten van Gedeputeerde Staten van Limburg (verder: de Handreiking). De rechtbank verstaat deze overweging aldus dat verweerder, in afwijking van het bestreden besluit, in het besluit van 14 mei 2013 de Handreiking in acht neemt.

3.2 In rechtsoverweging 10.2 van de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de Handreiking een reproduceerbaar, verifieerbaar en toetsbaar kader biedt om vast te stellen of het gebruik van de schietboom (geluid)hinder veroorzaakt op de woningen van eisers of op het stiltegebied. Door in het besluit van 14 mei 2013 de Handreiking in acht te nemen wordt het gebrek dat is geconstateerd in rechtsoverweging 3.5 van de tussenuitspraak hersteld. Hieronder zal worden beoordeeld of aan de Handreiking wordt voldaan.

4.1 Verweerder heeft zich in het besluit van 14 mei 2013 beroepen op het hierboven genoemde akoestisch onderzoek. Bij de toetsing in het akoestisch onderzoek is uitgegaan van een normstelling behorend bij het, in de Handreiking als zodanig benoemde omgevingstype 2 (verspreide bebouwing/beperkt verkeer) voor wat betreft de woningen in de nabijheid van de schietboom. Dit resulteert in een toegestaan Lknal niveau van 67 dB(A) in de avondperiode. Voor wat betreft het stiltegebied is uitgegaan van een normstelling behorend bij omgevingstype 1 (landelijk gebied-geen tot weinig verkeer), met een bijbehorende kwantitatieve waarde van 35-45 dB(A) resulterend in een toegestaan Lknal niveau van 65 dB(A) in de avondperiode.

4.2 Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat in ieder geval aan de achterzijde van de woningen van eisers aan de [adres 2] alsmede wat betreft de (gehele) woning [adres 2] 83 sprake is van omgevingstype 1 (Landelijk gebied/weinig, geen verkeer). Eisers verwijzen voorts naar een advies van de StAB in het kader van een procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) over het bestemmingsplan “[bestemmingsplan] te [woonplaats]”. In de onmiddellijke nabijheid van dit sportcomplex is de schietboom gelegen. In dit advies merkt de StAB op dat aan de achterzijde van de woningen 63 en 83 aan de [adres 2] een omgevingstype ‘landelijke omgeving’ passend zou kunnen zijn met een bijbehorende richtwaarde van 40 dB(A) Etmaalwaarde zoals bedoeld in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. Voor wat betreft het stiltegebied stellen eisers, onder verwijzing naar de reactie van het door hen ingeschakelde akoestische bureau[bedrijf 2], dat het alleen toetsen aan de norm voor omgevingstype 1 voorbij gaat aan de uitgangspunten van een stiltegebied, mede omdat op basis van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL) is bepaald dat stiltegebieden gebieden zijn die rustig moeten blijven met een akoestische kwaliteit lager dan 40 dB(A).

4.3 Vergunninghoudster heeft de typering van de omgeving door verweerder niet bestreden.

4.4 In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het op de weg van verweerder had gelegen om beter te onderbouwen welk omgevingstype van toepassing is. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 10.3 van de tussenuitspraak daarnaast de aanwijzing gegeven om het omgevingsgeluid met betrekking tot de directe omgeving van de woningen van eisers vast te stellen op de wijze als beschreven in de handreiking ‘Vastleggen bestaande situatiegeluid (nulsituatie)’ van de Regiegroep Geluid Limburg (www.geluidlimburg.nl). De rechtbank stelt vast dat verweerder dit laatste niet heeft gedaan.

4.5 De rechtbank is verder van oordeel dat in het rapport van [bedrijf 1] het stiltegebied terecht als omgevingstype 1 als bedoeld in de Handreiking is gekwalificeerd, te meer nu de Handreiking niet voorziet in omgevingstypes met lagere kwantitatieve waarden. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak reeds overwogen dat de Handreiking een reproduceerbaar, verifieerbaar en toetsbaar kader biedt. Indien de toetsingswaarde bij omgevingstype 1 in acht wordt genomen, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een aantasting van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap. Daarmee biedt de Handreiking voldoende waarborg tegen de aantasting van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap. In de stelling van eisers dat voor het stiltegebied een strengere normering zou gelden op basis van het POL, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.

4.6 De rechtbank is tot slot van oordeel dat in het rapport ten aanzien van de achterzijde van de woningen aan de [adres 2] vanaf nr. 63 tot en met nr. 83 in de rapportage van [bedrijf 1] onvoldoende wordt onderbouwd waarom wordt uitgegaan van de toetsingswaarden voor een nieuwe situatie in omgevingstype 2. Het rapport volstaat met een beschrijving van de plaatselijke situatie. Bovendien wordt de [adres 2] nr. 83 in de rapportage niet eens genoemd. De rechtbank is van oordeel dat dit een onvoldoende onderbouwing is en dat het besluit van 14 mei 2013 daarmee onvoldoende is gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank dient voor wat betreft de achterzijde van de woningen aan de [adres 2] vanaf nr. 63 tot en met nr. 83 te worden uitgegaan van de toetsingswaarden voor een nieuwe situatie in omgevingstype 1. Hierbij neemt de rechtbank de bevindingen van de StAB in de voornoemde bestemmingsplanprocedure in aanmerking alsmede de omstandigheid dat verweerder heeft nagelaten om het omgevingsgeluid met betrekking tot de directe omgeving van de woningen van eisers vast te stellen op de wijze als beschreven in de handreiking ‘Vastleggen bestaande situatiegeluid (nulsituatie)’ van de Regiegroep Geluid Limburg. Voor wat betreft de overige woningen is de rechtbank van oordeel dat gelet op de ligging daarvan van omgevingstype 2 kan worden uitgegaan. De rechtbank concludeert dat het gebrek niet is hersteld. Bovendien bevat de omgevingsvergunning die is verleend op 14 mei 2013 te hoge toetsingswaarden. Uit hetgeen hierboven is overwogen vloeit voort dat slechts indien voor wat betreft de achterzijde van de woningen aan de [adres 2] vanaf nr. 63 tot en met nr. 83 wordt uitgegaan van de toetsingswaarden voor een nieuwe situatie in omgevingstype 1, wordt voldaan aan de voorwaarde in artikel 6.4.3 van de planvoorschriften dat de schietboom en/of de activiteiten, die gepaard gaan met het gebruik van de schietboom, geen hinder of belemmeringen veroorzaken voor omliggende bedrijven of woningen. De rechtbank zal hieronder nagaan of aan de achterzijde van de woningen aan de [adres 2] 63 tot en met 83 en in het stiltegebied kan worden voldaan aan een norm van maximaal Lknal 70 dB(A) in de dagperiode (07.00-19.00 uur) en Lknal 65 dB(A) in de avondperiode
(19:00 uur – 21.30 uur) en bij de overige woningen aan een norm van Lknal 72 dB(A) in de dagperiode en Lknal 67 dB(A) in de avondperiode.

5.1 In het eerste akoestisch onderzoek zijn geluidmetingen verricht teneinde te onderzoeken of het gebruik van de schietboom leidt tot overschrijding van de toetsingswaarden in de Handreiking. In het akoestische onderzoek is een aantal maatregelen voorgesteld om overschrijding van de toetsingswaarde in de Handreiking te voorkomen. Verweerder heeft op basis hiervan voorwaarden aan de omgevingsvergunning verbonden.

Op verzoek van de rechtbank is in het aanvullend akoestisch onderzoek berekend wat de akoestische gevolgen zijn van de schietboom bij de combinatie van het gebruik van een gemodificeerde buks en gedempte kogelvanger die wordt beschreven in het akoestische onderzoek. In het aanvullende onderzoek wordt geconcludeerd dat bij het toepassen van deze maatregelen kan worden voldaan aan de toetsingswaarden voor omgevingstype 1, ook bij [adres 2] 83. In het rapport is, voor wat betreft het bronvermogen van de gedempte kogelvanger, uitgegaan van de waarden die in de Handreiking zijn gegeven.

5.2 In reactie op het akoestische onderzoek uiten eisers kritiek op de wijze van meten. Zij stellen dat de metingen ter plaatse van de woningen zijn verricht met tegenwind vanuit de bron gezien. Daardoor kan volgens eisers niet worden geverifieerd of de emissierelevante bronsterkte in combinatie met het opgestelde rekenmodel wel de juiste uitkomsten genereert en kan niet worden vastgesteld in welke mate niet wordt voldaan aan de toetsingswaarden in de Handreiking. Eisers wijzen hierbij op de grote mate van spreiding tussen de uitkomsten en meteogegevens van station Beek. Bovendien zijn de akoestische gevolgen voor de woning aan de [adres 2] 83 niet in kaart gebracht. Verder merken zij op dat niet is vastgelegd welke hoeveelheid kruit bij de metingen is gebruikt.

Ten aanzien van het aanvullende onderzoek hebben eisers aangegeven dat niet is vermeld met welk type buks is geschoten en met welke hoeveelheden kruit. Eisers hebben hierover verder gesteld dat de bronvermogens van de buks voorzien in een veel hogere reductie dan wordt aangenomen in de rapporten van Witteveen en Bos die mede ten grondslag hebben gelegen aan de Handreiking. Verder merken zij op dat het in de rapporten van Witteveen en Bos genoemde bronvermogen van de gereduceerde kogelvanger slechts indicatief is.

5.3 Vergunninghoudster kan zich vinden in beide onderzoeken.

5.4 De rechtbank heeft met betrekking tot het eerste akoestische onderzoek de volgende vragen aan de StAB gesteld:

 Is het akoestisch onderzoek van 6 mei 2013 van [bedrijf 1] gebaseerd op representatieve en reproduceerbare metingen en zijn deze metingen verricht in overeenstemming met de Handreiking Limburgs Schieten?

 Kan door middel van de maatregelen die worden voorgesteld in paragraaf 4.3 van dit onderzoek worden voldaan aan de toetsingswaarden in paragraaf 2.3 van het onderzoek?

 Kunt u hierbij aangeven of de maatregelen praktisch uitvoerbaar zijn?

De StAB geeft in het advies ten aanzien van het eerste onderzoek aan dat de bronmetingen aan de buks representatief en reproduceerbaar zijn. Het bronvermogen van de gemodificeerde kogelvanger ligt hoger dan op basis van eerdere metingen zou kunnen worden verwacht. Het rekenmodel geeft de maximale geluidsemissie zoals die ten tijde van de metingen in de schietrichting optrad goed weer, maar voor de overige richtingen kan geen uitspraak worden gedaan. De metingen zijn in overeenstemming met de eisen uit de Handreiking en verricht overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai. De StAB verwacht dat door middel van de gemodificeerde buks een reductie van 10 dB kan worden bereikt. Volgens de StAB wordt ten onrechte volstaan met de aanname dat sprake is van een reductie van 9 dB bij gebruik van de gedempte kogelvanger in combinatie met het gebruik van een gemodificeerde buks. Dit is verder niet onderbouwd. De kruitdosering en het type buks hebben ook invloed. De StAB acht beide voorgestelde maatregelen uitvoerbaar. De StAB betwijfelt of ter hoogte van de [adres 2] nr. 83 wel aan de toetsingswaarde voor omgevingstype 1 in de avondperiode kan worden voldaan.

Ten aanzien van het aanvullende onderzoek stelt de StAB vast dat nu wel de effecten van de combinatie van een gemodificeerde buks met de gedempte kogelvanger zijn berekend, ook op [adres 2] nr. 83. De StAB blijft bij het advies dat de bronmetingen van de buks representatief en reproduceerbaar zijn. Wel adviseert de StAB dat de kruitdosering van 6,8 grain in een vergunningvoorschrift zou moeten worden vastgelegd. Ten aanzien van de bronvermogens van de gedempte kogelvanger acht de StAB verdedigbaar dat niet wordt uitgegaan van de meetresultaten uit het eerdere onderzoek maar van de algemene waarden in de Handreiking. De StAB wijst er op dat deze meetresultaten voortvloeien uit het gebruik van een ongemodificeerde buks terwijl een gemodificeerde buks wordt gebruikt. De StAB maakt hierbij de kanttekening dat de bronsterkte van de kogelvanger niet in alle schietrichtingen gelijk is, en in sommige richtingen hoger dan 120 dB(A). Daarom kan niet worden uitgesloten dat bij een combinatie van beide maatregelen niet aan de toetsingswaarden voor omgevingstype 1 kan worden voldaan en acht de StAB een extra berekening noodzakelijk.

5.5 De rechtbank stelt vast dat in het eerste akoestische onderzoek de akoestische gevolgen van de schietboom voor de woning aan de [adres 2] nr. 83 niet in kaart zijn gebracht. In zoverre is het eerste onderzoek onvolledig.

5.6 Gelet op het advies van de StAB is de rechtbank van oordeel dat de metingen in het eerste akoestische onderzoek zijn verricht in overeenstemming met de eisen uit de Handreiking en de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai. In hetgeen partijen in reactie op het eerste advies van de StAB hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Onder verwijzing naar het advies van de StAB is de rechtbank van oordeel dat op basis van het eerste onderzoek onvoldoende vaststaat in hoeverre na het toepassen van de combinatie van beide maatregelen wel aan de toetsingswaarden van de Handreiking kan worden voldaan.

5.7 De rechtbank is van oordeel dat op basis van het tweede onderzoek niet kan worden vastgesteld of bij het toepassen van de combinatie van maatregelen wel kan worden voldaan aan de toetsingswaarden zoals genoemd in rechtsoverweging 4.6 van deze uitspraak. De rechtbank is van oordeel dat het voor de hand had gelegen om metingen te verrichten teneinde de bronwaarden van de gedempte kogelvanger in alle richtingen vast te stellen, dan wel de differentiatie in de diverse richtingen in het rekenmodel te betrekken. De rechtbank neemt in aanmerking dat ook de StAB een nadere berekening noodzakelijk acht om uitsluitsel te geven, waarbij de kogelvanger als een richtingsafhankelijke bron wordt gemodelleerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat het aanvullend onderzoek niet ten grondslag kan worden gelegd aan het besluit van 14 mei 2013 en de onderliggende verleende omgevingsvergunning. De omstandigheid dat in het besluit van 14 mei 2013 is voorzien in een extra onderzoek voorafgaand aan het eerste gebruik van de schietboom waarvan de resultaten ter goedkeuring moeten worden voorgelegd aan verweerder, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank is van oordeel dat ten tijde van de vergunningverlening aannemelijk had moeten zijn dat aan de voorschriften kan worden voldaan. Eerst dan staat vast dat de schietboom en/of de activiteiten, die gepaard gaan met het gebruik van de schietboom, geen hinder of belemmeringen veroorzaken voor omliggende bedrijven of woningen. Bovendien bestaat het risico dat vergunninghoudster niet aan de voorschriften kan voldoen en dat sprake is van een verkapte weigering. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het besluit van 14 mei 2013 onvoldoende is gemotiveerd.

6.1 Verweerder heeft voorschriften verbonden aan het besluit van 14 mei 2013. Zo dient er te worden voldaan aan de toetsingswaarde van de Handreiking en dienen de maatregelen genoemd in het akoestische onderzoek te worden toegepast. Verder worden de trainingstijden in deze voorschriften vastgelegd.

6.2 Eisers hebben gesteld dat door het stellen van de voorwaarden de grondslag van de aanvraag is verlaten. Het is maar de vraag of vergunninghoudster deze voorwaarden wil naleven en de kostbare maatregelen wenst te treffen. Naar het oordeel van eisers kunnen voorschriften slechts worden gesteld bij een verordening als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder g, van het Activiteitenbesluit. Tot slot wijzen eisers er op dat niet kan worden uitgesloten dat bij bezoek van andere verenigingen niet wordt geschoten met een gemodificeerde buks. Eisers beklagen zich ook over de uitbreiding van de reguliere trainingstijden van 3 aaneengesloten uren naar 4 aaneengesloten uren per week alsmede de bijzondere trainingstijden van 3 aaneengesloten uren naar 4 aaneengesloten uren per training. Tot slot kan door de voorschriften niet worden gewaarborgd dat geen sprake is van hinder voor omliggende woningen. Eisers beklagen zich in dit verband over het ontbreken van duidelijkheid over de kruitdosering van de gemodificeerde buks.

6.3 Vergunninghoudster heeft op zitting aangegeven reeds een gemodificeerde buks te hebben aangeschaft en bereid te zijn alle voorgeschreven maatregelen uit te voeren.

6.4 Naar het oordeel van de rechtbank verzet artikel 2.18, eerste lid onder g, van het Activiteitenbesluit zich niet tegen het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning voor de activiteit gebruik in strijd met het bestemmingsplan. De voorschriften dienen namelijk ter bescherming van de belangen die de planvoorschriften, waaronder planvoorschrift 6.4.3, beogen te beschermen. Dat in een verordening als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder g, algemene verbindende voorschriften kunnen worden gesteld sluit niet uit dat in een concreet geval voorschriften worden gesteld op basis van artikel 2.3 van de Wabo.

6.5 Verder is de rechtbank van oordeel dat de grondslag van de aanvraag niet wordt verlaten. Weliswaar wordt vergunninghoudster de maatregel van een gemodificeerde buks opgelegd, vergunninghoudster heeft te kennen gegeven hier geen bezwaar tegen te hebben. Evenmin heeft vergunninghoudster bezwaar tegen het plaatsen van een gedempte kogelvanger. Dit argument faalt.

6.6 Uit de redactie van de voorschriften volgt dat deze gelden voor ieder gebruik van de schietboom, ook voor het gebruik door andere verenigingen. Het is aan vergunninghoudster er voor te waken dat bij gebruik van de schietboom door derden aan de vergunningvoorschriften wordt voldaan. Ook deze grief is ongegrond.

6.7 De rechtbank is van oordeel, in navolging van het advies van de StAB, dat een middelvoorschrift met betrekking tot de kruitdosering had moeten worden opgelegd. In zoverre bieden de aanvullende voorschriften onvoldoende waarborg.
Verder is de rechtbank van oordeel dat, voor wat betreft de woningen aan de Burgemeester Beckersstraat 63 tot en met 83 (oneven), onjuiste toetsingswaarden zijn gesteld. De rechtbank verwijst naar overweging 4.6 van deze uitspraak.
Weliswaar heeft verweerder gekozen voor een middelvoorschrift en voorgeschreven dat een van de maatregelen in het akoestische onderzoek moet worden toegepast, maar uit hetgeen hierboven is overwogen volgt dat ten tijde van vergunningverlening en zelfs thans niet vaststaat of de combinatie van beide maatregelen toereikend is. De rechtbank verwijst naar overweging 5.6 en 5.7 van deze uitspraak.
Tot slot ziet de rechtbank niet in waarom in de omgevingsvergunning de reguliere en bijzondere trainingstijden met een uur worden verlengd ten opzichte van de oorspronkelijke omgevingsvergunning. Daargelaten dat niet is gebleken dat dit is gebeurd op verzoek van vergunninghoudster, zou een dergelijke uitbreiding ertoe leiden dat eisers als gevolg van de beroepsprocedure worden geconfronteerd met een langere trainingsduur en meer daaruit voortvloeiende overlast. Deze uitbreiding acht de rechtbank in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb.
De rechtbank concludeert dat de voorschriften verbonden aan het besluit van 14 mei 2013 onvoldoende waarborg bieden dat de schietboom en/of de activiteiten, die gepaard gaan met het gebruik van de schietboom, geen hinder of belemmeringen veroorzaken voor omliggende bedrijven of woningen.

7.

Uit de tussenuitspraak volgt dat de beroepen tegen het bestreden besluit van 5 juni 2012 gegrond zijn. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de beroepen tegen het besluit van 14 mei 2013 eveneens gegrond zijn. Deze besluiten komen voor vernietiging in aanmerking, met uitzondering van de beslissing omtrent de proceskosten gemaakt in de bezwaarfase door eisers 2.

8.

De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door de bezwaren tegen het besluit van 19 december 2011 gegrond te verklaren en de omgevingsvergunningen van 19 december 2011 en van 14 mei 2013 te herroepen. Dit heeft tot gevolg dat verweerder een nieuw besluit zal moeten nemen op de door vergunninghoudster ingediende aanvraag, met

inachtneming van deze uitspraak, in het bijzonder over hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot de ontbrekende gegevens in het aanvullende akoestisch onderzoek. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze procedure verweerder nogmaals gelegenheid te bieden de gebreken te herstellen. Verweerder heeft tot twee keer toe deze gelegenheid gehad maar is hierin niet geslaagd. Het bieden van een derde gelegenheid zou leiden tot een onaanvaardbare vertraging van de einduitspraak.

9.1

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eisers, die met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, worden begroot als volgt.

9.2

Van eisers 1 hebben [eisers 4] met stukken onderbouwd proceskostenformulieren ingeleverd. Deze vorderingen worden conform hun opgaven toegewezen, zijnde € 849,44 voor verletkosten en € 74,00 voor reiskosten, respectievelijk €183,96 voor verletkosten en € 37,00 voor reiskosten, respectievelijk € 120,74 voor verletkosten en € 37,00 voor reiskosten, totaal € 1.302,14. Eiser Reitz heeft verletkosten gevorderd, maar deze vordering niet onderbouwd, zodat deze kosten worden afgewezen. Zijn gevorderde reiskosten ad € 37,00 worden wel vergoed.

9.3

Eisers 2 hebben de kosten van rechtsbijstand gevorderd. Deze kosten worden begroot op € 2.191,50 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift; 1 punt voor het verschijnen ter zitting; 1 punt voor het verschijnen op een nadere zitting na tussenuitspraak en 3 maal 0,5 punt voor schriftelijke zienswijzen; waarde per punt € 487,00; wegingsfactor 1). Voorts hebben eisers 2 reiskosten gevorderd, twee maal € 43,28, zodat een bedrag van € 86,56, voor vergoeding in aanmerking komt.

9.4

Eisers hebben ten slotte gezamenlijk de kosten van de door hen ingeschakelde adviseur [bedrijf] gevorderd. Ook deze kosten, € 2.796,50, € 1.157,37 en € 1.905,75, in totaal
€ 5.859,62, zullen door de rechtbank worden toegewezen. Deze kosten kunnen door verweerder worden betaald volgens een door eisers gezamenlijk aan te geven verdeelsleutel.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 5 juni 2012 met uitzondering van de beslissing omtrent de proceskosten gemaakt in de bezwaarfase door eisers 2;

  • -

    verklaart de bezwaren tegen het primaire besluit van 19 december 2011 gegrond en herroept dit besluit;

  • -

    vernietigt het besluit van 14 mei 2013 en herroept dit besluit voor zover hierbij een omgevingsvergunning aan vergunninghoudster is verleend voor het plaatsen van een schietboom met kogelvanger op het perceel kadastraal bekend MGT02-T-152, plaatselijk bekend [adres] te [woonplaats];

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 156,00 aan zowel eisers 1 als eisers 2 te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van
    € 9.476.82.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. J.D. Streefkerk en mr. J. Heijerman-Verbeet, leden, in aanwezigheid van mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.