Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:7476

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
09-12-2014
Zaaknummer
01/845185-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewoonster van een instelling heeft bij twee medewerkers de keel dichtgeknepen. Dit levert onder de gegeven omstandigheden geen poging doodslag en geen poging tot zware mishandeling op. Schuldig aan tweemaal mishandeling. De rechtbank legt geen straf of maatregel op (art. 9a Sr). Verdachte is sterk verminderd toerekeningsvatbaar. Vorderingen tot betalen van schade worden toegewezen, maar de rechtbank legt niet de schadevergoedingsmaatregel op (36f Sr).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845185-14

Datum uitspraak: 09 december 2014

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1971],

wonende te [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 september 2014 en 25 november 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 augustus 2014.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 12 maart 2014 te Oploo, gemeente Sint Anthonis, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een persoon genaamd

[slachtoffer 1], opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet met kracht de keel van voornoemde

[slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen, althans met kracht in de keel van voornoemde

[slachtoffer 1] heeft geknepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 12 maart 2014 te Oploo, gemeente Sint Anthonis, opzettelijk

mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), (met kracht) in de keel van

voornoemde [slachtoffer 1] heeft geknepen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of

pijn heeft ondervonden;

2.

zij op of omstreeks 08 april 2013 te Oploo, gemeente Sint Anthonis, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een persoon genaamd

[slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met kracht de keel van

voornoemde [slachtoffer 2] heeft dichtgeknepen, althans met kracht in de

keel van voornoemde [slachtoffer 2] heeft geknepen, terwijl de uitvoering van

dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 08 april 2013 te Oploo, gemeente Sint Anthonis, opzettelijk

mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), (met kracht) in

de keel van voornoemde [slachtoffer 2] heeft geknepen, waardoor deze letsel

heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 primair en 2 primair is ten tenlastegelegd. De rechtbank gaat er op basis van de verklaringen van aangeefsters [slachtoffer 1] (feit 1) en [slachtoffer 2] (feit 2) en de verklaringen van verdachte vanuit dat zij bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met kracht de keel heeft dicht geknepen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het met kracht dichtknijpen van de keel kan leiden tot de dood van een persoon - dan wel dat daardoor zwaar lichamelijk letsel kan ontstaan - indien hiermee de ademhaling gedurende een periode van enige duur onmogelijk wordt gemaakt. De rechtbank leidt - ten aanzien van feit 1 en 2 - uit getuigenverklaringen af dat zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] kort nadat verdachte hen bij de keel heeft gepakt, door collega’s van hen zijn ontzet. Bij slachtoffer [slachtoffer 1] was een collega in het kantoor aanwezig, bij slachtoffer [slachtoffer 2] stond een collega voor de kamerdeur. Daarmee is voorkomen dat verdachte langer daarmee door heeft kunnen gaan, voor zover verdachte daartoe de bedoeling zou hebben gehad.

De rechtbank ziet zich nu voor de vraag gesteld of verdachte ook de intentie heeft gehad om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gedurende een dusdanige periode de keel dicht te knijpen - en met dusdanige kracht - dat gezegd kan worden dat verdachte (voorwaardelijke) opzet had op de dood van - dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan - [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Verdachte heeft met betrekking tot het dichtknijpen van de keel van [slachtoffer 1] verklaard (feit 1): “Ik was toen even over de rooie. Toen heb ik [slachtoffer 1] naar haar keel gegrepen. Dat was niet mijn bedoeling. (…) Ik weet dat knijpen pijn doet.”

Met betrekking tot [slachtoffer 2] heeft verdachte verklaard (feit 2): “Ik voelde mijn hand op haar keel en hoorde dat ze moeilijk kon praten. Dit kwam omdat ik haar keel dichtkneep. Maar dit was weer over toen ik haar losliet, want anders zou ze niet meer leven, dat snap je ook wel, maar ik wil geen moord op mijn geweten hebben.”

Uit deze verklaringen kan naar het oordeel van de rechtbank voornoemd (voorwaardelijke) opzet niet worden afgeleid. Voorts valt, nu verdachte de keel van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (door ingrijpen van derden) slechts voor een korte periode heeft dichtgeknepen, niet uit te sluiten dat verdachte uit eigener beweging zou hebben losgelaten op een moment voordat daadwerkelijk voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een levensbedreigende situatie zou zijn ontstaan. Nu voormeld (voorwaardelijk) opzet op de dood niet is bewezen, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1.

op 12 maart 2014 te Oploo, gemeente Sint Anthonis, opzettelijk mishandelend een persoon te weten [slachtoffer 1], met kracht in de keel van voornoemde [slachtoffer 1] heeft geknepen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.

op 08 april 2013 te Oploo, gemeente Sint Anthonis, opzettelijk mishandelend een persoon te weten [slachtoffer 2], met kracht in de keel van voornoemde [slachtoffer 2] heeft geknepen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

De oplegging van straf en/of maatregel.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 primair en 2 primair de volgende straf geëist:

1. jaar gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarden:

- toezicht van de reclassering

- klinische opname (kortdurend) bij Stevig/Dichterbij of een soortgelijke instelling

- ( vervolgens) opname in een instelling voor begeleid wonen/maatschappelijke opvang, zoals een RIBW of een soortgelijke instelling.

De raadsman heeft ten aanzien van de primair tenlastegelegde feiten vrijspraak bepleit. Ten aanzien van de subsidiaire tenlastegelegde feiten refereert hij zich aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft voorts betoogd dat, mede gelet op het feit dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar is, er voor verdachte binnen de mogelijkheden van het strafrechtsysteem een plaatsing in een permanente woonomgeving met passende zorg dient te worden geboden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van twee personen die werkzaam waren bij [instelling], waar verdachte als cliënt woonde. Verdachte heeft door de mishandelingen (dichtknijpen van de keel) een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en hun lichamelijke integriteit aangetast. De rechtbank realiseert zich terdege dat de bewezenverklaarde delicten op de slachtoffers veel impact hebben (gehad), in hun werk en in hun privéleven. De toelichtingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en een slachtofferverklaring geven daar ook blijk van. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijkse werk en bestaan. Geweld op de werkvloer, ook al is dat afkomstig van mensen die daar verblijven vanwege hun specifieke beperkingen, leidt tot onveiligheids- en angstgevoelens, niet alleen bij de betrokken slachtoffers, maar ook bij hun collega’s.

De vraag die thans dient te worden beantwoord is of gezien de zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden aan verdachte een reëel verwijt kan worden gemaakt van de door haar gepleegde feiten en of het passend is haar hiervoor een straf op te leggen.

Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte is een 43-jarige vrouw, die sinds haar elfde levensjaar intern is opgenomen in instellingen, waarvan de laatste 24 jaar op [instelling], een locatie van de [zorgorganisatie]. Op [instelling] hebben de bewezenverklaarde feiten plaats gevonden.

Over verdachte is door psycholoog J. Nys een pro-justitia rapportage opgemaakt. De psychoog heeft in zijn rapport van 15 mei 2014 vastgesteld dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens, te diagnosticeren als een verstandelijke beperking en een autismespectrumstoornis (PDD NOS). Voorts geeft hij aan dat haar rigiditeit, gebrekkige coping, affectregulatieproblemen en gebrekkig invoelend vermogen tekortkomingen zijn die alle toe te schrijven zijn aan haar stoornis en waarvan ten tijde van het tenlastegelegde sprake was. De psycholoog komt tot de conclusie en het advies dat er sprake is van sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Uit de door de raadsman overlegde stukken van [instelling]/[zorgorganisatie] blijkt dat naar hun inzicht verdachte op sociaal gebied functioneert op het niveau van een kind van 8 jaar en op emotioneel gebied op het niveau van een kind van 4 jaar. Voorts volgt uit die stukken dat [instelling]/[zorgorganisatie] zelf aangeeft dat verdachte de afgelopen 25 jaar chronisch is overvraagd, nu jarenlang in de omgang met verdachte het uitgangspunt is geweest dat zij niet verstandelijk beperkt is. Deze jarenlange overschatting naast haar autisme hebben volgens [instelling]/[zorgorganisatie] tot het agressieve gedrag geleid.

Het voorgeleidingsconsult van E. Bakker, psychiater i.o. en C.G. Huisman, justitieel forensisch psychiater d.d. 14 maart 2014 vermeldt dat verdachte de gesprekskamer binnenkwam in pyjamabroek en met een knuffel in haar armen en dat ze een zeer kinderlijke indruk maakte en zichtbaar van streek was. De districtspsychiater achtte haar niet detentiegeschikt.

De rechtbank is van oordeel dat uit het vorenstaande volgt dat verdachte, gelet op haar stoornis en de wijze waarop zij jarenlang is overvraagd, maar in zeer beperkte mate een verwijt kan worden gemaakt van de ten laste gelegde feiten. Voorts overweegt de rechtbank dat voorafgaande aan de voorgeleiding bij de rechter-commissaris verdachte drie dagen in een politiecel heeft doorgebracht. Bij de verhoren bij de politie is geen vertrouwenspersoon aanwezig geweest. Ook de omstandigheid van het verblijf in de politiecel – tegen de achtergrond van de persoon van verdachte - betrekt de rechtbank bij de beoordeling van de oplegging van de straf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel, gelet op de persoonlijkheid van verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan alsmede de omstandigheden die zich nadien hebben voorgedaan, dat geen straf of maatregel behoort te worden opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering, te weten immateriële schadevergoeding 300 euro en materiële schadevergoeding 15 euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering, omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Daarbij speelt dat niet eenvoudig is vast te stellen welk deel van de door de benadeelde gestelde schade aan verdachte is toe rekenen en/of (voor welk deel) bijvoorbeeld de werkgever vergoedingsplichtig is.

De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering, te weten immateriële schadevergoeding 300 euro en materiële schadevergoeding 150 euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering, omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Daarbij speelt dat niet eenvoudig is vast te stellen welk deel van de door de benadeelde gestelde schade aan verdachte is toe rekenen en/of (voor welk deel) bijvoorbeeld de werkgever vergoedingsplichtig is.

De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank acht het gelet op de persoon van verdachte niet passend dat met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9a, 300.

DE UITSPRAAK

T.a.v. feit 1 primair, feit 2 primair:

Vrijspraak

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 primair

ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 subsidiair:

mishandeling

T.a.v. feit 2 subsidiair:

mishandeling

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2 subsidiair:

Schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel

T.a.v. feit 1 subsidiair:

Gedeeltelijke toewijzing van de vordering benadeelde partij

Veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1], van een bedrag van EUR 450,- (zegge vierhonderdvijftig euro), te

weten EUR 300 immateriële schadevergoeding en EUR 150 materiële

schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de

datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet

ontvankelijk is.

T.a.v. feit 2 subsidiair:

Gedeeltelijke toewijzing van de vordering benadeelde partij

Veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2], van een bedrag van EUR 315,- (zegge driehonderdvijftien

euro), te weten EUR 300 immateriële schadevergoeding en EUR 15 materiële

schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de

datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet

ontvankelijk is.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden, welk bevel op

14 maart 2014 werd geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,

mr. S.J.W. Hermans en mr. R.J. Bokhorst, leden,

in tegenwoordigheid van L.D. Wittenberg, griffier,

en is uitgesproken op 9 december 2014.