Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:7212

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
C/01/272542/FA RK 13-6764_2
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verzoek wijziging van de kinderalimentatie. Bij beide partijen is sprake van een samengesteld gezin. De draagkracht van de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van de behoefte van de kinderen waarvoor hij/zij onderhoudsplichtig is en uiteindelijk wordt een draagkrachtvergelijking gemaakt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 401
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2015/11.17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/272542 / FA RK 13-6764_2

Uitspraak : 4 november 2014

Beschikking, als vervolg op de beschikking van deze rechtbank van 2 juni 2014, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, betreffende kinderalimentatie in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. E.E.M. van Schaijk-Böhm,

tegen

[verweerder]

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. C.M. Van Aarle-Van Beers,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de vrouw en de man.

De verdere procedure

Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld en de beslissing met betrekking tot de kinderalimentatie pro forma aangehouden teneinde de moeder in de gelegenheid te stellen een verweerschrift in te dienen.

De rechtbank heeft nadien kennisgenomen van:

  • -

    het verweerschrift op het zelfstandig verzoek tot wijziging van kinderalimentatie van de moeder, ontvangen ter griffie op 3 juli 2014;

  • -

    de correspondentie, waaronder met name:

o een brief (met producties) van mr. Van Aarle, gedateerd 11 september 2014.

De behandeling van de zaak is voortgezet ter zitting van 23 september 2014. Verschenen zijn partijen met hun advocaten.

De beoordeling

1 De feiten

Laatstelijk is bij beschikking van deze rechtbank van 22 oktober 2012 de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen met ingang van 1 januari 2012 bepaald op € 309,00 per kind per maand.

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van 1 januari 2014 € 317,08 per kind per maand.

2 Het verzoek en verweer

De man verzoekt op de gronden en op de wijze als in het verzoekschrift omschreven wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 22 oktober 2012, voor wat betreft de daarbij vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [kind_1] en [kind_2] aldus dat deze bijdrage met ingang van 1 januari 2014 nader wordt bepaald op € 125,75 per kind per maand.

Hij stelt dat voormelde beschikking als gevolg van gewijzigde omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven.

De rechtbank begrijpt uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting dat het verzoek van de man gelezen dient te worden met aanvulling van de zogenaamde ‘althans- bepaling’, inhoudende dat de thans geldende kinderalimentatie gewijzigd dient te worden in een zodanig bedrag met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht.

De vrouw voert hiertegen op de gronden en op de wijze als in het verweerschrift omschreven verweer.

De rechtbank zal hieronder, voor zover relevant, de standpunten van partijen weergeven bij de verschillende geschilpunten.

3 Wijziging van omstandigheden

De door de man gestelde wijziging van omstandigheden is niet in geschil tussen partijen. Dit rechtvaardigt een hernieuwde beoordeling van de geldende kinderalimentatie.

4 De onderhoudsplichtigen en de kinderen

Voor de overzichtelijkheid zal de rechtbank hieronder weergeven welke voor de beoordeling van dit geschil relevante onderhoudsverplichtingen er bestaan.

Beide ouders zijn onderhoudsplichtig jegens hun beider gezamenlijke kinderen [kind_1] en [kind_2]

De man is op [huwelijksdatum]gehuwd met [vrouw_2] Mevrouw [vrouw_2] heeft uit een vorige relatie een zoon [kind_6] (geboren op [geboortedatum_plaats]). Uit het huwelijk van de man en mevrouw [vrouw_2] is geboren de minderjarige [kind_5] (geboren op [datum]). Vaststaat dat de man vanwege zijn huwelijk met mevrouw [vrouw_2] op grond van artikel 1:395 BW een wettelijke onderhoudsplicht heeft ten aanzien van zijn inwonende stiefzoon [kind_6].

De vrouw is op [huwelijksdatum]gehuwd met de [man_2]. Door het huwelijk is de vrouw onderhoudsplichtig geworden jegens de kinderen van [man_2] zijnde [kind_3](geboren op [geboortedatum_plaats]) en [kind_4](geboren op [geboortedatum_plaats]). De moeder van deze kinderen is overleden. Voorts is door het huwelijk een onderhoudsverplichting ontstaan van [man_2] jegens [kind_1] en [kind_2].

5 Behoefte

Bij de bepaling van de draagkracht van de man ten behoeve van de kinderen van partijen dient rekening te worden gehouden met alle onderhoudsverplichtingen die hij jegens kinderen heeft, zodat zijn draagkracht uiteindelijk over vier kinderen ter zake waarvan hij onderhoudsplichtig is, verdeeld moet worden naar rato van hun behoefte. In verband daarmee dient de rechtbank de behoefte van het stiefkind van de man en de dochter van de man en zijn nieuwe echtgenote vast te stellen.

Ook zal de rechtbank de behoefte van de stiefkinderen van de vrouw bespreken, omdat de draagkracht van de vrouw naar rato van behoefte verdeeld dient te worden over eveneens vier kinderen.

5.1.

Behoefte van [kind_1] en [kind_2]

De behoefte van de minderjarigen [kind_1] en [kind_2] is niet in geschil tussen partijen, te weten € 491,00 per kind per maand, zodat de rechtbank dit bedrag als vaststaand aanneemt.

Kindgebondenbudget

Op basis van het inkomen van de vrouw en haar huidige echtgenoot komt de vrouw in aanmerking voor kindgebondenbudget van € 44,00. De rechtbank zal derhalve (ambtshalve) op het aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen een bedrag van € 11,00 per kind maand (nu in het gezin van de vrouw 4 kinderen wonen) in mindering brengen, nu dit een fiscaal aspect betreft.

Het restant aandeel van de (stief)ouders in de kosten van [kind_2] en [kind_1] bedraagt aldus € 480,00 per kind per maand.

5.2.

Behoefte van [kind_6] en [kind_5]

5.2.1.

[kind_5]

Vaststaat tussen partijen dat het netto besteedbare inkomen van de man € 3.118,00 per maand bedraagt. Eveneens staat vast dat mevrouw [vrouw_2] geen inkomen heeft.

Bij de becijfering van het netto besteedbare inkomen van het nieuwe gezin van de man dient het door hem feitelijk betaalde bedrag aan kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen van partijen buiten beschouwing dient te blijven, aangezien dit bedrag niet ten goede komt (en nooit is gekomen) aan de welstand van zijn nieuwe gezin. De stelling van de man dat hij ten tijde van de geboorte van [kind_5] reeds een wijzigingsprocedure bij de rechtbank aanhangig heeft gemaakt leidt niet tot een ander oordeel.

Dit betekent dat de betaalde onderhoudsbijdragen ad € 634,16 in mindering dienen te komen op dit NBI van de man, zodat een NBI van € 2.483,84 per maand resteert.

Met inachtneming van de voor het jaar 2014 geldende ‘tabel eigen aandeel kosten kinderen’ en de leeftijd van de minderjarige [kind_5] en de omstandigheid dat ook [kind_6] woont in dit gezin kan de totale behoefte van [kind_5] worden vastgesteld op afgerond € 267,50 per maand.

5.2.2.

[kind_6]

De man stelt dat de vader van [kind_6], die in het buitenland woont, bijdraagt met een bedrag van € 95,00 per maand in de kosten van verzorging en opvoeding. Nu zijn echtgenote geen inkomen heeft uit arbeid komen de overige kosten van [kind_6], waaronder de kosten van de internationale school, volledig voor rekening van de man. De man heeft gesteld dat de behoefte van [kind_6] € 848,00 per maand bedraagt, waarbij reeds rekening is gehouden met de kosten van de internationale school.

De vrouw voert verweer. De vrouw stelt primair dat de behoefte van [kind_6] berekend dient te worden op basis van het netto gezinsinkomen (NGI) van zijn ouders in Polen ten tijde van uiteengaan en dat de ouders van [kind_6] in beginsel de kosten bij helfte dienen te dragen. Bij gebrek aan onderliggende bewijsstukken betreffende het NGI van de ouders van [kind_6] van destijds stelt de vrouw dat als uitgangspunt dient te worden genomen dat de vader van [kind_6] reeds de helft van de kosten van [kind_6] voor zijn rekening neemt en dat aldus de behoefte van [kind_6] € 190,00 per maand bedraagt. Zij voert hiertoe aan dat voor zover uit het door de man overgelegde Poolse document zou moeten blijken dat de vader € 95,00 per maand voldoet aan mevrouw [vrouw_2], zoals de man stelt, dit bedrag dan de helft is van de behoefte van [kind_6]. Volgens haar bedraagt de totale behoefte van [kind_6] aldus € 190,00 per maand.

De rechtbank constateert dat er een aantal haken en ogen zitten aan de vaststelling van de behoefte van [kind_6]. [kind_6] is immers grotendeels in Polen opgegroeid en gewend geweest aan een Poolse levensstandaard. Uit de stellingen van de man komt niet duidelijk naar voren wat destijds zijn behoefte was naar Poolse maatstaven. Evenmin is duidelijk in welke mate beide ouders van [kind_6] in die behoefte voorzagen tot aan het moment dat zijn moeder een nieuw gezin ging vormen met de man. Tot slot heeft de man niets gesteld over de ‘transponering’ van de Poolse behoefte naar de Nederlandse.

Gelet op bovenstaande onduidelijkheden zal de rechtbank aansluiting zoeken bij hetgeen door de vrouw is voorgestaan. De rechtbank gaat er, bij gebrek aan nadere gegevens, vanuit dat [kind_6] een basisbehoefte heeft van twee maal € 95,00, te weten € 190,00.

Kosten internationale school

De vrouw heeft subsidiair betwist dat de door de man gestelde kosten van de internationale school moeten worden opgeteld bij de basisbehoefte van [kind_6]. Ze betwist dat het noodzakelijk is dat [kind_6] naar de internationale school gaat en voert daarbij nog aan de kosten te hoog zijn om te kunnen voldoen uit het gezinsinkomen.

De man heeft aangevoerd dat het onmogelijk is voor iemand uit Polen om op het niveau van 5 VWO naar een Nederlandse school te gaan, zelfs als er tevens Engelstalig onderwijs wordt gegeven.

De rechtbank ziet in het door de man gestelde aanleiding om bij voormelde behoefte van [kind_6] op te tellen een correctiepost, namelijk de kosten voor de internationale school. Door de man is onweersproken gesteld dat [kind_6] in augustus 2013 naar Nederland is gekomen. Verder heeft de man gesteld dat het voor hem niet mogelijk was op een reguliere middelbare school zijn VWO in het Nederlands voort te zetten.

De rechtbank is van oordeel dat van [kind_6] niet verwacht kan worden dat hij zich de Nederlandse taal zo snel eigen maakt dat hij Nederlands onderwijs kan volgen.

Door de man is gesteld, onder verwijzing naar productie 14 bij brief van 11 september 2014, dat de kosten van de internationale school € 5.780,00 per (school)jaar bedragen. De hoogte van deze kosten heeft de vrouw niet betwist.

Dit betekent dat de behoefte van € 190,00 vermeerderd dient te worden met een bedrag van € 481,67 per maand (€ 5.780,00 :12), zodat de behoefte van [kind_6] begroot wordt op € 671,67 per maand.

Bijdrage van de juridische vader van [kind_6]

De man stelt dat de vader van [kind_6] thans € 95,00 per maand bijdraagt. De vrouw voert verweer en stelt - bij gebrek aan gegevens - dat de vader van [kind_6] de helft van de behoefte van [kind_6] voor zijn rekening kan nemen.

Ook met betrekking tot dit punt beschikt de rechtbank over te weinig informatie om een afgewogen oordeel te kunnen geven. Strikt genomen zou immers moet worden beoordeeld wat de draagkracht van de [man_3] is en vervolgens zou een draagkrachtvergelijking moeten worden gemaakt. Aansluitend bij de overwegingen ten aanzien van de oorspronkelijke behoefte van [kind_6] zal de rechtbank ook met betrekking tot deze schoolkosten aannemen dat de[man_3] in staat is de helft hiervan te dragen. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat de [man_3] in staat is te voorzien in de helft van de totale behoefte van [kind_6].

Gelet op het feit dat sprake is van geheel fictieve draagkracht zal de rechtbank geen draagkrachtvergelijking maken, maar de behoefte van [kind_6] bij de verdere beoordeling slechts voor de helft meenemen.

Gelet op het vorenstaande resteert aldus een aanvullende behoefte van [kind_6] van

€ 335,84 per maand.

5.3.

Behoefte van [kind_3] en [kind_4]

De behoefte van de minderjarigen [kind_3] en [kind_4] van € 163,00 per kind per maand is niet in geschil tussen partijen, zodat de rechtbank dit bedrag als vaststaand aanneemt.

Kindgebondenbudget

Op basis van het inkomen van de vrouw en de[man_2] komt dit gezin in aanmerking voor kindgebondenbudget ad € 44,00. De rechtbank zal derhalve (ambtshalve) op het aandeel van de (stief)ouders in de kosten van deze kinderen een bedrag van € 11,00 per kind maand in mindering brengen, nu dit een fiscaal aspect betreft.

Het (restant)aandeel van de (stief)ouders in de kosten van de minderjarige [kind_3] en [kind_4] bedraagt aldus € 152,00 per kind per maand.

6 Draagkracht

Vervolgens dient de draagkracht van partijen en hun partners te worden vastgesteld. Voor de bepaling van de draagkracht gaat de rechtbank uit van de navolgende financiële gegevens. Voor zover die gegevens tussen partijen niet vaststaan, zal de rechtbank hierop gemotiveerd ingaan.

6.1.

Draagkracht van de man

NBI van de man

De man heeft inkomsten uit arbeid. Tussen partijen is niet in geschil dat het NBI van de man € 3.118,00 per maand bedraagt.

Draagkrachtformule

Uitgaande van dit netto besteedbaar inkomen becijfert de rechtbank aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 860,00)] de draagkracht van de man op € 925,82 per maand.

Aanvaardbaarheidstoets

Door de man is als productie 15 een draagkrachtberekening overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man toegelicht dat hij in deze berekening de ziektekosten premie van zowel zijn huidige echtgenote als van hemzelf heeft opgevoerd, omdat zijn nieuwe partner geen inkomen heeft, maar de kosten wel betaald dienen te worden door de man.

De vrouw voert verweer tegen deze kosten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij een beroep op de onaanvaardbaarheid wordt van de onderhoudsplichtige verwacht dat hij volledig en duidelijk – door middel van een overzicht van zijn inkomsten en uitgaven met onderliggende stukken – inzicht geeft in zijn inkomens- en vermogenspositie en bestedingen. De man heeft dit nagelaten, hetgeen voor zijn rekening en risico dient te komen. De rechtbank zal derhalve geen rekening houden met extra lasten.

Verdeling van de draagkracht naar rato van behoefte

Aangezien in het onderhavige geval de totale draagkracht van de man dient te worden verdeeld over vier kinderen jegens wie hij onderhoudsplichtig is, stelt de rechtbank vervolgens de verdeling van de draagkracht van de man over vier kinderen vast.

Ten aanzien van de minderjarigen [kind_1] en [kind_2] heeft de man recht op fiscaal voordeel. Dit fiscaal voordeel komt ten goede aan enkel [kind_1] en [kind_2] en verhoogt aldus de draagkracht van de man. Het fiscaal voordeel dient bij het aandeel van de man voor deze kinderen opgeteld te worden.

kind

behoefte

wegingsfactor

aandeel man

(excl. fiscaal voordeel)

fisc. voordeel

[kind_1]

€ 480,00

480/1563

€ 284,32

44,00

[kind_2]

€ 480,00

480/1563

€ 284,32

44,00

[kind_5]

€ 267,50

268/1563

€ 158,45

[kind_6]

€ 335,84

336/1563

€ 199,02

totaal

€ 1.563,34

6.2.

Draagkracht partner man

Vaststaat dat de partner van de man thans geen inkomen heeft.

De vrouw stelt echter dat van de huidige echtgenote verwacht mag worden dat zij gaat werken en daarmee bij gaat dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [kind_5] en [kind_6].

De man voert verweer en stelt dat zijn huidige echtgenote thans niet verwacht kan worden dat zij een zodanig inkomen kan verdienen dat zij daarmee zelfstandig kan bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van haar kinderen. De man verwijst naar de omstandigheid dat zijn huidige echtgenote de Nederlandse taal niet spreekt, zij de zorg heeft voor de pasgeboren [kind_5] en voor [kind_6] en dat zij geen relevante vooropleiding heeft genoten. Primair stelt de man zich op het standpunt dat zijn echtgenote niet kan bijdragen, subsidiair stelt hij dat zij maximaal € 25,00 per kind per maand kan bijdragen.

De rechtbank is van oordeel dat op dit moment van de nieuwe echtgenote van de man niet verwacht kan worden dat zij bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [kind_5] en [kind_6]. De rechtbank heeft hierbij met name in aanmerking genomen dat de nieuwe echtgenote de Nederlandse taal (nog) niet machtig is en in mei van dit jaar is bevallen van [kind_5].

De rechtbank zal derhalve geen rekening houden met enige draagkracht aan de zijde van de nieuwe echtgenote van de man.

Het vorenstaande laat echter onverlet dat op de nieuwe echtgenote een inspanningsverplichting rust om ervoor te zorgen dat zij op korte termijn een inkomen uit arbeid verwerft waarmee zij kan bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [kind_5] en [kind_6].

6.3.

Draagkracht vrouw

NBI van de vrouw

De vrouw heeft inkomsten uit arbeid. Haar fiscaal loon bedraagt volgens de door haar overgelegde salarisspecificatie over maart 2014 € 1.749,92 bruto per maand, nog te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag en de eindejaarsuitkering.

De rechtbank begroot het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 1.673,00 per maand. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de navolgende heffingskortingen:

  • -

    de algemene heffingskorting

  • -

    de arbeidskorting

  • -

    de inkomensafhankelijke combinatiekorting ad € 1.733,00.

Uitgaande van dit netto besteedbaar inkomen becijfert de rechtbank aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 860,00)] de draagkracht van de vrouw op € 217,77 per maand.

Verdeling van de draagkracht naar rato van behoefte

Aangezien in het onderhavige geval de totale draagkracht van de vrouw dient te worden verdeeld over vier kinderen jegens wie zij onderhoudsplichtig is, stelt de rechtbank vervolgens de verdeling van de draagkracht van de vrouw over vier kinderen vast.

kind

behoefte

wegingsfactor

aandeel vrouw

[kind_1]

€ 480,00

480/1264

€ 82,70

[kind_2]

€ 480,00

480/1264

€ 82,70

[kind_3]

€ 152,00

152/1264

€ 26,18

[kind_4]

€ 152,00

152/1264

€ 26,18

totaal

€ 1.264,00

6.4.

Draagkracht [man_2]

Door de vrouw is overgelegd als productie 8 een tweetal loonspecificaties van haar man, de[man_2] en daarnaast een draagkrachtberekening waaruit volgt dat de[man_2] een NBI heeft van € 1.735,00 per maand, welk bedrag door de man niet als zodanig is weersproken, zodat de rechtbank van dit bedrag zal uitgaan.

Uitgaande van dit netto besteedbaar inkomen becijfert de rechtbank aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 860,00)] de draagkracht van de[man_2] op € 248,14 per maand.

Verdeling van de draagkracht naar rato van behoefte

Aangezien in het onderhavige geval de totale draagkracht van de [man_2] dient te worden verdeeld over vier kinderen jegens wie hij onderhoudsplichtig is, stelt de rechtbank vervolgens de verdeling van de draagkracht van de[man_2] over vier kinderen vast.

kind

behoefte

wegingsfactor

aandeel (stief)vader

[kind_1]

€ 480,00

480/1264

€ 94,23

[kind_2]

€ 480,00

480/1264

€ 94,23

[kind_3]

€ 152,00

152/1264

€ 29,84

[kind_4]

€ 152,00

152/1264

€ 29,84

totaal

€ 1.264,00

6.5.

Aandeel onderhoudsplichtigen ten behoeve van de minderjarigen [kind_1] en [kind_2]

Het vorenstaande leidt tot de navolgende opsomming:

kind

behoefte

aandeel man

aandeel vrouw

aandeel Ubels

[kind_1]

€ 480,00

€ 328,32

€ 82,70

€ 94,23

[kind_2]

€ 480,00

€ 328,32

€ 82,70

€ 94,23

6.6.

Draagkrachtvergelijking

Nu de gezamenlijke draagkracht van de onderhoudsplichtigen de behoefte van de minderjarigen [kind_2] en [kind_1] overschrijdt dient er een draagkrachtvergelijking gemaakt te worden.

De gezamenlijke draagkracht van de onderhoudsplichtigen voor [kind_1] en [kind_2] bedraagt € 1.010,50 en het aandeel van de (stief)ouders in de kosten van deze kinderen bedraagt € 960,00 per maand. De draagkrachtvergelijking ziet er als volgt uit:

  • -

    aandeel man: € 656,64 / € 1.010,50 = 0,65 x € 960,00 = € 623,82

  • -

    aandeel vrouw: € 165,40 / € 1.010,50 = 0,16 x € 960,00 = € 157,13

  • -

    aandeel de[man_2]: € 188,46 / € 1.010,50 = 0,19 x € 960,00 = € 179,04.

Dit betekent dat het aandeel van de man, na draagkrachtvergelijking, in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [kind_1] en [kind_2] € 623,82 per maand bedraagt.

6.7.

Zorgkorting man

De man maakt aanspraak op zorgkorting van 20 %. De vrouw betwist de hoogte van het percentage en stelt dat maximaal met 15% rekening dient te worden gehouden.

De rechtbank neemt in aanmerking dat de man een deel van de kosten van de kinderen in natura betaalt, in de vorm van de zorgkorting waarmee bij het vaststellen van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen rekening is gehouden. Conform de richtlijn worden de kosten in natura bepaald aan de hand van de behoefte en het gemiddeld aantal dagen per week - vakanties meegerekend - dat een kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft. Gelet op de thans geldende zorgregeling, waaruit volgt dat de kinderen gemiddeld 1,58 dagen per week bij de man zijn, dient in beginsel rekening te worden gehouden met een korting voor de kosten in natura van 25%. Gelet echter op het standpunt van de man dat met 20% rekening gehouden moet worden zal de rechtbank daarbij aansluiting zoeken. Nu het aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen € 960,00 per maand bedraagt, beloopt deze korting een bedrag van € 192,00 per maand.

De eerder afgeleide bijdrage wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen € 431,82 per maand (€ 623,82 -/- € 192,00), zijnde € 215,91 per kind per maand.

7 Ingangsdatum

De rechtbank zal de wijziging van de kinderalimentatie laten ingaan per 1 januari 2014 zoals door de man is verzocht en tegen welke ingangsdatum door de vrouw geen verweer is gevoerd.

8 Conclusie

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de man in staat moet worden geacht na te melden bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [kind_1] en [kind_2] te voldoen. Het verzoek van de man zal de rechtbank derhalve toewijzen als na te melden.

9 Fiscale aspecten na 1 januari 2015

Omdat het op dit moment niet mogelijk is om berekening te maken waarin alle fiscale veranderingen worden meegenomen zal de rechtbank enkel volstaan met de vermelding van de bedragen bij de thans geldende fiscale aspecten.

10 Proceskosten

De proceskosten zullen worden gecompenseerd als na te melden.

De beslissing

De rechtbank:

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 22 oktober 2012, voor wat betreft de daarin vastgestelde kinderalimentatie, als hierna te melden;

bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen:

  • -

    [kind_1], geboren op [geboortedatum_plaats],

  • -

    [kind_2], geboren op [geboortedatum_plaats],

telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw zal betalen €215,91 (tweehonderdvijftien euro en eenennegentig cent) per kind per maand, zulks met ingang van 1 januari 2014;

verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de gemaakte proceskosten tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boersma, rechter,

en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 4 november 2014.

conc: sve

Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op
andere wijze bekend is geworden.