Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:7199

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
26-11-2014
Zaaknummer
01/879821-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezen verklaard is de uitvoer van MDMA en ruim 10.000 MDMA-pillen en het zonder vergunning buiten het grondgebied van Nederland brengen van ruim 2 kilo ketamine (overtreding van de Geneesmiddelenwet).

Opgelegd is een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest. Voor de overtreding op grond van de Geneesmiddelenwet wordt geen straf of maatregel opgelegd (art. 9a Sr).

De rechtbank zal een ogenschijnlijk zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening heeft gehouden met de geldende bepalingen ten aanzien van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879821-14

Datum uitspraak: 26 november 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1987],

thans gedetineerd te: PI Limburg Zuid - De Geerhorst.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 oktober 2014 en 12 november 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 september 2014.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 juni 2014 te Eindhoven opzettelijk, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 510 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of 10.218 pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(Artikel 2A Opiumwet)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2], althans (een) ander(en), op of omstreeks 14 juni 2014 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 510 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of 10.218 pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 13 juni tot en met 14 juni 2014 te Rotterdam en/of Eindhoven, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest door tezamen en in vereniging met

voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2], althans alleen, een hoeveelheid plastic zakjes (met sluiter) en/of carbonpapier en/of strijkzakken aan te schaffen, althans goederen welke gebruikt worden bij het verpakken van voornoemde MDMA en/of vervoer voor verdachte en/of voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] te regelen naar de luchthaven Eindhoven;

2.

hij op 14 juni 2014 te Eindhoven en/of elders in Nederland, op het vliegveld Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) zonder handelsvergunning van de Minister van Volksgezondheid een geneesmiddel te weten een hoeveelheid van 2010 gram ketamine, buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht;

(Artikel 40 lid 2 Geneesmiddelenwet)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2], althans (een) ander(en), op of omstreeks 14 juni 2014 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) zonder handelsvergunning van de Minister van Volksgezondheid een geneesmiddel te weten een hoeveelheid van 2010 gram ketamine, buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 13 juni tot en met 14 juni 2014 te Rotterdam en/of Eindhoven, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest door tezamen en in vereniging met voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2], althans alleen, een hoeveelheid plastic zakjes (met sluiter) en/of carbonpapier en/of strijkzakken aan te schaffen, althans goederen welke gebruikt worden bij het verpakken van voornoemde ketamine en/of vervoer voor verdachte en/of voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] te regelen naar de luchthaven Eindhoven.

(Artikel 40 lid 2 Geneesmiddelenwet).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte tezamen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheden MDMA en ketamine heeft uitgevoerd. De officier van justitie acht daartoe redengevend de vijfde en zesde verklaring van [medeverdachte 2] die daarin gedetailleerd verklaart over de feiten. De verklaringen van [medeverdachte 2] worden ook op meerdere redengevende punten ondersteund door ander bewijsmateriaal, zoals onder meer camerabeelden van Eindhoven Airport, het in de koffer aantreffen van (naast de verdovende middelen) plastic zakjes, carbonpapier en strijkzakken en door verklaringen van verdachte zelf.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe van verdachte heeft bepleit dat de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 2] innerlijk tegenstrijdig en onbetrouwbaar zijn. Ondanks dat het gaat om wettige bewijsmiddelen, zijn deze volgens de raadsvrouwe niet overtuigend. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat het feitelijk gaat om een poging, terwijl een voltooid delict ten laste is gelegd. Beide verweren zouden tot vrijspraak moeten leiden. Mocht de rechtbank toch tot een veroordeling komen, heeft de raadsvrouwe verzocht verdachte schuldig te achten aan medeplichtigheid en niet aan medeplegen, gelet op zijn kleine en onbelangrijke rol.

Het oordeel van de rechtbank.

Ter beoordeling staat de vraag of verdachte samen met anderen, te weten medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], zich schuldig heeft gemaakt aan het buiten het grondgebied van Nederland brengen van een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs en ketamine. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Dit oordeel baseert zij op het navolgende.1

Op 14 juni 2014 werd op Eindhoven Airport [medeverdachte 2], geboren op [1993] te [geboorteplaats] (hierna: [medeverdachte 2]) aangehouden voor poging tot uitvoer van verdovende middelen.2 Tijdens de veiligheidscontrole in de bagagekelder van het vliegveld werden in de door [medeverdachte 2] ingecheckte koffer vermoedelijk verdovende middelen aangetroffen. Het ging om acht zakken met pillen, vier zakken met witte substantie en een zak met bruine substantie.3 Na onderzoek aan de aangetroffen middelen kon worden vastgesteld dat het ging om naar schatting 10.218 pillen bevattende MDMA, 510 gram MDMA en 2010 gram ketamine.4 [medeverdachte 2] heeft geen handelsvergunning voor de ketamine.5 Ook verdachte en [medeverdachte 1] beschikken niet over een dergelijke vergunning.6

Uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 2] op 14 juni 2014 van Eindhoven Airport naar Ibiza zou reizen met Transavia Airlines, vluchtnummer HV6513. Ook medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte waren passagiers op deze vlucht.7

Medeverdachte [medeverdachte 2] is meermalen gehoord. De raadsvrouwe heeft bepleit dat de verklaringen van [medeverdachte 2] innerlijk tegenstrijdig en onbetrouwbaar zijn. De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende.

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft een viertal verklaringen afgelegd, voordat hij naar eigen zeggen, vanaf zijn vijfde verklaring, de waarheid is gaan vertellen. Deze latere verklaringen van [medeverdachte 2] (vanaf de vijfde verklaring d.d. 16 juni 2014) worden op belangrijke redengevende punten ondersteund door andere in het dossier aanwezige bewijsmiddelen. De rechtbank heeft daarbij onder meer gekeken naar de ondersteuning van de verklaring van [medeverdachte 2] door de aanwezigheid van aankoopbonnen van onder andere weegschalen bij de Kijkshop, vluchtgegevens van de vlucht naar Ibiza, het aantreffen van de verdovende middelen in de koffer en de camerabeelden van het vliegveld Eindhoven, waaruit blijkt dat verdachte tezamen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op het vliegveld is aangekomen. Voorts heeft [medeverdachte 2] in deze verklaringen belastend over zichzelf verklaard. Dit alles, in onderling verband en samenhang bezien, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de verklaringen van [medeverdachte 2] zoals hierna aangehaald, wel betrouwbaar zijn en tot het bewijs gebezigd kunnen worden. Op voornoemde bewijsmiddelen zal hieronder nog nader worden ingegaan.

[medeverdachte 2] heeft als volgt verklaard. Op 12 juni 2014 werd [medeverdachte 2] door [medeverdachte 1] gevraagd een bepaalde hoeveelheid pillen (de rechtbank begrijpt: XTC-pillen) mee te nemen naar Ibiza. [medeverdachte 2] is op dat verzoek ingegaan. Op 13 juni 2014 sprak [medeverdachte 2] medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte die zeiden dat zij de spullen zouden ophalen en klaarmaken.8

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] degene is die de drugs heeft geregeld, bij hem thuis heeft verpakt en gereed zou maken voor vervoer.9

Op 13 juni 2014 hebben [medeverdachte 1] en verdachte een blender, strijkijzer en meerdere weegschalen gekocht bij de Kijkshop te Rotterdam. Ook zijn zij naar een winkel gereden in Rotterdam, Jordan genaamd, waar artikelen worden verkocht om drugs te verpakken, te vervoeren en te gebruiken. Daar hebben verdachte en [medeverdachte 1] plastic zakjes, carbonpapier en strijkzakken gekocht.

[medeverdachte 2] is de nacht van 13 op 14 juni 2014 samen met verdachte gaan slapen bij de zus van verdachte. Die nacht is door een ander een ticket geboekt voor de vlucht van [medeverdachte 2] naar Ibiza. [medeverdachte 1] heeft het ticket betaald. Op 14 juni 2014 is [medeverdachte 2] in de ochtend samen met verdachte naar het huis gereden van [medeverdachte 1]. Verdachte wist waar [medeverdachte 1] woonde en is daarnaartoe gereden. [medeverdachte 1] kwam toen uit zijn huis met een koffer met daarin de pillen. Tenminste, dat was volgens [medeverdachte 2] de afspraak. De koffer is in de kofferbak gelegd van de zwarte Volkswagen, de auto waarin ze reden. Verdachte heeft toen een persoon gebeld die hen naar het vliegveld zou brengen. Zij zijn toen eerst naar een woning in Rotterdam gereden waar de koffer is geopend. [medeverdachte 1] heeft toen nog spullen in de koffer gedaan, onder andere een blender en een snoer voor stroom, en kleding van verdachte. Nadat de koffer was ingepakt zijn zij in de zwarte Volkswagen van de zus van verdachte met zijn drieën vertrokken naar de luchthaven Eindhoven Airport. Een vrouw die verdachte kende en heeft geregeld, heeft hen daar naartoe gereden en op de parkeerplaats afgezet. Verdachte en [medeverdachte 1] vertelden [medeverdachte 2] even te wachten en zijn eerst naar binnen gelopen. [medeverdachte 2] is even later ook naar binnen gelopen en in een andere rij ingecheckt dan verdachte en [medeverdachte 1]. Vanaf dat moment hebben zij gedaan of zij elkaar niet kenden. [medeverdachte 2] heeft de koffer met drugs ingecheckt als ruimbagage en is hierna doorgelopen naar de security check. Toen [medeverdachte 2] in de vertrekhal aan het wachten was op de vlucht, hoorde hij dat zijn naam werd omgeroepen. Vervolgens is [medeverdachte 2] door de Koninklijke Marechaussee aangehouden. Verdachte en [medeverdachte 1] zijn geboard op de vlucht naar Ibiza.10

Op de videobewakingsbeelden van Eindhoven Airport is onder andere te zien dat op 14 juni 2014 een voertuig van het merk Volkswagen, type Bora, de parkeerplaats van Eindhoven Airport oprijdt. Uit dit voertuig stappen drie personen. Uit onderzoek is gebleken dat één van deze personen [medeverdachte 2] is. [medeverdachte 2] pakt een koffer uit de kofferbak van de Volkswagen. Nadat de personen uit de auto zijn gestapt, lopen eerst de twee andere mannen als eerste de terminal van Eindhoven Airport binnen. [medeverdachte 2] loopt ongeveer 30 meter achter de twee andere mannen. [medeverdachte 2] heeft geen zichtbaar contact meer met de twee andere mannen. Uit onderzoek bleek dat de twee andere mannen verdachte en [medeverdachte 1] zijn.11 Verdachte heeft verklaard dat hij zichzelf herkent op de bewakingsbeelden.12 De drie verdachten staan ook allen op het manifest van de vlucht van vluchtnummer HV6513 naar Ibiza.13

De portemonnee van verdachte werd inbeslaggenomen. Daarin zat onder andere een kortingspas van smartshop Jordan te Rotterdam, een aankoopbon van Kijkshop met aankoopdatum 12 juni 2014 van een weeglepel en een aankoopbon van Kijkshop met dezelfde aankoopdatum van twee weegschalen, een blender en een strijk stoom (de rechtbank begrijpt: stoomstrijkijzer). Voorts bleek uit onderzoek dat er op de locatie waarover [medeverdachte 2] heeft verklaard een Kijkschop gevestigd is. Tevens werd in de koffer waarin de verdovende middelen zaten een verlengsnoer en een zilverkleurige kom aangetroffen. Uit onderzoek bleek dat de kom van de weegschaal die bij de Kijkshop in Rotterdam is aangeschaft zeer waarschijnlijk dezelfde is als de kom die in de voornoemde koffer is aangetroffen.14

Verdachte heeft zich grotendeels beroepen op zijn zwijgrecht. Op punten heeft hij echter de verklaring van [medeverdachte 2] bevestigd. Zo heeft verdachte verklaard dat hij met [medeverdachte 1] naar de winkel is geweest om spullen te kopen. Dat hij samen met [medeverdachte 2] bij zijn zus heeft geslapen. Dat het klopt dat verdachte en [medeverdachte 2] in de ochtend in de auto van de zus van verdachte naar [medeverdachte 1] zijn gereden en dat [medeverdachte 1] met een koffer naar buiten kwam. Dat zij vervolgens naar een vrouw zijn gereden die door verdachte was verzocht hen naar de luchthaven te brengen. Dat zij samen bij de vrouw in de woning zijn binnengegaan en dat [medeverdachte 1] nog spullen in de koffer heeft gestopt, waaronder ook kleding van verdachte.15

Verdachte heeft verklaringen afgelegd, waaruit naar het oordeel van de rechtbank blijkt dat verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van drugs in de koffer en het plan deze drugs te vervoeren naar Ibiza. Uit deze verklaringen blijkt echter ook dat verdachte van mening is dat hij weliswaar erbij heeft gestaan, maar zelf geen wezenlijke rol heeft vervuld. De rechtbank ziet de rol van verdachte echter anders. Immers, op grond van de hiervoor gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat verdachte op een actieve wijze betrokken is geweest bij het buiten het grondgebied van Nederland brengen van een grote hoeveelheid pillen bevattende MDMA, een hoeveelheid MDMA en een hoeveelheid ketamine. Daarbij hanteerden verdachte en zijn mededaders [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] een duidelijke rolverdeling. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake geweest van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking tussen hen, dat sprake is van medeplegen. [medeverdachte 1] is degene geweest die de drugs regelde, heeft verpakt en verstopt in de koffer. Daarbij is verpakkingsmateriaal gebruikt dat door [medeverdachte 1] en verdachte kort voor het transport is aangeschaft. Verdachte is naar het huis van [medeverdachte 1] gereden om hem met de koffer op te halen en heeft het transport geregeld naar de luchthaven en [medeverdachte 2] is degene geweest die de koffer incheckte op de luchthaven. De rechtbank is van oordeel dat de tenlastegelegde feiten 1 en 2 primair wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Van medeplichtigheid zoals door de raadsvrouwe bepleit is gelet op het voorgaande geen sprake.

Uitvoer. Voltooid delict.

De raadsvrouwe heeft het verweer gevoerd dat geen sprake was van buiten het grondgebied van Nederland brengen en dat daarom vrijspraak dient te volgen. Hooguit zou er van poging sprake kunnen zijn, maar dat is niet ten laste gelegd.

De rechtbank is van oordeel dat dit verweer van de raadsvrouwe uitgaat van een te beperkte uitleg van het bepaalde bij artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet. Het ten vervoer aanbieden van de koffer met verdovende middelen is begrepen onder het ‘buiten het grondgebied brengen van Nederland’.

Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank evenzeer met betrekking tot het middel ketamine, hoewel dat (nog) niet voorkomt op een van de lijsten van de Opiumwet. Het in artikel 40, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet genoemde begrip ‘buiten het grondgebied van Nederland brengen’ is niet opgenomen in de begripsomschrijving van artikel 1 van die wet. Niet valt in te zien waarom aan dit begrip een andere betekenis moet worden toegekend dan het in artikel 2 onder A Opiumwet opgenomen begrip ‘buiten het grondgebied van Nederland brengen’.

Het verweer van de raadsvrouwe faalt dan ook.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op 14 juni 2014 te Eindhoven opzettelijk, tezamen en in vereniging met anderen buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 510 gram van een materiaal bevattende MDMA en 10.218 pillen van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2.

op 14 juni 2014 te Eindhoven, op het vliegveld Eindhoven, tezamen en in vereniging met anderen, zonder handelsvergunning van de Minister van Volksgezondheid een geneesmiddel te weten een hoeveelheid van 2010 gram ketamine, buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 primair een gevangenisstraf geëist voor de duur van 36 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft aangevoerd dat verdachte first offender is ten aanzien van de Opiumwet en dat de rol van verdachte kleiner is dan de rol van de medeverdachten. Zij heeft de rechtbank verzocht met deze omstandigheden rekening te houden en dit tot uitdrukking te brengen in de op te leggen straf.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het buiten het grondgebied van Nederland brengen van een forse hoeveelheid MDMA (o.a. ruim 10.000 MDMA-pillen) en een hoeveelheid van ruim 2 kilo ketamine. Door verdachte en medeverdachten is planmatig en georganiseerd te werk gegaan. Er was een duidelijke rolverdeling onder andere ten aanzien van wie de drugs regelde en wie de koffer meenam naar Ibiza, alwaar de drugs terecht moesten komen. Ook verdachte heeft hierbij een duidelijk rol gehad, met name ten aanzien van het regelen van het vervoer naar het vliegveld Eindhoven. Verdachte heeft zich aldus beziggehouden met de uitvoer van harddrugs en ketamine. Het is algemeen bekend dat die verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder op het gebied van de Opiumwet met politie en justitie in aanraking is geweest. Hoewel deze feiten in Duitsland plaatsvonden en kennelijk betrekking hadden op een geringe hoeveelheid kan niet volgehouden worden dat verdachte een first offender op het gebied van de Opiumwet is, zoals de raadsvrouwe heeft aangevoerd.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming van lange duur op zijn plaats.

De rechtbank zal een ogenschijnlijk zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening heeft gehouden met de geldende bepalingen ten aanzien van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Ten aanzien van feit 2 overweegt de rechtbank dat dit feit een overtreding betreft. Gelet op de straf die aan verdachte zal worden opgelegd ten aanzien van feit 1, is de rechtbank van oordeel dat een extra straf voor deze overtreding niet meer passend is. De rechtbank zal verdachte voor feit 2 dan ook schuldig verklaren zonder oplegging van straf of maatregel.

Beslag.

Ter terechtzitting is aan de orde gekomen dat er beslag zou rusten op onder verdachte inbeslaggenomen goederen. De rechtbank verstaat dat de officier van justitie ervoor zorgdraagt dat deze goederen worden geretourneerd aan verdachte. Aldus onthoudt de rechtbank zich van het nemen van een beslissing hieromtrent.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 9a, 10, 27, 47, en 91 van het Wetboek van Strafrecht, artikelen 1, 40, en 134 van de Geneesmiddelenwet, artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf (feit 1 primair) en overtreding (feit 2 primair):

T.a.v. feit 1 primair:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

T.a.v. feit 2 primair:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40, lid 2, van de Geneesmiddelenwet

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:

T.a.v. feit 1 primair:

Gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht

T.a.v. feit 2 primair:

Schuldigverklaring zonder oplegging van straf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.A. Mandemakers , voorzitter,

mr. J.W.H. Renneberg en mr. M.M.J. Nuijten, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.A.M. Balemans-Jongeneelen, griffier,

en is uitgesproken op 26 november 2014.

mr. M.M.J. Nuijten is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee, district Zuid, Brigade Brabant-Zuid, Afdeling recherche & informatie, dossiernummer PL 27YZ/14-003314, sluitingsdatum 10 juli 2014, 230 doorgenummerde bladzijden, hierna Dossier.

2 Dossier, proces-verbaal van bevindingen, p. 11-16, met bijlagen, in het bijzonder p. 11.

3 Dossier, proces-verbaal van overdracht, p. 39-40.

4 Dossier, proces-verbaal sporenonderzoek, p. 93-99 en NFI rapport d.d. 7 juli 2014, p. 101-103, met name het resultaat van de overeenkomende SIN-nummers van p. 102 met het hiervoor genoemde proces-verbaal sporenonderzoek.

5 Dossier, proces-verbaal, p. 121.

6 In Dossier los opgenomen proces-verbaal van de Inspectie voor de Gezondheidszorg, met nummer 14-067-I, d.d.26 september 2014.

7 Dossier, proces-verbaal van bevindingen, p. 11-16, met bijlagen, in het bijzonder p. 11.

8 Dossier, verklaring [medeverdachte 2], p. 43-46.

9 Dossier, verklaring [medeverdachte 2], p. 50, 51.

10 Dossier, verklaring [medeverdachte 2], p. 43-46.

11 Dossier, proces-verbaal van bevindingen, p. 11-16, met bijlagen, in het bijzonder p. 11, 12 en 16, proces-verbaal van bevindingen, p. 66-79.

12 P-v ter terechtzitting d.d. 12 november 2014, verklaring verdachte.

13 Dossier, proces-verbaal van bevindingen, p. 11-16, in het bijzonder de bijlagen van p. 17-21.

14 Dossier, proces-verbaal van bevindingen, p. 80, 81 en p. 92.

15 Dossier, verklaring [verdachte], p. 204-225, in het bijzonder p. 214, 215.