Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:7197

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
26-11-2014
Zaaknummer
C/01/256805 / HA ZA 12-1084
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:115, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ontslag werknemer. Onrechtmatige informatieverstrekking door ex-werkgever. Causaal verband mededeling - schade. Begroting inkomensschade. Vervolg op ECLI:NL:RBOBR:2013:6401.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-1001
AR 2014/889
PJ 2015/31
JAR 2015/7
AR 2015/465
JIN 2015/28 met annotatie van I. van Marrewijk en R.X. Lenstra
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-[woonplaats]

zaaknummer / rolnummer: C/01/256805 / HA ZA 12-1084

Vonnis van 26 november 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. H.H.T. Beukers te [woonplaats],

tegen

naamloze vennootschap

[gedaagde] ,

gevestigd te 's-[woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. W.H. van Baren te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 13 november 2013

  • -

    de akte uitlaten bewijs en overlegging producties, tevens akte wijziging van eis

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 27 maart 2014

  • -

    het proces-verbaal van voortzetting getuigenverhoor van 25 juni 2014

  • -

    het proces-verbaal van tegenverhoor van 5 september 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

[eiser] heeft bij akte wijziging van eis de door hem gevorderde schadevergoeding verminderd tot een bedrag van € 762.950,11, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf primair 1 november 2011 en subsidiair de dag van dagvaarding.

2.2.

Bij vonnis van 13 november 2013 is [eiser] opgedragen te bewijzen:

  • -

    dat zijn dienstverband met [naam] (hierna: [de bank]) is beëindigd als gevolg van de mededeling van [gedaagde] aan [de bank] [naam] dat er bij [de bank] een (ex-)werknemer van [gedaagde] werkzaam was, dat [gedaagde] deze (ex-) werknemer op staande voet had ontslagen vanwege voor [gedaagde] onacceptabele gedragingen en dat er daarover een bodemprocedure liep bij de kantonrechter;

  • -

    dat [de bank] het dienstverband met [eiser] na afloop van de arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar zou hebben voortgezet tot aan de pensioengerechtigde leeftijd van [eiser].

2.3.

[eiser] heeft als getuigen doen horen [naam] en [naam]. [gedaagde] heeft in contra-enquête doen horen [naam].

Hetgeen de getuigen hebben verklaard komt, in onderling verband en samenhang bezien, op het volgende neer.

2.3.1.

[de bank] is met [eiser] een arbeidsovereenkomst aangegaan, wetende dat [eiser] een conflict had gehad met [gedaagde] en dat er in verband daarmee een procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst liep. [de bank] heeft kennis gekregen van de beslissing in die ontbindingszaak en daarin geen aanleiding gezien om het dienstverband met [eiser] te beëindigen.

[naam], voorzitter van de Raad van Bestuur van [gedaagde], heeft de getuige [naam], directeur [naam] van [de bank] [naam], medegedeeld dat [eiser], aan wie [gedaagde] op staande voet ontslag had willen geven, bij [de bank] in dienst zou komen of was gekomen. In vervolg hierop heeft [naam] via getuige [naam], toenmalig directeur bedrijven en private banking van [de bank], van [gedaagde] afkomstige nadere informatie verkregen over het ontslag van [eiser] en de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst met [gedaagde]. In de contacten die daarop zijn gevolgd tussen [de bank] en [de bank] [naam], mede in de persoon van [naam], is [de bank] door [de bank] [naam] geadviseerd de dienstbetrekking met [eiser] te beëindigen. De opstelling van [de bank] in de contacten met [de bank] [naam] kwam er op neer dat [de bank] niet wenste terug te komen op de indiensttreding van [eiser]. [de bank] [naam] heeft [de bank] het dringende advies gegeven het dienstverband met [eiser] te beëindigen.

De beslissing tot het al dan niet beëindigen van de dienstbetrekking met [eiser] betrof een bevoegdheid van de directie van [de bank]. De directie van [de bank] heeft naar aanleiding van de opstelling van [de bank] [naam] ten aanzien van het dienstverband met [eiser] besloten om tot beëindiging hiervan over te gaan en zou daarvoor zonder de inmenging van [de bank] [naam] geen aanleiding hebben gezien. Uit de ontbindingsbeschikking bleek voor de directie niet van omstandigheden die meebrachten dat het dienstverband met [eiser] zou moeten eindigen.

2.3.2.

Met [eiser] was door [de bank] een dienstverband voor de duur van één jaar aangegaan omdat dat gebruikelijk was voor nieuwe medewerkers die van buiten de [de bank]-organisatie kwamen. De ervaringen van de directie van [de bank] gedurende de eerste zes weken van het dienstverband van [eiser] gaven voor de directie geen aanleiding om te denken dat het dienstverband na één jaar zou worden beëindigd. Met de aanstelling van [eiser] als manager private banking heeft [de bank] bedoeld om een langjarige leider aan te stellen die private banking op sleeptouw kon nemen. Rabobankmedewerkers hebben vaak een zeer langjarig dienstverband, blijven vaak lang op dezelfde functie zitten binnen dezelfde Rabovestiging en als er sprake is van doorstroming, dan gebeurt dat vaak binnen de [bankgroep].

2.4.

Uit de verklaringen van de getuigen, zoals hiervoor onder 2.3.1 samengevat, volgt dat het dienstverband van [eiser] met [de bank] is beëindigd als gevolg van de mededeling van [gedaagde] aan [de bank] [naam] dat er bij [de bank] een (ex-) werknemer van [gedaagde] werkzaam was, dat [gedaagde] deze (ex-)werknemer op staande voet had ontslagen dan wel wilde ontslaan vanwege voor [gedaagde] onacceptabele gedragingen en dat er daarover een bodemprocedure liep bij de kantonrechter. [eiser] is derhalve geslaagd in de hem verstrekte bewijsopdracht op dit punt. Daarmee is het oorzakelijk verband tussen het haar toe te rekenen onrechtmatig handelen van [gedaagde], zoals vastgesteld bij het vonnis van 13 november 2013 onder 4.4.2, en de beëindiging van zijn dienstverband met [de bank], komen vast te staan.

2.5.

Bij de schadeberekening heeft te gelden dat de benadeelde zoveel mogelijk in een toestand moet worden gebracht waarin het schadeveroorzakende voorval zich niet zou hebben voorgedaan. Dit betekent in onderhavig geval dat voor het bepalen van de hoogte van de schade een vergelijking moet worden gemaakt tussen de situatie dat [gedaagde] niet onrechtmatig gehandeld zou hebben en de situatie dat dit wel het geval is. De schade die [eiser] in deze procedure heeft gevorderd bestaat in inkomensschade, gederfde ontbindingsvergoeding en ander nadeel als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub a en b BW.

2.5.1.

Bij de begroting van zijn inkomensschade is [eiser] er vanuit gegaan dat hij tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd bij [de bank] in dienst zou zijn gebleven. [gedaagde] heeft tot haar verweer aangevoerd dat deze schadepost zo ver verwijderd is van de gestelde schadeveroorzakende gebeurtenis dat de schade om die reden niet voor toewijzing in aanmerking kan komen. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt dat het de bedoeling van [de bank] was om de arbeidsrelatie na een jaar te laten voortduren, biedt een arbeidsrelatie geen inkomensgarantie tot aan de pensioengerechtigde leeftijd en heeft [eiser] geen rekening gehouden met onzekere factoren zoals de mogelijkheid dat hij weer op dezelfde wijze interne regelgeving zou overtreden als hij bij [gedaagde] heeft gedaan, het risico van overlijden en arbeidsongeschiktheid en de omstandigheid dat het in het huidige economische klimaat ook bij [de bank] een baan tot aan de pensioengerechtigde leeftijd allerminst gegarandeerd is.

2.5.2.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de verklaringen van de getuigen, zoals hiervoor onder 2.3.2 samengevat, volgt dat [eiser] was aangetrokken om gedurende meerdere jaren leiding te geven aan private banking bij [de bank] en dat er geen omstandigheden aanwezig waren op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat de arbeidsovereenkomst van [eiser] na het verstrijken van de duur van één jaar niet voor onbepaalde tijd zou zijn voortgezet.

[eiser] moet worden geacht te zijn geslaagd in het haar opgedragen bewijs voor zover dat er op neer kwam dat [de bank] het dienstverband met [eiser] na afloop van de arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar voor onbepaalde tijd zou hebben voortgezet. Voor beantwoording van de vraag of die voortzetting vervolgens zou hebben geduurd tot aan de pensioengerechtigde leeftijd van [eiser], komt het aan op de redelijke verwachtingen daaromtrent. Geen van de getuigen heeft verklaard dat de dienstbetrekking na de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, tot aan de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben voortgeduurd. Uit de verklaringen van de getuigen [naam] en [naam] volgt dat werknemers bij [de bank] over het algemeen een langjarig dienstverband hebben en vaak binnen de [bank]-organisatie doorstromen. [eiser] heeft, voordat zijn dienstbetrekking op initiatief van [gedaagde] werd beëindigd, gedurende een periode van bijna 15 jaar bij [gedaagde] gewerkt. [eiser] was bij indiensttreding bij [de bank] 52 jaar oud en zijn pensioengerechtigde leeftijd kan, zoals onweersproken is gebleven, worden gesteld op 67 jaar. Dit zijn omstandigheden die steun geven aan de veronderstelling dat [eiser] tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd bij [de bank] in dienst zou zijn gebleven. [gedaagde] heeft nog gewezen op het feit dat er in het huidige financiële klimaat geen garantie op baan of inkomen bestaat en dat er ook bij de [de bank]-organisatie reorganisaties ten koste van duizenden banen plaatsvinden, hetgeen door [eiser] niet is weersproken. Enerzijds zijn dit weliswaar omstandigheden die meebrengen dat niet geheel uitgesloten kan worden geacht dat [de bank] op enig moment in de toekomst genoodzaakt zou zijn de arbeidsovereenkomst met [eiser] voorafgaand aan zijn pensioengerechtigde leeftijd te beëindigen maar anderzijds kan in verband met die omstandigheden worden aangenomen dat [eiser] niet op eigen initiatief tot beëindiging van het dienstverband met [de bank] zou zijn overgegaan. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat [gedaagde] door haar onrechtmatige gedragingen heeft voorkomen dat hieromtrent zekerheid kan ontstaan.

Er bestaat geen enkele grond om te veronderstellen dat [eiser] gedurende zijn dienstverband met [de bank] interne regels bij [de bank] zou gaan overtreden, in aanmerking nemende ook de nadelige gevolgen die het handelen van [eiser] in dienst van [gedaagde] voor hem heeft gehad. Daarnaast is het risico van overlijden en van arbeidsongeschiktheid door [gedaagde] op geen enkele wijze geconcretiseerd. Ook voor het overige heeft [gedaagde] geen omstandigheden gesteld op grond waarvan rekening zou moeten worden gehouden met de mogelijkheid dat de arbeidsovereenkomst voorafgaand aan de pensioengerechtigde leeftijd van [eiser] zou eindigen. Er zal daarom van worden uitgegaan dat zonder de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde] de dienstbetrekking van [eiser] bij [de bank] tot aan diens pensioengerechtigde leeftijd zou hebben voortgeduurd.

2.6.

Tussen partijen staat vast dat [eiser] sinds de beëindiging van zijn dienstverband met [de bank] geen inkomsten uit arbeid heeft genoten. Niet weersproken is dat [eiser] over de periode vanaf december 2011 aanspraak heeft op een werkloosheidsuitkering en dat hij, bij voortduring van de werkloosheid, ingaande februari 2015 aanspraak zal kunnen maken op een bijstandsuitkering. Bij de bepaling van de huidige situatie van [eiser] in het verband van de begroting van de schade, dienen ook betrokken te worden de mogelijkheden voor [eiser] om inkomen uit arbeid te verwerven. [gedaagde] heeft aangevoerd dat niet gebleken is van inspanningen van [eiser] om zijn schade te beperken terwijl niet aannemelijk is dat hij in het geheel geen nieuwe dienstbetrekking kan vinden. [gedaagde] heeft in dit verband verwezen naar de volgens haar gezaghebbende rekenmethode en website van het Hugo Sinzheimer Instituut “www.hoelangwerkloos.nl”, waaruit blijkt van een verwachte werkloosheidsduur voor [eiser] van 367 dagen.

[eiser] heeft gesteld dat hij zich na het ontslag intensief heeft ingespannen om een nieuwe dienstbetrekking te vinden maar dat hij daarbij steeds stuit op het feit dat hij vanwege zijn opleiding en achtergrond is gebonden aan de financiële sector alwaar iedereen in de omgeving van zijn woonplaats inmiddels wel weet dat hij ontslagen is bij [gedaagde], terwijl ook zijn leeftijd hem niet in de kaart speelt. Bij gelegenheid van de comparitie na antwoord heeft [eiser] verklaard dat hij ongeveer 48 à 49 sollicitaties heeft verricht en nog geen nieuwe baan heeft gevonden. Voor heeft hij gesteld dat hij niet snel een nieuwe betrekking zal kunnen vinden en dat hij elders een lager salaris zal ontvangen.

2.6.1.

De rechtbank overweegt als volgt.

[eiser] heeft bij het begroten van zijn schade geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat hij alsnog inkomsten uit arbeid zal verwerven. Het is aannemelijk dat het voor [eiser] niet eenvoudig zal zijn een nieuwe dienstbetrekking te vinden, gelet op zijn leeftijd, zijn achtergrond en de omstandigheden rond zijn ontslag bij [gedaagde]. Niet uitgesloten kan echter worden dat [eiser] gelet op zijn kennis en ervaring voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, na het verrichten van daarop gerichte inspanningen zijnerzijds, een andere dienstbetrekking zal vinden. [eiser] heeft nagelaten enig onderbouwd inzicht te geven in de inspanningen die hij met het oog daarop heeft verricht en de resultaten daarvan. De door hem gestelde sollicitaties zijn niet nader onderbouwd. Bovendien is niet duidelijk of [eiser] zijn sollicitaties heeft beperkt tot de financiële sector of ook daarbuiten heeft gesolliciteerd, hetgeen van hem wel verwacht mag worden, en of [eiser] enkel heeft gesolliciteerd naar functies met een vergelijkbare salarisniveau als dat van zijn functie bij [de bank] of ook naar functies met een lager salarisniveau, zoals eveneens van hem mag worden verwacht.

Voor de begroting van de schade moet de rechtbank inzicht hebben in de contante waarde van de inkomensderving die over de periode van 1 december 2011 tot de pensioendatum van 1 juni 2026 door [eiser], rekening houdend met uitkeringen in verband met werkloosheid, getotaliseerd is gesteld, door [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd weersproken, op een bedrag van € 737.950,11. Ook zal de rechtbank voldoende onderbouwd, ook cijfermatig, inzicht moeten hebben in de inkomenssituatie van [eiser] sedert de beëindiging van zijn dienstbetrekking bij [de bank], waarin betrokken dienen te worden zijn mogelijkheden om, in aanmerking nemende ook hetgeen in de vorige alinea is overwogen, inkomen uit arbeid te verwerven. De zaak zal in verband daarmee naar de rol worden verwezen opdat [eiser] hierover bij akte nadere inlichtingen kan verstrekken. [gedaagde] zal in de gelegenheid worden gesteld daarop bij antwoordakte te reageren.

2.7.

[eiser] heeft gesteld dat bij de bepaling van de aan hem toekomende ontbindingsvergoeding bij beschikking van de kantonrechter Eindhoven van 26 september 2011 een korting is toegepast omdat hij uitzicht had op een dienstverband bij [de bank]. Er is aldus sprake van een gederfde ontbindingsvergoeding, aldus [eiser]. [eiser] miskent hiermee echter dat de beschikking is gegeven op voorwaardelijke ontbindingsverzoeken van hem en [gedaagde] en dat hij enkel aanspraak zou kunnen maken op een ontbindingsvergoeding indien de arbeidsovereenkomst niet door het ontslag op staande voet zou zijn geëindigd maar als gevolg van de ontbinding zoals uitgesproken bij de beschikking van 26 september 2011, zoals ook [gedaagde] tot haar verweer heeft aangevoerd. Bij arrest van 27 augustus 2013 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch onder meer de vordering van [eiser], ertoe strekkende dat voor recht wordt verklaard dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst nietig is, alsnog afgewezen. Deze beslissing heeft tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst op 6 juni 2011 is geëindigd en dat er geen sprake is van een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op basis waarvan [eiser] aanspraak zou kunnen maken op een ontbindingsvergoeding. Nu [eiser] in het geheel geen aanspraak kon maken op een ontbindingsvergoeding kan van een gederfde ontbindingsvergoeding als door [eiser] bedoeld evenmin sprake zijn.

2.8.

Het ander nadeel waarvoor [eiser] een vergoeding vordert bestaat er volgens [eiser] in dat zijn goede naam in de bancaire wereld door [gedaagde] te grabbel is gegooid, dat zijn huwelijk de door [gedaagde] uitgeoefende druk niet heeft overleefd, dat hij is beticht van illegale praktijken en dat hij zich continue heeft moeten laten welgevallen dat [gedaagde] er op uit was om [eiser] zwart te maken. [eiser] heeft gesteld dat als gevolg van de aanhoudende lastercampagne van [gedaagde] zijn levensvreugde is gedaald en hij in zijn persoon is aangetast.

Voorts moet volgens [eiser] worden aangenomen dat [gedaagde] het oogmerk heeft gehad om hem te beschadigen.

[gedaagde] heeft tot haar verweer onder meer aangevoerd dat de omstandigheden die [eiser] naar voren brengt op geen enkele wijze in verband staat met de grondslagen voor aansprakelijkheid die [eiser] aanvoert.

2.8.1.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij het tussenvonnis in deze zaak van 13 november 2013 heeft de rechtbank de grondslagen van de vordering van [eiser] beoordeeld. De rechtbank heeft overwogen dat [gedaagde] moet worden geacht te hebben gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die zij tegenover [eiser] in acht had te nemen door [de bank] [naam] mede te delen dat bij [de bank] een (ex-)werknemer werkzaam was, dat [gedaagde] deze (ex-) werknemer op staande voet had ontslagen vanwege voor [gedaagde] onacceptabele gedragingen en dat er daarover een bodemprocedure liep bij de kantonrechter. De overige gronden van de vordering heeft de rechtbank verworpen. Uit hetgeen [eiser] heeft gesteld kan niet worden opgemaakt dat het door hem genoemde ander nadeel in enig oorzakelijk verband staat met het onrechtmatig handelen van [gedaagde] dat [eiser] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd en dat de rechtbank heeft aangenomen. Bovendien heeft [gedaagde] weersproken dat zij het oogmerk had dit ander nadeel aan [eiser] toe te brengen zodat dit niet is komen vast te staan. Ook heeft [eiser] het gestelde ander nadeel, gegeven ook het verweer van [gedaagde], onvoldoende onderbouwd. Reeds hierom kan [eiser] geen aanspraak maken op schadevergoeding voor dit ander nadeel. De vordering op dit onderdeel zal worden afgewezen.

2.9.

[gedaagde] heeft gesteld dat de beëindigingsvergoeding van € 55.000,00 bruto die [eiser] van [de bank] heeft ontvangen, in mindering dient te strekken op een eventueel aan [eiser] toe te kennen schadevergoeding. [eiser] heeft dat weersproken, stellende dat de beëindigingsvergoeding voortvloeit uit de coulance van [de bank] en daarmee niet uit dezelfde gebeurtenis als de inkomensschade, zijnde de onrechtmatige mededelingen van [gedaagde], zodat het bedrag uit de beëindigingsvergoeding niet als voordeelstoerekening op de inkomensschade in mindering mag worden gebracht.

2.9.1.

De rechtbank overweegt als volgt.

De toekenning van de beëindigingsvergoeding aan [eiser] houdt direct verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [de bank], die het gevolg is van het onrechtmatig handelen van [gedaagde]. Dat onrechtmatig handelen moet derhalve worden geacht niet alleen nadeel voor [eiser] te hebben gebracht in de vorm van inkomensverlies maar ook voordeel in de vorm van die vergoeding. Het is redelijk dat dit voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening gebracht. De beëindigingsvergoeding bedraagt volgens [eiser] € 26.400,00 netto en nu [gedaagde] dat niet heeft weersproken kan van dat bedrag worden uitgegaan.

2.10.

[gedaagde] heeft gesteld dat er sprake is van eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW. Volgens [gedaagde] wordt de kennelijke grondslag voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [de bank] gevormd door de integriteitsschendingen van [eiser] en had deze aanleiding niet bestaan als [eiser] zich conform de eisen van integriteit had gedragen. Voorts heeft [gedaagde] gesteld dat [eiser] heeft ingestemd met de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst en dat het niet is gezegd dat [eiser] zich niet succesvol tegen de beëindiging had kunnen verzetten of op andere wijze bezwaar had kunnen maken tegen de beëindiging.

2.10.1.

De rechtbank overweegt als volgt.

De beëindiging van het dienstverband van [eiser] met [de bank] is het gevolg van onrechtmatig handelen van [gedaagde], bestaande in mededelingen die zij over [eiser] aan [de bank] heeft gedaan. Die beëindiging is niet het gevolg van de door [gedaagde] bedoelde integriteitsschendingen en kan daarom niet mede aan [eiser] worden toegerekend.

[gedaagde] heeft niet voldoende onderbouwd dat [eiser] mogelijkheden had om beëindiging van de arbeidsovereenkomst te voorkomen en dat hij deze niet dan wel onvoldoende heeft benut. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd gedurende de proeftijd zodat [de bank] bevoegd was de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen. Aan [eiser] kan in verband daarmee niet worden tegengeworpen dat hij, nadat [de bank] de arbeidsovereenkomst met ingang van 25 november 2011 had opgezegd, met [de bank] tot een vaststellingsovereenkomst ter zake de beëindiging van de arbeidsovereenkomst is gekomen, te minder nu hem in samenhang daarmee een beëindigingsvergoeding is toegekend. [eiser] kan anders dan [gedaagde] heeft gesteld niet worden geacht zijn rechten te hebben verwerkt.

Het beroep op eigen schuld van [eiser] gaat in verband met het voorgaande niet op.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

Verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 24 december 2014 voor akte zijdens [eiser] als hiervoor onder 2.6.1 bedoeld.

3.2.

Verstaat dat [gedaagde] in de gelegenheid wordt gesteld om op de rolzitting van vier weken na de datum waarop [eiser] zijn akte als voormeld heeft genomen, een antwoordakte te nemen.

3.3.

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2014.