Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:7188

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-11-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
C/01/273448 / EX RK 14-09
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De stellingen van verzoeker in zijn zienswijze, in zijn verzoekschrift waarbij beroep is ingesteld tegen het ruilplan en bij de behandeling van zijn verzoekschrift door de enkelvoudige kamer van de rechtbank, waren gericht op het behouden dan wel verkrijgen van een erfdienstbaarheid van weg. Op grondslag van die stellingen heeft de enkelvoudige kamer van de rechtbank het verzoekschrift behandeld. Daarna is de behandeling aangehouden om verzoeker in de gelegenheid te stellen overleg te plegen met belanghebbenden over een alternatieve ontsluiting en ter finale behandeling verwezen naar de meervoudige kamer. Bij die behandeling heeft verzoeker zijn standpunt dat hij aanspraak kan maken op een erfdienstbaarheid van weg laten varen en in plaats daarvan gesteld dat sprake is van een buurweg.

De rechtbank oordeelt dat niet staande gehouden kan worden dat verweerder met het bestaan van een buurweg rekening had moeten houden bij het opstellen van het ruilplan. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat noch in de zienswijze, noch in het verzoekschrift het standpunt is ingenomen dat een buurweg is ingebracht en ook bij de behandeling door de enkelvoudige kamer geen beroep is gedaan op het bestaan van een buurweg. Daarbij is niet doorslaggevend dat de term “buurweg” niet is gehanteerd, maar dat geen feiten zijn gesteld die de conclusie kunnen dragen dat verweerder de aanspraak van verzoeker op een ontsluiting aan de zuidzijde van zij huiskavel had moeten begrijpen als een aanspraak op het voortgezette gebruik van een bestaande buurweg. Zijdens verzoeker zijn immers geen feiten naar voren gebracht waaruit zou kunnen volgen dat verzoeker feitelijke macht over het (desbetreffende deel van het) pad heeft uitgeoefend die past bij het gebruik van dat pad als buurweg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rekestnummer: C/01/273448 / EX RK 14-09

Beschikking van 21 november 2014

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde mr. R.C. van Wamel te Bergen op Zoom,

tegen:

Het College van Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant,

zetelend te 's-Hertogenbosch,

verweerder,

gemachtigde mr. M.A.T.L. Thijssen te Tilburg.

1 De procedure

1.1.

Bij besluit van 25 november 2013 heeft verweerder het ruilplan voor het herverkavelingsblok [woonplaats] vastgesteld.

1.2.

Bij verzoekschrift gedateerd 14 januari 2014, ontvangen ter griffie van deze rechtbank op 14 januari 2014, hebben verzoekers beroep ingesteld tegen het ruilplan. De grieven van verzoeker houden verkort en zakelijk weergegeven het volgende in:

  1. Verzoeker heeft bezwaar tegen toedeling van kavel [nummer]

  2. Verzoeker verzoekt een erfdienstbaarheid/recht van weg te vestigen ter ontsluiting van de huiskavel aan de zuidzijde.

1.3.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het beroep van verzoeker is op 15 mei 2014 ter zitting behandeld (gelijktijdig met het beroep inzake EX RK 14-20 van [naam] en EX RK 14-36 van [naam]). Verzoeker is verschenen in persoon, vergezeld van [naam]. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde mr. M.A.T.L. Thijssen. Deze werd bijgestaan door

[naam] van het Kadaster en [naam] van de Dienst Landelijk Gebied te Tilburg.

Namens belanghebbende de gemeente [woonplaats] is verschenen [naam]. Belanghebbende [naam] is verschenen in persoon, bijgestaan door van mr. H.A. Gooskens, gemachtigde.

1.5.

Na behandeling van de zaak is deze aangehouden en verwezen naar de zitting van de meervoudige kamer.

1.6.

Bij brief van 2 september 2014 met bijlagen is door mr. R.C. van Wamel namens [verzoeker] het standpunt ingenomen primair dat (het noordwestelijk gedeelte van) pad [nummer] moet worden aangemerkt als een buurweg (in de zin van artikel 719 BW oud) en subsidiair dat de situatie ter plaatse rechtvaardigt dat er een erfdienstbaarheid (ten behoeve van [verzoeker]) wordt gevestigd.

1.7.

De behandeling is voortgezet op de zitting van de meervoudige kamer van

11 september 2014. Verzoeker is verschenen in persoon, vergezeld van [naam], bijgestaan door mr. R.C. van Wamel.

Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde mr. M.A.T.L. Thijssen. Deze werd bijgestaan door [naam] van het Kadaster en [naam] van de Dienst Landelijk Gebied te Tilburg. Belanghebbende [naam] is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Gooskens. Namens belanghebbende gemeente [woonplaats] is verschenen [naam].

1.8.

Bij de (voortgezette) behandeling van grief 2 ter zitting van de meervoudige kamer van 11 september 2014 bleek dat verweerder en de belanghebbenden de hiervoor genoemde brief niet hadden ontvangen. Mr. van Wamel heeft het in de brief ingenomen standpunt nader toegelicht aan de hand van een overgelegde pleitnotitie. Na gevoerd debat heeft de rechtbank vervolgens verweerder en belanghebbenden een termijn gegeven om te reageren op de (bij) brief van 2 september 2014 (door mr. van Wamel aan de rechtbank toegezonden brief met bijlagen).

1.9.

Op bedoelde brief is namens [naam] gereageerd bij brief van mr. Gooskens van 26 september 2014, zijdens de gemeente [woonplaats] bij brief van 29 september 2014 en namens verweerder bij brief van 1 oktober 2014 van mr. Thijssen.

1.10.

Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 29 oktober 2014. Op 29 oktober 2014 is de uitspraak aangehouden en nader bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1.

De huiskavel van verzoeker ligt buiten het verkavelingsblok. Door verzoeker zijn twee veldkavels ingebracht, gezamenlijk groot 02.23.20 ha.. Aan verzoeker is één kavel toegedeeld, groot 02.23.20 ha.. Er is derhalve sprake van kavelconcentratie.

Grief 1: Toedeling van kavel [nummer]

2.2.

Verzoeker stelt dat de hem toegedeelde veldkavel niet dezelfde gebruiksbestemming en exploitatiemogelijkheden heeft als de twee ingebrachte veldpercelen. Verzoeker geeft aan dat de kwaliteit van de grond slechter is dan zijn inbreng, er sprake is van schaduwschade en schade van vallende takken en bladeren als gevolg van de aanwezigheid van bomen aan de zuidzijde alsmede dat de afstand tot de veldkavel gemeten vanaf zijn huiskavel beduidend groter is dan de afstand tot de ingebrachte kavels waardoor verzoeker zijn paarden niet in de gaten kan houden als die op de veldkavel grazen, hetgeen in de inbrengsituatie wel het geval was.

2.3.

Verzoeker heeft zijn stelling dat de toegedeelde grond van mindere kwaliteit is niet onderbouwd. Op de peildatum gebruikte verzoeker zijn grond voor maïs en gras. Uit het als bijlage 18 bij het verweerschrift gevoegde bodemkundig rapport blijkt dat er tussen de inbreng en toedeling 1 ruilklasse verschil is en de ingebrachte en de toegedeelde grond voor maïs- en grasteelt gelijkwaardig is. De aanwezigheid van bomen (die door verweerder wordt betwist) langs een kavel maakt de toedeling daarvan niet onaanvaardbaar. Eventuele schade als gevolg van de aanwezigheid van bomen langs toegedeelde grond kan aan de orde worden gesteld bij de lijst geldelijke regelingen.

Bij het meten van de afstand tot de veldkavel heeft verzoeker de afstand vanaf de achterzijde van zijn huiskavel tot het veldperceel vastgesteld. Zoals hierna zal worden overwogen, kan verzoeker geen aanspraak maken op een ontsluiting aan de zuidzijde van zijn huisperceel. Gemeten vanaf de reguliere ontsluiting van het huisperceel op de openbare weg is de afstand tot één van de ingebrachte kavels kleiner, maar de afstand tot de andere ingebrachte veldkavel groter, vergeleken met de afstand tot de toegedeelde veldkavel. Daarbij dient overigens mede in aanmerking genomen te worden, dat ingevolge de door verweerder vastgestelde uitgangspunten kavelconcentratie boven afstandsverkorting gaat.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat uit een vergelijking van inbreng met toedeling blijkt dat sprake is van concentratie en vormverbetering van de percelen zodat sprake is van een verbetering ten opzichte van de inbrengsituatie. Dat verzoeker geen zicht heeft op zijn paarden op de toegedeelde veldkavel maakt dat niet anders.

Verzoeker heeft nog aangevoerd dat de commissie bij de belangenafweging die is gemaakt bij de toedeling, de belangen van (belanghebbende) [naam] heeft laten prevaleren boven zijn belangen. Voor die afweging is van belang dat verzoeker een particulier is en [naam] een agrarisch bedrijf heeft, ter plaatse ook grond ingebracht heeft en in de toedeling aanspraak kon maken op toevoeging van grond aan zijn bedrijfskavel. Nu als hiervoor overwogen (ook) voor verzoeker sprake is van verbetering van de situatie als gevolg van de verkaveling, dienen de belangen van [naam] als voornoemd te prevaleren boven die van verzoeker.

2.4.

Dit onderdeel van het beroep wordt derhalve vooralsnog ongegrond bevonden. Gegrondverklaring kan slechts aan de orde zijn, indien in samenhang met de zaak [naam] (EX RK 14-19) alsnog een wijziging van de grenzen van perceel [nummer] wordt doorgevoerd. In afwachting van de uitkomst van die procedure wordt iedere verdere beslissing op dit onderdeel aangehouden.

Grief 2: Het niet opnemen van de gewenste erfdienstbaarheid over “pad [nummer]”

2.5.

Zoals vermeld onder 1.2. heeft verzoeker bij het door mr. R.M.C.M. Bogers (Bogers Kruisland Juridisch-Agrarisch Adviesbureau) namens hem ingediende verzoekschrift aanspraak gemaakt op een erfdienstbaarheid voor de ontsluiting van het achterste gedeelte van zijn huiskavel via “pad [nummer]” naar de Antwerpseweg.

2.6.

De rechtbank stelt voorop dat het plan van toedeling,ingevolge het bepaalde in artikel 51, lid 2, Wilg, alleen betrekking heeft op de in het blok gelegen gronden. De huiskavel van verzoeker is gelegen buiten dat blok. Dit heeft tot gevolg dat verzoeker geen aanspraak kan maken op de vestiging van een erfdienstbaarheid van weg ter ontsluiting van zijn huiskavel aan de zuidzijde over het wel binnen het blok gelegen “pad [nummer]”. Dit laat onverlet dat bestaande beperkte rechten ten behoeve van buiten het blok gelegen gronden die rusten op binnen het blok gelegen gronden op grond van artikel 60 Wilg geregeld (waaronder begrepen: opnieuw gevestigd) of opgeheven kunnen worden onder de regeling van de geldelijke gevolgen daarvan.

2.7.

Het voorgaande brengt met zich dat verzoeker alleen aanspraak kan maken op een ontsluiting aan de zuidzijde van zijn huiskavel als hij vóór de herkaveling gerechtigd was via “pad [nummer]” uit te wegen naar de openbare weg en/of van zijn huiskavel naar de ingebrachte veldkavels te gaan. Zowel de bij de zienswijze als de in het verzoekschrift gehanteerde stellingen van verzoeker zijn gericht op het behouden c.q. verkrijgen van een erfdienstbaarheid van weg. Op grondslag van die stellingen heeft de enkelvoudige kamer van deze rechtbank op 15 mei 2014 het verzoekschrift behandeld. De behandeling van de zaak is vervolgens aangehouden om verzoeker de gelegenheid te geven om in overleg met belanghebbenden ([naam] en [naam]) te treden over een alternatieve ontsluiting en ter finale behandeling naar de meervoudige kamer verwezen. Vastgesteld moet worden dat het minnelijke overleg over een alternatief niet tot overeenstemming heeft geleid.

2.8.

Ter zitting van de meervoudige kamer op 11 september 2014 heeft de (nieuwe) gemachtigde van verzoeker (en verzoekers [naam] en [naam]) het standpunt dat verzoeker aanspraak kan maken op een erfdienstbaarheid van weg laten varen. In plaats daarvan heeft hij gesteld dat sprake is van een buurweg. In zijn pleitnota heeft hij onder meer aangevoerd:

“[….] Van betekenis is wél dat bij het pad géén sprake is van een erfdienstbaarheid [….]. Dat er geen sprake is van een erfdienstbaarheid sterkt mijn cliënten in de opvatting dat het (gemeenschappelijke, langdurige en ongestoorde) gebruik dat zij, hun rechtsvoorgangers en andere buren van het pad hebben gemaakt en nog steeds maken, daadwerkelijk kwalificeert als buurweg.

Anders dan namens Gedeputeerde Staten is gesteld, wordt ten aanzien van de binnen het blok gelegen strook grond ter plaatse van het pad wel degelijk een bestaand recht ingebracht, namelijk die van buurweg. Mijn cliënten (en de overige buren) hebben in het kader van het Ruilplan wel degelijk aanspraken, namelijk op ‘vernieuwing van een reeds bestaande buurweg’.[….]”

2.9.

De rechtbank is van oordeel dat de vraag of hier sprake is van een buurweg onbesproken kan blijven. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.9.1.

Noch in de ingediende zienswijze, noch in zijn verzoekschrift heeft verzoeker het standpunt ingenomen dat er een buurweg is ingebracht in de vorm van (een deel van) “pad [nummer]”. Steeds is het standpunt ingenomen dat er een erfdienstbaarheid gevestigd diende te worden c.q. gehandhaafd diende te blijven ten behoeve van de ontsluiting van de huiskavel van verzoeker aan de zuidzijde. Ook bij de behandeling ter zitting van 15 mei 2014 is geen beroep op het bestaan van een buurweg gedaan. Daarbij is niet doorslaggevend dat de term buurweg niet is gehanteerd, maar wel dat in de zienswijze (en het daarop gevolgde verzoekschrift en bij de behandeling van het verzoekschrift ter zitting van de enkelvoudige kamer) geen feiten zijn gesteld die de conclusie kunnen dragen dat verweerder de aanspraak van verzoeker op een ontsluiting aan de zuidzijde van zijn huiskavel had moeten begrijpen als een aanspraak op het voortgezette gebruik van een bestaande buurweg. Feiten waaruit zou kunnen volgen dat verzoeker feitelijke macht over (het desbetreffende deel van) “pad [nummer]” heeft uitgeoefend die past bij het gebruik van dat pad als buurweg zijn in de zienswijze immers niet naar voren gebracht. Onder die omstandigheden kan niet staande gehouden worden dat verweerder met het gestelde bestaan van de buurweg rekening had moeten houden bij het opstellen van het ruilplan. De gewijzigde grief slaagt dan ook niet.

2.10.

De slotsom is dat de rechtbank haar definitieve oordeel omtrent de eerste grief zal aanhouden en dat de tweede grief ongegrond dient te worden verklaard.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

houdt iedere verdere beslissing aan totdat in de zaak [naam] (EX RK 14-19) zal worden beslist.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.K.B. van Daalen, mr. G.J. Roeterdink en mr. H. Benek en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2014.