Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:7162

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
08-01-2015
Zaaknummer
14 _ 398
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouwleges voor het verbouwen van een woning en het realiseren van een kelder onder de bestaande aanbouw.

Verweerder merkt de kelder terecht aan als nieuwbouw en niet als interne verbouwing. Verweerder verhoogt verder ten onrechte de leges vanwege het achteraf legaliseren van de aanvraag. Weliswaar is verweerder bevoegd om leges te heffen, indien de aanvraag wordt ingediend na de aanvang of het gereedkomen van de bouwactiviteit en de aanvraag aldus dient ter legalisatie van het zonder die vergunning gerealiseerde bouwwerk, maar het relevante artikel in de Tarieventabel ziet niet op de situatie van belanghebbende. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat in dit specifieke geval geen sprake was van een situatie waarin eiseres willens en wetens en zonder voorafgaand overleg met de gemeente is begonnen met het realiseren van het bouwwerk. Eiseres heeft namelijk vóór de start van de bouwwerkzaamheden overleg gevoerd met verweerders gemeente over de vraag of een omgevingsvergunning noodzakelijk was en is ervan uitgegaan dat de via verweerders gemeente en de via het omgevingsloket verkregen informatie juist was. Dat achteraf is gebleken dat deze informatie niet juist was en eiseres niet zonder een omgevingsvergunning mocht gaan bouwen kan niet door middel van een extra legesheffing voor rekening van eiseres worden gebracht. De situatie van eiseres is niet te vergelijken met de situatie waarin een aanvrager zonder overleg met de gemeente gaat bouwen, dus zonder zich ervan te vergewissen of de bouwactiviteiten vergunningplichtig zijn. De rechtbank brengt het hiervoor in beroep aangegeven bedrag voor de legessanctie in mindering op het totaalbedrag aan leges. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/54
V-N 2015/15.16.6
Belastingblad 2015/136
FutD 2015-0106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 14/398

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten, verweerder

(gemachtigde: H.W.N. Schoutens).

Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2013 heeft verweerder aan eiseres een aanslag leges opgelegd, ten bedrage van € 10.290,14.

Bij uitspraak op bezwaar van 11 november 2013 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en de leges verminderd naar € 7.678,43. Daarbij is tevens aan eiseres een proceskostenvergoeding toegekend van € 58,75.

Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2014. Eiseres is verschenen, vergezeld door [echtgenoot], haar echtgenoot. Tevens is aan de zijde van eiseres verschenen ir. B.A. de Groof van architectenbureau Tenback-de Groof te Nuenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten

Eiseres heeft op 13 juni 2013 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning met de activiteit bouwen van een bouwwerk op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor het verbouwen van een woning en het realiseren van een kelder onder de bestaande aanbouw op het perceel plaatselijk bekend als [adres]. Op 15 augustus 2013 is de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Verweerder heeft voor het in behandeling nemen van deze aanvraag overeenkomstig de bij de Legesverordening 2013 van de gemeente Nuenen (de Legesverordening) behorende Tarieventabel leges geheven, zoals vermeld in het procesverloop.

Geschil en beoordeling

1. De rechtbank stelt vast dat verweerder zich in beroep op het standpunt heeft gesteld dat de leges moeten worden verminderd naar een bedrag van € 6.081. Omdat dit bedrag lager is dan het vastgestelde bedrag aan leges in de bestreden uitspraak, kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven. Het beroep van eiseres is daarom gegrond. Eiseres kan zich met dit bedrag aan leges evenmin verenigen. Dit betekent dat de rechtbank beoordeelt of verweerder de leges niet te hoog heeft vastgesteld.

2. In geschil is daarmee of verweerder terecht leges heeft geheven tot een bedrag van
€ 6.081. Dit bedrag is samengesteld uit een bedrag aan bouwleges ter hoogte van
€ 4.179,30, vermeerderd met een bedrag voor legalisatie van de bouwvergunning (legessanctie) ter hoogte van € 2.089,69, verminderd met een bedrag van € 188,07 in verband met het volledig digitaal indienen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning.

3. Niet in geschil is dat eiseres op 13 juni 2013 een aanvraag heeft gedaan voor een omgevingsvergunning, geregistreerd onder nummer [registratienummer] en dat deze aanvraag in behandeling is genomen door verweerder. Dit betekent dat het belastbare feit zich hiermee heeft voorgedaan en dat verweerder, op grond van de Legesverordening en daarbij behorende Tarieventabel, bevoegd was hiervoor leges te heffen van eiseres.

Bouwleges

4. De rechtbank stelt vast dat de bouwkosten tussen partijen niet in geschil zijn. Voorts staat tussen partijen vast dat het bouwwerk een gebruiksoppervlakte van in totaal 141 m² heeft. De kelder heeft een grootte van 12,8 m² en het overige gedeelte van het bouwwerk heeft een grootte van 128,2 m². Vooruitlopend op een aantal aanpassingen van de Tarieventabel in 2014 heeft verweerder uit coulance de tarieven voor 2014 toegepast op de aanvraag van eiseres, ofschoon die aanvraag in 2013 is ingediend. Bij de tarieven voor 2014 wordt, in tegenstelling tot de tarieven voor 2013, een onderscheid gemaakt tussen verbouwingen en nieuwbouw in die zin dat voor verbouwingen 70% van het legesbedrag in rekening wordt gebracht, waar dat voor nieuwbouw 100% is. Partijen zijn het erover eens dat het hiervoor als ‘overige gedeelte van het bouwwerk’ omschreven deel van het gerealiseerde bouwwerk (groot 128,2 m²) moet worden aangemerkt als een interne verbouwing. Dit betekent dat daarvoor een legestarief geldt van € 3.385,42 (€ 4.836,31 maal 70 %). Partijen verschillen echter van mening over het antwoord op de vraag of de kelder als interne verbouwing kan worden aangemerkt. Eiseres beantwoordt deze vraag bevestigend. Volgens verweerder is sprake van nieuwbouw.

5. De rechtbank kan het standpunt van verweerder volgen dat de kelder als nieuwbouw moet worden aangemerkt. De rechtbank neemt daarbij de stukken die zich in het dossier bevinden en de hierop door partijen ter zitting gegeven toelichting in aanmerking. Op grond hiervan is gebleken dat de kelder op de plaats waar dit gedeelte van het bouwwerk is gerealiseerd eerder nog niet bestond. Voorts heeft eiseres niet weersproken dat voor het realiseren van de kelder een verandering van de draagconstructie noodzakelijk was. Dit betekent dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat wat betreft de aanleg van de kelder geen sprake was een wijziging van een reeds bestaande kelder. Dat, zoals eiseres ter zitting heeft gesteld, op een andere plek reeds een kelder aanwezig was, maakt dit niet anders. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de kelder nieuwbouw betreft. Verweerder heeft daarom terecht, met inachtneming van wat daarover in rechtsoverweging 4. is overwogen, voor de gebruiksoppervlakte die ziet op de kelder leges geheven met een percentage van 100 %, te weten een bedrag van € 793,69. Dit heeft tot gevolg dat verweerder in beroep voor de bouwactiviteiten een totaalbedrag aan bouwleges van € 4.179,38 heeft mogen heffen. De beroepsgrond faalt.

Legessanctie

6. Eiseres heeft ter zitting haar beroepsgronden toegespitst en aangevoerd dat verweerder in zijn geheel geen legessanctie had mogen opleggen. Eiseres is van mening dat een legesverhoging vanwege legaliseringswerkzaamheden niet is toegestaan. Volgens eiseres betreft het werkzaamheden die vallen binnen de op de gemeente rustende handhavingstaak en die daarom niet terug te voeren zijn op aan eiseres individueel verleende diensten.

7. De rechtbank stelt voorop, zoals ook volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 17 april 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI1253), dat verweerder in beginsel op grond van de Legesverordening in samenhang met artikel 2.3.1.4.1 van de Tarieventabel bevoegd is om leges te heffen, indien de aanvraag wordt ingediend na de aanvang of het gereedkomen van de bouwactiviteit en de aanvraag aldus dient ter legalisatie van het zonder die vergunning gerealiseerde bouwwerk. De werkzaamheden van het gemeentebestuur bij de beoordeling van een dergelijke aanvraag houden immers rechtstreeks en in overwegende mate verband met het individuele belang van de aanvrager, zodat er ook sprake is van een in overwegende mate ten behoeve van het individuele belang van de aanvrager verstrekte dienst in de zin van artikel 229, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet. Daarbij komt de bevoegdheid tot het vaststellen van de tarieven, dus ook de hoogte van de tarieven voor het achteraf indienen van een aanvraag ter legalisatie, op grond van artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet toe aan de gemeenten zelf.

8. Het vorenstaande laat echter onverlet dat artikel 2.3.1.4.1 van de Tarieventabel niet ziet op de situatie van eiseres. Uit de gedingstukken komt immers naar voren dat de architect van eiseres, ir. B.A. de Groof (hierna: De Groof), op verschillende momenten in 2012 met ambtenaren van de gemeente Nuenen overleg heeft gehad over het al dan niet noodzakelijk zijn van een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteiten op het perceel [adres]. Op grond van die gespreken en de uitgevoerde digitale vergunningscheck via het omgevingsloket, heeft eiseres geconcludeerd dat een omgevingsvergunning niet noodzakelijk was en is op basis van de informatie die de gemeente ter beschikking heeft gesteld eind 2012 gestart met de bouwwerkzaamheden. Eerst na controles ter plaatse op 4 en 7 maart 2013 door de opzichter Bouw en Wonen, [persoon 1], is de vraag opgeworpen of de bouwactiviteiten wel of niet vergunningvrij waren. In eerste instantie heeft [persoon 2], medewerker Bouwzaken, meegedeeld dat enkel voor de kelder een omgevingsvergunning moest worden aangevraagd. Nadat op 13 juni 2013 de aanvraag om een omgevingsvergunning was ingediend, bleek op 26 juni 2013 vervolgens dat de omgevingsvergunning niet alleen nodig was voor het realiseren van een kelder onder de aanbouw, maar dat alle bouwwerkzaamheden vergunningplichtig waren. Nadat de architect op 23 juli 2013 de benodigde aanvulling en de gewijzigde aanvraag had ingediend, is op 15 augustus 2013 de bouwvergunning verstrekt. Verweerder heeft deze gang van zaken niet weersproken. Bovendien heeft verweerder ook erkend dat de digitale vergunningscheck door de burger als onduidelijk werd ervaren en dat ook eiseres daardoor mogelijkerwijze op het verkeerde been is gezet. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldoende is komen vast te staan dat in dit specifieke geval geen sprake was van een situatie waarin eiseres willens en wetens en zonder voorafgaand overleg met de gemeente is begonnen met het realiseren van het bouwwerk. Eiseres heeft namelijk vóór de start van de bouwwerkzaamheden overleg gevoerd met verweerders gemeente over de vraag of een omgevingsvergunning noodzakelijk was en is ervan uitgegaan dat de via verweerders gemeente en de via het omgevingsloket verkregen informatie juist was. Dat achteraf is gebleken dat deze informatie niet juist was en eiseres niet zonder een omgevingsvergunning mocht gaan bouwen kan niet door middel van een extra legesheffing voor rekening van eiseres worden gebracht. De situatie van eiseres is niet te vergelijken met de situatie waarin een aanvrager zonder overleg met de gemeente gaat bouwen, dus zonder zich ervan te vergewissen of de bouwactiviteiten vergunningplichtig zijn. De rechtbank is onder deze omstandigheden van oordeel dat verweerder in dit specifieke geval ten onrechte extra leges in rekening heeft gebracht voor het achteraf indienen van de aanvraag. De rechtbank brengt dan ook het door verweerder in beroep hiervoor aangegeven bedrag aan leges (€ 2.089,69) in mindering op het totaalbedrag aan leges.


Vermindering vanwege digitale aanvraag

9. De vermindering van het legesbedrag vanwege het digitaal indienen van de omgevingsvergunning en de daarbij behorende stukken bedraagt in overeenstemming met artikel 2.4.2.4.3 van de Tarieventabel 3 % van het in totaal berekende bedrag aan leges. Partijen verschillen hierover niet van mening. Dit betekent dat op het legesbedrag zoals hiervoor is bepaald (€ 4.179,38) 3 % in mindering moet worden gebracht, te weten
€ 125,38.

10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal de bestreden uitspraak op bezwaar vernietigen, voor zover daarbij de leges voor het in behandeling nemen van een omgevingsvergunning voor het verbouwen van een woning en het realiseren van een kelder op het perceel [adres] zijn vastgesteld. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien, waarbij zij de van eiseres geheven leges vermindert tot € 4.054 (€ 4.179,38 - € 125,38). De rechtbank bepaalt dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar.

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres in beroep gemaakte kosten. De rechtbank hanteert daarbij het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2014, en de daarbij behorende bijlage. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 487 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de voor het in behandeling nemen van een omgevingsvergunning voor het verbouwen van een woning en het realiseren van een kelder op het perceel [adres] geheven leges naar een bedrag van € 4.054;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 487.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Tadic, rechter, in aanwezigheid van drs. H.A.J.A. van de Laar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.