Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:7116

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-11-2014
Datum publicatie
21-11-2014
Zaaknummer
01/993222-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt als lid van een criminele organisatie die hennepkwekerijen exploiteerde, veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Van het witwassen van de opbrengsten van de organisatie wordt verdachte vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/993222-12

Datum uitspraak: 21 november 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1968],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 3 mei 2013, 16 januari 2014, 31 oktober 2014 en 7 november 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 april 2013.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 22 januari 2013 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, te zamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (een) hoeveelhe(i)d(en) hennep, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 22 januari 2013 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen(waartoe behoorden [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of andere personen),welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven, als genoemd in de Opiumwet, namelijk

- het telen,bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, af te leveren, verstrekken of vervoeren en/of het aanwezig hebben van (een) middel(en) als bedoeld op lijst II van de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet;

3.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 22 januari 2013, te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, immers heeft zij, verdachte en/of haar mededader(s) van (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedragen (360.290,- euro en/of 35.500,- euro en/of 400,- euro en/of 770,- euro en/of 485,- euro en/of 5850,- euro en/of 3270,- euro en/of 3000,- euro), de

werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben zij en/of haar mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) was of wie bovenomschreven voorwerp(en) voorhanden had, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf en/of heeft/hebben zij en/of haar mededader(s) bovenomschreven voorwerp(en) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van bovenomschreven voorwerp(en gebruik gemaakt - onmiddellijk of middellijk- terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) afkomstig was/waren uit

enig misdrijf;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs voor feit 1

Inleiding.

Verdachte wordt er van verdacht dat zij samen met anderen op tijdstippen in de periode van 1 januari 2012 tot en met 22 januari 2013 telkens een hoeveelheid hennep heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, althans aanwezig heeft gehad.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het op schrift gesteld requisitoir aangevoerde gronden acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de in de inleiding vermelde periode in Eindhoven samen met anderen hennep heeft geknipt en hennep voorhanden heeft gehad.

Het standpunt van de verdediging.

Met het telefoonnummer van verdachte zijn vanaf oktober 2012 een aantal keren knippers geregeld voor de hennepknipperrij. Voorts is in de woning van verdachte een kalender aangetroffen met daarop een viertal data in januari 2013 waarop de aanduiding “wka”, danwel ”wkp” met een getal is terug te vinden. Verder heeft [getuige 1]belastend voor verdachte verklaard.

De verdediging komt tot de conclusie dat ten aanzien van verdachte hooguit betrokkenheid bij een hennepknipperrij kan worden bewezen vanaf oktober 2012.

Verder kan verdachte terecht het verwijt worden gemaakt dat zij een kleine hoeveelheid, namelijk 70 gram, hennep aanwezig heeft gehad op de dag van de inval.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte samen met anderen hennep heeft geknipt, en zo ja, in welke periode zij dit heeft gedaan.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Verdachte is in de gehele ten laste gelegde periode als medepleger betrokken geweest bij het knippen van hennep. De rechtbank baseert haar oordeel in de eerste plaats op een drietal getuigenverklaringen.

[getuige 1], die op 22 januari 2013 in de schuur behorende bij de woning van [medeverdachte 1] samen met anderen tijdens het knippen van hennep werd aangehouden, heeft op 22 januari 2013 verklaard dat zij ongeveer een jaar geleden is begonnen met het knippen van hennep. De hennep kwam van buiten het kamp. Soms kwamen daar 10, soms 12 en soms 20 mensen om te knippen. Ze kreeg dikwijls een sms-je als ze moest komen. [medeverdachte 1] stuurde ook wel eens een bericht. [getuige 1] werd niet altijd uitgenodigd. [medeverdachte 1] moest meer mensen te vriend houden. [medeverdachte 1] en [verdachte] kregen opdracht om mensen uit te nodigen. [getuige 1] heeft gezien dat de hennep in zwarte tassen gebracht werd. Het werd met bussen gebracht. Als de hennep geknipt was, werd het weer aangevuld. [getuige 1] heeft best vaak hennep geknipt. Als het druk was soms wel 3 keer per week, maar soms ook niet want dan moesten anderen knippen.

[getuige 2], die op 22 januari 2013 ook in de schuur behorende bij de woning van verdachte tijdens het knippen van hennep werd aangehouden, heeft verklaard dat hij op 22 januari 2013 omstreeks 07.00 uur op het woonwagenkamp is aangekomen. Hij zou aldaar henneptoppen gaan knippen. Hij is door een persoon gevraagd om daar hennep komen te knippen. Het knippen van hennepplanten heeft hij al 20 keer eerder gedaan.

[getuige 3], die op 22 januari 2013 eveneens in de schuur van verdachte tijdens het knippen van hennep werd aangehouden, heeft verklaard dat hij met zijn moeder [getuige 1] op 22 januari 2013 rond half 8 op het woonwagenkamp aan de [adres 2] is aangekomen. Daar heeft hij hennepplanten verplaatst. Hij heeft verder verklaard dat de eerste keer dat hij in de knipruimte was misschien wel een jaar geleden is. De knipruimte zag er toen hetzelfde uit en ook was die ruimte toen hetzelfde ingericht. Het rook in die ruimte toen hetzelfde als op de dag van de aanhouding op 22 januari 2013. Die geur omschrijft hij als de geur van hennep.

Naast deze getuigenverklaringen over de knipactiviteiten die plaatsvonden in het schuurtje behorende bij de woning van [medeverdachte 1] weegt de rechtbank mee dat de observaties van 5 november 2012 en 22 januari 2013 alsmede de aangetroffen feitelijke situatie op 22 januari naadloos aansluiten bij die verklaringen. Voorts blijkt uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen dat in de periode van 4 oktober 2012 tot en met 22 januari 2013 heel veel sms-verkeer plaatsvindt tussen verdachte en andere personen (waaronder [getuige 1]) waarin telkens wordt gesproken over data en/of aantallen. De logische verklaring voor deze opvallende contacten is dat er met mensen afspraken werden gemaakt over het knippen van hennep en het tijdstip van knippen. Verdachte heeft geen verklaring voor de berichten willen geven. Tot slot weegt de rechtbank mee dat

op een bij verdachte aangetroffen kalender en in een agenda van[naam], die eveneens werd aangetroffen in de hennepknipperrij op 22 januari 2013, staat bij verschillende data in 2012 en 2013 vermeld “wka” of “werken [medeverdachte 1]” of “werken a”.

Deze aantekeningen bevestigen de verklaringen van [getuige 1]en haar zoon dat er reeds vanaf januari 2012 in de schuur van [medeverdachte 1] hennep werd geknipt en dat onder andere verdachte hiervoor de knippers regelde.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte hennep aanwezig heeft gehad op 22 januari 2013.

Bewijs voor feit 2

Inleiding.

Verdachte wordt er van verdacht te hebben deelgenomen aan een organisatie die actief was in de hennepwereld en misdrijven pleegde genoemd in de Opiumwet.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het op schrift gesteld requisitoir aangevoerde gronden acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen, welk samenwerkingsverband tot oogmerk had het plegen van misdrijven als genoemd in de Opiumwet.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte dient te worden vrijgesproken van dit feit. Het opzet van verdachte is niet gericht geweest op deelname aan een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband. De werkzaamheden van verdachte moeten als beperkt en op zichzelf staand worden beschouwd. Ten aanzien van verdachte kan hooguit van hand- en spandiensten worden gesproken, hetgeen onvoldoende is om het bewijs van deelname aan een criminele organisatie aanwezig te achten.

Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat hooguit bewijsbaar is dat verdachte slechts vanaf begin oktober 2012 tot de datum van de aanhouding aan de organisatie heeft deelgenomen.

Het oordeel van de rechtbank.1

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte heeft deelgenomen aan het crimineel samenwerkingsverband en zo ja, wat haar rol was binnen die criminele organisatie. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank vormden de verdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 3], [medeverdachte 6], [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 5], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van misdrijven als genoemd in de Opiumwet. Dit samenwerkingsverband waarbinnen ook nog andere personen werkzaam waren had een duurzaam en gestructureerd karakter.

De criminele organisatie zocht panden die gehuurd konden worden en geschikt waren voor de hennepteelt. De mensen die feitelijk voor de planten zorgden, werden door anderen binnen het samenwerkingsverband begeleid en van adviezen voorzien. Voorts werd de groei van de planten gecontroleerd. De kwekers werden betaald voor de oogst. Indien er geoogst werd, gingen de hennepplanten naar een hennepknipperij. Een schuurtje bij een woning aan de [adres 2] functioneerde als zodanig. Enkele dagen voordat er op een kwekerij werd geoogst, werd aan de knipperij doorgegeven hoeveel mensen er nodig waren om te knippen en het tijdstip dat de planten in de knipperij aanwezig zouden zijn. De werkzaamheden werden aldus gepland. De knippers werden voor hun diensten betaald. De henneptoppen werden verzameld en het hennepafval werd direct na het knippen afgevoerd.

In het dossier wordt aan de hand van gevonden notities, tapgesprekken en observaties berekend dat er in de periode 3 oktober 2012 - 22 januari 2013 84 maal hennep is geknipt. Naar het oordeel van de rechtbank ging het daarbij, gelet op de hoeveelheid hennep die op de dag van de politie-inval in de knipperij werd aangetroffen en het aantal knippers dat regelmatig werd ingeschakeld, meer dan eens om grote hoeveelheden hennep.

Binnen de organisatie had [medeverdachte 8] de zorg voor twee kwekerijen.2 De verdachten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] hielden zich bezig met het zoeken naar voor de hennepteelt geschikte panden.3 Zij waren daarbij ondergeschikt aan verdachte [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6]. Dit rechtbank leidt dit af uit de tapgesprekken tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3]4 en de verklaring van verdachte [medeverdachte 7].5 Verdachte [medeverdachte 4] hield zich bezig met het begeleiden6 en betalen van kwekers,7 het doorgeven van het aantal benodigde knippers alsmede het tijdstip waarop de planten zouden arriveren,8 het vervoer van de geoogste hennepplanten9 en had contact met mogelijke afnemers.10 [medeverdachte 1] en [verdachte] organiseerden de werkzaamheden op de knipperij in die zin dat zij contacten onderhielden met zowel de personen die hennepplanten aanleverden11 als met de knippers en aan de knippers informatie gaven over het tijdstip van knippen.12 De knipwerkzaamheden vonden plaats in het schuurtje behorende bij de woning van [medeverdachte 1]13 en [verdachte] was betrokken bij de betaling van de knippers.14 De betrokkenheid van [medeverdachte 2] bij de criminele organisatie is op de basis van de bewijsmiddelen in het dossier naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk.

[medeverdachte 8] kan evenals [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] als uitvoerder worden beschouwd. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] staan hoger in de organisatie, nu zij [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] aanstuurden. De rol van [verdachte] en [medeverdachte 1] ten opzichte van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] is niet duidelijk. Wat wel vast staat is dat zij een centrale rol vervulden in de knipperij nu zij de knippers benaderden (zowel [verdachte] als [medeverdachte 1]), zorgden voor betaling van de knippers ([verdachte]) en de locatie van de knipwerkzaamheden ([medeverdachte 1]). Bovendien valt op dat een groot geldbedrag, dat naar het oordeel van de rechtbank door de organisatie is verdiend met de criminele activiteiten, werd bewaard in de woning van [verdachte], waarvan zij ook weet had. De verhouding tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] laat zich aan de hand van het dossier niet goed vaststellen. Zeker is dat [medeverdachte 4] in meer dan een opzicht belangrijk was binnen de organisatie. Hij had een sturende en controlerende rol ten aanzien van de kwekerijen van [medeverdachte 8] en[hennepkweker] en zorgde diverse keren voor het vervoer van geoogste planten naar de knipperij. Hij is in het dossier prominent in beeld.

Het gegeven dat verdachte (mogelijkerwijs) niet precies wist wie er allemaal van die organisatie deel uitmaakten en hoe die organisatie precies functioneerde, doet niet af aan zijn strafbare deelname aan de organisatie. Verdachte wist in haar algemeenheid dat de organisatie tot doel had het plegen van genoemde misdrijven, kende haar eigen rol en had zicht op de rol van de personen met wie verdachte samenwerkte of die opdrachten gaven.

De criminele organisatie is in de ten laste gelegde periode betrokken bij de exploitatie van hennepkwekerijen te Ospel, Wintelre, Moergestel, Deurne ([adres 3]), Liessel ([adres 4]) en Eindhoven ([adres 5]).

De gedragingen van verdachte waren derhalve niet incidenteel en haar rol is van voldoende gewicht om haar als deelnemer aan te merken.

Voor wat betreft het verweer van de raadsman dat de pleegperiode van ruim 1 jaar niet bewezen kan worden verwijst de rechtbank naar hetgeen ze hiervoor bij haar bewijsbeslissing met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit heeft overwogen.

Bewijs voor feit 3

Inleiding.

Verdachte wordt er van verdacht een gewoonte te hebben gemaakt van het witwassen van geldbedragen dan wel die geldbedragen te hebben witgewassen.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het op schrift gesteld requisitoir aangevoerde gronden acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte schuldig is aan het witwassen van de bij haar aangetroffen geldbedragen. Van gewoonte witwassen behoort verdachte te worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of met betrekking tot de geldbedragen die in de woning van verdachte zijn aangetroffen kan worden gesproken van witwassen, in die zin dat bewijsbaar is dat zij de herkomst van dit bedrag heeft verhuld.

Daarvan is blijkens het proces-verbaal van de politie in het geheel geen sprake geweest. Het grootste deel van het geldbedrag is gewoon aangetroffen in een kluis. De overige bedragen zijn ook aangetroffen op plaatsen waarvan niet kan worden gezegd dat sprake is geweest van verhullen of verbergen. Zo zijn er bedragen aangetroffen in tasjes op een slaapkamer en in een toilettasje. Niet kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen omdat geen verhullende handelingen zijn verricht.

Gelet hierop behoort verdachte van het onder 3 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank.

Onder verdachte is een groot geldbedrag aangetroffen van €409.735,00. Naar aanleiding van de verklaring van verdachte dat zij dit van een inmiddels overleden tante had gekregen, heeft het openbaar ministerie nader onderzoek verricht. De verklaring van verdachte vindt in dit onderzoek geen bevestiging. Voorts constateert de rechtbank dat de verklaring van verdachte op zichzelf beschouwt al grote vraagtekens oproept, bijvoorbeeld waar zij vertelt over het destijds steeds in kleine hoeveelheden omwisselen van het in guldens ontvangen bedrag in euro’s. De rechtbank acht de verklaring van verdachte voor het geldbedrag volstrekt onaannemelijk. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders of het geldbedrag is van misdrijf afkomstig. Verdachte wordt bij het onderhavige vonnis veroordeeld voor haar betrokkenheid bij hennepteelt en een criminele organisatie die zich bezighoudt met hennepteelt. De activiteiten van de organisatie vonden voor een deel plaats aan de [adres 2], waar verdachte woont en waar ook het geld is gevonden. Naar het oordeel van de rechtbank is het onder verdachte aangetroffen geld, geld dat is verdiend door de criminele organisatie. De rechtbank is van oordeel dat de geldbedragen die verdachte voorhanden had derhalve afkomstig zijn van de door verdachte medegepleegde misdrijven. Het onder 3 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen zoals hieronder weergegeven. Gelet op hetgeen de rechtbank hierover bij de strafbaarheid van de feiten overweegt , komt de rechtbank tot het oordeel dat dit handelen niet kan worden gekwalificeerd als “witwassen”.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan die als bijlagen zijn gevoegd bij dit vonnis en hier als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1.

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2012 tot en met 22 januari 2013 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft bewerkt en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

in de periode van 1 januari 2012 tot en met 22 januari 2013 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen(waartoe behoorden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] en andere personen), welke organisatie telkens tot oogmerk had het plegen van misdrijven, als genoemd in de Opiumwet, namelijk

- het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, af te leveren, verstrekken of vervoeren en/of het aanwezig hebben van een middel als bedoeld op lijst II van de Opiumwet;

3.

in de periode van 1 januari 2012 tot en met 22 januari 2013, te Eindhoven, heeft witgewassen, immers heeft zij, verdachte voorwerpen, te weten geldbedragen

(360.290,- euro en 35.500,- euro en 400,- euro en 770,- euro en 485,- euro en 5850,- euro en 3270,- euro en 3000,- euro), voorhanden gehad, terwijl zij wist dat bovenomschreven voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van deze feiten uitsluiten.

Met betrekking tot de strafbaarheid van het hiervoor onder 3 bewezenverklaarde feit overweegt de rechtbank het volgende.

Zoals hiervoor overwogen is de rechtbank van oordeel dat de geldbedragen die verdachte voorhanden had afkomstig zijn van door verdachte zelf medegepleegde misdrijven (de activiteiten van de criminele organisatie met betrekking tot hennep, waaronder de hennepknipperij). Niet echter is bewezen dat sprake is van meer dan het enkele voorhanden hebben van die geldbedragen. Dat verdachte de geldbedragen op verschillende plaatsen in haar huis, onder meer in een kluis, bewaarde, brengt nog niet zonder meer mee dat verdachte de criminele herkomst van die geldbedragen heeft getracht te verbergen of te verhullen. Gelet hierop en op bestendige rechtspraak hieromtrent is de rechtbank van oordeel dat het onder 3 bewezenverklaarde niet kan worden gekwalificeerd als “witwassen”. Derhalve zal de rechtbank verdachte voor dit feit ontslaan van rechtsvervolging.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn voor wat betreft de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

(voor feit 1, 2 en 3:)

Een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest.

Een geldboete van € 30.000,-.

Verbeurdverklaring van de onder verdachte inbeslaggenomen geldbedragen.

Teruggave aan verdachte van het onder haar in beslag genomen sieraden.

(Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht).

De officier van justitie maakt kenbaar voornemens te zijn een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken. Zij heeft tevens medegedeeld dat daartoe een strafrechtelijk financieel onderzoek, als bedoeld in artikel 126 van het Wetboek van Strafvordering zal worden ingesteld.

Het standpunt van de verdediging.

In geval van bewezenverklaring verzoekt de raadsman de rechtbank om aan verdachte een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk kan zijn aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, en eventueel een taakstraf op te leggen. De verdediging heeft gesteld dat wat onder verdachte in beslag is genomen aan haar dient te worden teruggegeven.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is samen met anderen gedurende een lange periode in georganiseerd verband actief geweest in de hennepwereld. Hennep kan gevaar opleveren voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Het telen van hennep gaat steeds meer gepaard met andere, ook zware vormen van criminaliteit. Verdachte is bij het plegen van de strafbare feiten planmatig te werk gegaan en zij vervulde een centrale rol in het organiseren van de werkzaamheden in de hennepknipperij. Verder heeft verdachte bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat sinds het tijdstip waarop de door haar gepleegde strafbare feiten hebben plaatsgehad geruime tijd is verstreken, terwijl verdachte, voor zover nu bekend, in deze periode geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.

Een taakstraf zou geen recht doen aan de ernst van het bewezen verklaarde en is een te geringe straf.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte van zes maanden voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank acht gelet op de financiële positie van verdachte geen termen aanwezig voor het opleggen van een geldboete.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen (geldbedragen) vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit geldbedragen zijn die aan de veroordeelde toebehoorden en die zij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die door middel van de strafbare feiten zijn verkregen.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 27, 33, 33a, 47, 57, 140, 420bis

Opiumwet art. 11.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Nu het onder 3 bewezenverklaarde niet kan worden gekwalificeerd als een strafbaar feit verklaart de rechtbank verdachte hiervoor niet strafbaar. De rechtbank ontslaat haar daarom voor dit feit van alle rechtsvervolging.

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

T.a.v. feit 2:

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Verklaart verdachte voor feit 1 en 2 strafbaar.

Legt hiervoor op de volgende straf en bijkomende straf.

T.a.v. feit 1, feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren.

Verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten van de op de als

bijlage bij dit vonnis gevoegde lijst van inbeslaggenomen goederen onder de

nrs. 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11,12, 13,14a en 14b vermelde geldbedragen.

Teruggave inbeslaggenomen goederen, te weten van de op de als bijlage bij dit

vonnis gevoegde lijst van in beslag genomen voorwerpen vermelde sieraden onder

de nummers 15, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32,

33, 34, 35, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 52,

53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 68, 69, 70, 71, 72,

73, 74, 75, 77, 78, 80 en 81.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.L.W.M. Viering, voorzitter,

mr. M.A. Waals en mr. M.G.P.A. Burghoorn, leden,

in tegenwoordigheid van G.G. Dirks, griffier,

en is uitgesproken op 21 november 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie korps landelijke politiediensten, onderzoek Curuba, genummerd 30-154781.

2 Verklaringen [medeverdachte 8], zaaksdossier 3, p. 217-218 en p. 220-221.

3 Tweede verklaring verdachte [medeverdachte 7], zaaksdossier 5, p 110-115; verklaring [persoon 1], zaaksdossier 5, p. 81-82 (herkenning foto [medeverdachte 7] en foto [medeverdachte 5]); tapgesprek 380, TT09, p. 9 en p. 7; nr. 385, TT09, zaaksdossier 5, p. 10 en p. 74.

4 Gespreknummer 36, TT04, Zaaksdossier 5, p. 7; nr. 197, TT 04, zaaksdossier 5, p. 8 en p. 56; nr. 213, TT04, zaaksdossier 5, p. 8-9 en p. 61-63; nr. 288, TT 09, zaaksdossier 5, p. 9 en 60-62; nr. 315, TT09, zaaksdossier 5, p. 9 en 68; nr. 385, TT09, zaaksdossier 5, p. 10 en p. 74; nr. 552, TT09, zaaksdossier 5, p. 10 en 72; nr. 556, TT09, p. 10 en p. 77.

5 Derde verklaring verdachte [medeverdachte 7], zaaksdossier 5, p. 141-146.

6 Ten aanzien van [medeverdachte 8]: tapgesprek nr. 84, TT08, zaaksdossier 03, p. 29; nr. 109, TT08, zaaksdossier 3, p. 7; nr. 317, TT 10, zaaksdossier 3, p. 9 en p. 64-66; nr. 268, TT08, zaaksdossier 3, p. 12 en p. 86-88. Ten aanzien van De Vaan tapgesprek nr. 248, TT08, zaaksdossier 4, p. 7-8 en p. 86; nr. 250, TT08, zaaksdossier 4, p. 8 en p. 87; 362, TT08, zaaksdossier 4, p. 8 en 93; verklaring De Vaan afgelegd bij de rechter-commissaris.

7 Verklaring De Vaan bij de rechter-commissaris.

8 Tapgesprek nr. 142, TT02, zaaksdossier 2, p. 6; nr. 143, TT02, zaaksdossier 2, p. 6; nr. 377, TT08, zaaksdossier 3, p. 13 en p. 93.

9 Verklaring [getuige 1], zaaksdossier 1, p. 253. Observatie 5 november 2012 om 6.39 en 7.35 uur, zaaksdossier 1, respectievelijk p. 19, p. 19-20.

10 Tapgesprek nr 386, TT08, zaaksdossier 3, p. 94-95.

11 Tapgesprek nr. 142, TT02, zaaksdossier 2, p. 6; nr. 143, TT02, zaaksdossier 2, p. 6; nr. 377, TT08, zaaksdossier 3, p. 13 en p. 93.

12 Tapgesprekken, zaaksdossier 1, p. 7-18.

13 Zaaksdossier 1, p. 28.

14 Tapgesprek nr. 763, TT03, p. 18-19.