Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:7096

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-11-2014
Datum publicatie
21-11-2014
Zaaknummer
01/879051-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:5260, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen van poging tot moord. Verdachte was de schutter, zijn mededader was de chauffeur van de vluchtauto. De samenwerking tussen verdachte en de chauffeur van de vluchtauto is zodanig geweest dat de rechtbank hen als medeplegers aanmerkt. Verdachte wordt voor zijn aandeel veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879051-13

Datum uitspraak: 21 november 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1985],

wonende te [woonplaats], [adres 1],

thans gedetineerd in penitentiaire inrichting Limburg Zuid, “De Geerhorst” te Sittard.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 februari 2014, 9 mei 2014, 28 juli 2014, 20 oktober 2014, 24 oktober 2014 en 7 november 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 januari 2014.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 20 oktober 2014 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 21 februari 2013 te Waalre, althans in het arrondissement Oost Brabant, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een vuurwapen heeft gericht op die [slachtoffer 1] (op een moment dat hij, [slachtoffer 1], zijn auto bestuurde) en/of vervolgens met dat vuurwapen een kogel heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

een of meerdere perso(o)n(en) op of omstreeks 21 februari 2013 te Waalre ter uitvoering van het door hem/hen voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een vuurwapen heeft/hebben gericht op die [slachtoffer 1]

(op een moment dat hij, [slachtoffer 1], zijn auto bestuurde) en/of vervolgens met dat vuurwapen een kogel heeft/hebben afgevuurd in de richting van die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

tot / bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van

1 januari 2013 tot en met 21 februari 2013 te Waalre en/of elders in het arrondissement Oost Brabant, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft door al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen bovenbedoelde perso(o)n(en) een vuurwapen en/of munitie en/of een scooter en/of een fiets en/of een auto ten behoeve van de vlucht te verschaffen en/of de woonomgeving en/of het

leefpatroon van die [slachtoffer 1] en/of de latere plaats delict te verkennen en daarover informatie aan bovenbedoelde perso(o)n(en) te verstrekken;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode 20 februari 2013 tot en met 21 februari 2013 te Waalre en/of elders in het arrondissement Oost Brabant, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van een misdrijf zoals omschreven in artikel 289 Wetboek van strafrecht, opzettelijk een scooter en/of een fiets en/of een vuurwapen en/of munitie en/of een of meerdere personenauto's (Audi A3 en/of VW Golf en/of Renault Kangoo) bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 20 februari 2013 te Helmond tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, een (dames)fiets, althans enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 2], althans een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 20 februari 2013 tot en met 21 februari 2013 te Waalre en/of elders in het arrondissement Oost Brabant tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een (dames)fiets heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van die (dames)fiets wist(en) die (dames)fiets een door misdrijf verkregen goed betrof.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak feit 2 primair (diefstal van en fiets).

Vast staat dat op 20 februari 2013 te Helmond de fiets van [slachtoffer 2] is gestolen.

Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier echter onvoldoende bewijs om te komen tot het wettig bewijs dat verdachte de fiets heeft weggenomen. Nergens blijkt uit dat verdachte in de buurt was van de plaats van de diefstal van de fiets op of omstreeks het tijdstip waarop de diefstal heeft plaatsgevonden. Niemand heeft verdachte ter plaatse gezien.

Ook bevat het dossier geen bewijs voor een andere vorm van betrokkenheid van verdachte bij het wegnemen van die fiets.

De rechtbank acht – evenals de officier van justitie en de raadsman van verdachte – niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 2 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijs feit 1 primair (medeplegen van poging tot moord).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht bewezen het medeplegen van een poging tot moord (feit 1 primair). Verdachte en de beide medeverdachten hebben alledrie een bijdrage geleverd aan de aanslag op [slachtoffer 1]. Omdat de verdachten geen inzage hebben gegeven in ieders aandeel gaat zij uit van een gelijke onderlinge rolverdeling.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit voor feit 1 wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De raadsman stelt dat de in het dossier omschreven feiten en omstandigheden onvoldoende bewijs opleveren voor betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde. Er zijn geen getuigen die verdachte hebben gezien. Er blijkt niet van een motief bij verdachte. Het feit dat DNA-materiaal van verdachte is aangetroffen op het linkerhandvat van de fiets, die bij de aanslag zou zijn gebruikt, draagt niet bij aan het bewijs dat verdachte bij het schietincident betrokken is. Omtrent het op een huls en op het rechterhandvat van de fiets aangetroffen DNA-materiaal bestaat volgens de raadsman teveel onduidelijkheid, zodat de DNA-sporen geen bijdrage kunnen leveren aan het bewijs.

Het oordeel van de rechtbank.1

De rechtbank komt tot haar oordeel op grond van de inhoud van de volgende bewijsmiddelen.

[slachtoffer 1] heeft op 21 februari 2013 aangifte gedaan van poging doodslag/moord. In zijn aangifte heeft hij onder meer het volgende verklaard:

Op 21 februari 2013 ben ik vanuit mijn woning gelegen[adres slachtoffer 1] naar mijn auto gelopen. Dit zal om ongeveer 08.10 uur zijn geweest. Nadat ik de ruiten van mijn auto, een Range Rover Sport, voorzien van het kenteken [kenteken 1] had gekrabd, ben ik weggereden. Ik zag op de hoek met de openbare weg, de Vlasrootlaan, aan mijn linkerzijde, een fiets tegen een boom of paaltje staan met daarbij een persoon die van mij af keek. Ik keek tegen de rug van deze persoon aan. Ik zag dat de fiets in de berm stond en dat de persoon op de openbare weg stond. Ik had goed zicht, want het was al licht buiten. Ik ben met mijn auto op de eigen weg gestopt, om vervolgens links af te slaan. Toen ik stopte, draaide de persoon bij die fiets zich om. Ik zag toen hij zich omdraaide dat het een manspersoon betrof. Ik zag dat hij mijn richting op gelopen kwam. Ik zag dat hij een vuurwapen in zijn rechterhand had. Ik had het idee dat het een pistool betrof, zoals ze vroeger bij de politie een Walther P5 hadden. Ik zag dat die persoon naar de auto toe liep, ik zag dat de man zijn rechterhand optilde en het vuurwapen op mij richtte. Ik schat in dat de man toen ongeveer 2 tot 3 meter van de auto afstond. Toen de man het vuurwapen op mij richtte, ben ik in mijn auto naar rechtsonder gedoken. Hierbij heb ik het stuur van de auto ook naar rechts getrokken. Ik ben vervolgens rechtsaf weggereden, weg van de man met het vuurwapen. Meteen toen ik rechtsaf wegreed, hoorde ik glasgerinkel in mijn auto. Ik zag dat in mijn linker voorraam een kogelgat zat.2

Uit forensisch technisch onderzoek is gebleken dat de kogel door het portierraam aan de bestuurderszijde van de Range Rover van [slachtoffer 1] is gegaan en via de hoofdsteun van de bijrijdersstoel door het rechter achterraam naar buiten is gegaan.3 De rechtbank acht gelet op de schootsbaan en de positie van [slachtoffer 1] in zijn auto bewezen dat de dader heeft gepoogd [slachtoffer 1] van het leven te beroven.

Op de Vlasrootlaan te Waalre, ter hoogte van de plaats waar [slachtoffer 1] was beschoten, werd een huls (9 mm Luger) aangetroffen en voorzien van sporennummer SIN AAFM9762NL. Dit spoor is verzonden naar The Maastricht Forensic Institute (TMFI) voor DNA-onderzoek en naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) voor een schotresten onderzoek.4

Behalve [slachtoffer 1] zijn er geen getuigen die het schieten hebben gezien. Wel zijn er getuigen die het schot hebben gehoord. Verder hebben verschillende getuigen rond het tijdstip van de aanslag een man zien staan of zitten op of bij een fiets in de bocht van de Vlasrootlaan waar [slachtoffer 1] is beschoten.

Getuige [getuige 1] heeft op 22 februari 2013 onder meer het volgende verklaard:

Op 21 februari 2013 fietste ik, omstreeks 07.50 uur, op de Vlasrootlaan. Ik zag in de verte een fietser. De persoon fietste vrij traag, dus ik heb hem lang in beeld gehad. Toen ik hem op enkele meters was genaderd, zag ik dat hij rechtsaf de oprit van de Vlasrootlaan insloeg, naar de villa's toe. Ik zag dat deze persoon behoorlijk voorover gebukt op de fiets zat. Ik kreeg de indruk dat hij niet gezien wilde worden. De fiets kan ik als volgt omschrijven. Het was een damesfiets. Een soort omafiets, met gebogen frame. Het was een donkere fiets. Ik zag dat de persoon daar zonder doel fietste. Ik zag dat hij het pad op fietste en na ongeveer 10 meter stopte. Hij bleef voorover gebukt en vooruit kijken.5

Op 21 februari 2013 van 8.30 tot 14.00 uur hebben verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3]de plaats delict bewaakt op de T-splitsing aan de Eindhovenseweg/Valkenswaardseweg met de Vlasrootlaan te Waalre. Tijdens het bewaken van de plaats delict werden de verbalisanten enkele malen aangesproken door getuigen, die verklaarden het een en ander gezien te hebben.

Verbalisant [verbalisant 3] hoorde dat één van de getuigen, genaamd [getuige 2], hem vertelde:

Op 21 februari 2013 omstreeks 08.15 uur reed ik over de Vlasrootlaan richting Eindhovenseweg. Toen ik de laatste bocht naderde op de Vlasrootlaan, zag ik in deze bocht een man staan. De man was in het bezit van een zwarte fiets.6

Kort na het schietincident werd door getuigen een fiets aangetroffen in het Meertjesven.

Getuige [getuige 3] heeft op 26 maart 2013 onder meer het volgende verklaard:

Op donderdag 21 februari 2013, omstreeks 08.00 uur, iets na achten in ieder geval, ben ik met mijn auto vanuit mijn huis te Waalre rechtsaf de Vlasrootlaan ingereden naar de parkeerplaats bij het Meertjesven. Vervolgens ben ik naar het ven gelopen. Toen ik bij het ven aankwam, zag ik in het water een fiets liggen. Dit was omstreeks 08.15 uur, 08.20 uur. Het ven was bevroren en op de plaats waar de fiets lag, was het ijs gebroken. De fiets lag in het water. De fiets betrof een zwart klassiek model, lijkend op een omafiets.7

Getuige [getuige 4] heeft op 21 maart 2013 onder meer het volgende verklaard:

Ik ben op 21 februari 2013 iets na 08.00 uur van huis gegaan en liep langs het meertje aan de bospaden bij de Molenvenlaan. Ik zag een fiets in het water liggen. De fiets lag binnen een halve meter van de kant. De achterzijde van de fiets lag boven het water en een gedeelte van het stuur ook. De grond was enigszins bevroren. Er lag ijs op het water. De fiets was door het ijs gegaan. Er lag nog geen nieuw laagje ijs op het water. Ik heb de fiets aan de bagagedrager vastgepakt en uit het water getrokken. U toont mij een foto. Ik heb de fiets zo achtergelaten.
(verbalisant: Door mij is foto MAR 3298 getoond.)8

Verbalisanten hebben forensisch onderzoek verricht in de buurt van de plaats delict, waaronder een bosperceel. Het gebied lag, komende uit de richting Vlasrootlaan, in het verlengde van deze straat en noordelijk van de Merenstraat. Bij het gebied kwamen meerdere wegen (verhard/onverhard) samen, te weten: Vlasrootlaan, Merenstraat, Molenvenlaan en Bolksheuvel. Deze wegen vormden samen de zogenoemde Zevensprong. De verbalisanten zagen tevens dat in de afgezette zone een ven lag, genaamd Meertjesven. Naast het Meertjesven lag een damesfiets. De afstand tussen de plaats delict en de kruising Zevensprong bedraagt ongeveer 550 meter. De fiets werd op een afstand van 80 meter van de betreffende kruising naast het Meertjesven aangetroffen. De fiets werd gewaarmerkt met het SIN AAEL2911NL. Door de verbalisanten werden de handvatten van voornoemde fiets separaat ingepakt met papieren zakken welke werden afgesloten.9

Uit onderzoek is gebleken dat de fiets op 20 februari 2013 omstreeks 21.30 uur in Helmond is weggenomen.

Op 22 februari 2013 is getuige [getuige 5] gehoord. Hij heeft verklaard:

Ik ben werkzaam in een rijwielhandel in [plaats 2]. Op 21 februari 2013 heb ik op verzoek van de politie de herkomst van een fiets onderzocht. De fiets had[framenummer]. De fiets is verkocht aan [slachtoffer 2], [adres 2] te [woonplaats].10

Op 21 februari 2013 heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan van diefstal van zijn fiets. In zijn aangifte heeft hij onder meer het volgende verklaard:

Tussen 20 februari 2013 te 21.30 uur en 21.40 uur werd mijn fiets, een damesfiets, merk Montego (omafiets), zwart, [framenummer], weggenomen ter hoogte van mijn woning te [plaats 2] aan de [adres 2].11

Op 5 maart 2013 heeft [slachtoffer 2] onder meer nog het volgende verklaard:

Ik ben de enige gebruiker van de fiets die op 20 februari 2013 is weggenomen voor mijn woning. De fiets is mijn eigendom.12

De in het Meertjesven aangetroffen fiets is onderzocht op de aanwezigheid van schotresten en DNA-materiaal. De aangetroffen DNA-sporen zijn onderzocht door The Maastricht Forensic Institute (TMFI) en de schotresten door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).

Het schotrestenonderzoek aan de huls en de fiets.

Bij rapportage van 23 december 2013 heeft dr. A. Brouwer-Stamouli van het NFI haar bevindingen met betrekking tot het schotrestenonderzoek gerapporteerd. Zij heeft onder meer de bemonstering van de huls (SIN AAFM9762NL) en de bemonstering van het linkerhandvat van de fiets (SIN AAEL2799NL) onderzocht. Daarbij kwam zij tot de volgende resultaten:

Op de bemonstering van het linkerhandvat (AAEL2799NL) zijn zowel categorie A als categorie B deeltjes aangetroffen.

Op de bemonstering van de huls (AAFM9762NL) zijn zowel categorie A als categorie B deeltjes aangetroffen.

Zij heeft deze resultaten als volgt geïnterpreteerd:

Op de bemonstering van het linkerhandvat (AAEL2799NL) zijn 15 categorie A deeltjes aangetroffen. Met het aantreffen van categorie A deeltjes wordt een vrijwel zekere relatie aangetoond met een schietproces. Op de bemonstering zijn eveneens enkele tientallen categorie B deeltjes aangetroffen. De aanwezigheid van deze deeltjes past bij de eerder genoemde bevinding.
Conclusie: Het onderzoek heeft een vrijwel zekere relatie aangetoond tussen de bemonsterde delen van het linkerhandvat [AAEL2799NL] en een schietproces.

Op de bemonstering van het linkerhandvat (AAEL2799NL) zijn voldoende categorie A en B deeltjes aangetroffen, om deze verzameling deeltjes te vergelijken met de verzameling deeltjes afkomstig uit de huls (AAFM9762NL).

Op basis van bovenstaande beschouwing van de resultaten en de ontvangen vraagstellingen heeft zij de volgende hypothesen geformuleerd:

Hypothese 1: De deeltjes die zijn aangetroffen op de bemonstering van het linkerhandvat (AAEL2799NL) hebben dezelfde bron van herkomst als de deeltjes die zijn aangetroffen op de schotrestenbemonstering van de huls (AAFM9762NL).

Hypothese 2: De deeltjes die zijn aangetroffen op de bemonstering van het linkerhandvat (AAEL2799NL) hebben een andere bron van herkomst dan de deeltjes die zijn aangetroffen op de schotrestenbemonstering van de huls (AAFM9762NL).

Haar bevindingen zijn als volgt:

Zoals vermeld zijn er op de bemonstering van het linkerhandvat voldoende deeltjes

aangetroffen om een representatief beeld te hebben van de kenmerken van deze verzameling. De elementsamenstellingen van de deeltjes wijzen op loodhoudende munitie, die bij het verschieten PbBaSb categorie A deeltjes vormt met daarin tevens de elementen Zr en Sn. De categorie B deeltjes passen qua elementsamenstelling en de extra elementen Zr en Sn bij deze bevindingen.

Verder vertoont de op de bemonstering van het linkerhandvat aangetroffen verzameling deeltjes sterke gelijkenissen met de verzameling deeltjes afkomstig uit de huls. Deze gelijkenissen uiten zich in de aangetroffen klassen deeltjes die voor beide verzamelingen vrijwel dezelfde zijn en de kenmerkende extra elementen Zr en Sn die ook in deeltjes in beide verzamelingen zijn aangetroffen. Tot slot is bekend dat in zaakonderzoeken op het NFI categorie A en B deeltjes met de extra elementen Zr en Sn niet vaak worden aangetroffen.

Op basis van bovenstaande bevindingen komt zij tot de volgende conclusie:

De bevindingen van het onderzoek zijn waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist

is, dan wanneer hypothese 2 juist is.13

De verdediging heeft aangevoerd dat de waarschijnlijkheidsconclusie van de deskundige ruimte laat voor de mogelijkheid dat de schotresten op de fiets afkomstig zijn van een andere bron dan de schotresten op de huls. De rechtbank is van oordeel dat wanneer de bevindingen van de schotrestdeskundige worden bezien in relatie tot de overige vastgestelde feiten en omstandigheden, geen andere conclusie rest dan dat de schotresten op de fiets en de huls van dezelfde bron afkomstig zijn. Er is op een persoon geschoten. De huls lag op de plaats waar is geschoten. De fiets is slechts enkele minuten na het schietincident op een locatie aangetroffen niet ver verwijderd van de plaats delict waar de huls is aangetroffen. Gezien de omstandigheden waaronder de fiets is aangetroffen, heeft de fiets niet lang in het Meertjesven gelegen.

De rechtbank acht, gelet op de verklaring van de aangever dat de schutter gebruik maakte van een fiets, gelet op de door voornoemde getuigen gegeven omschrijving van de persoon met de fiets en het korte tijdsbestek tussen het schieten en het aantreffen van de fiets in het Meertjesven, terwijl de fiets de avond daarvoor was weggenomen in Helmond en de aangetoonde relatie tussen de fiets en de huls op de plaats delict, bewezen dat de schutter op 21 februari 2013 gebruik heeft gemaakt van de fiets die in het Meertjesven is aangetroffen.

DNA-onderzoek aan de fiets.

Er werd een sporenonderzoek verricht aan de fiets voorzien van SIN: AAEL2911NL.

Het linkerhandvat en het rechterhandvat werden afzonderlijk verwijderd van

het stuur en verpakt in een papieren zak, welke werden verzegeld, gewaarmerkt en

respectievelijk voorzien van de SIN AAEL2798NL (rechts) en AAEL2799NL (links).

Het zadel werd verwijderd van de fiets en verpakt in een papieren zak, welke werd verzegeld, gewaarmerkt en voorzien van SIN AAEL2797NL.14

In opdracht van The Maastricht Forensic Institute heeft DNalysis Maastricht B.V. een DNA-onderzoek verricht. Het onderzoek is uitgevoerd door dr. P.J. Herbergs, forensisch DNA-deskundige.15

Dr. Herbergs rapporteert als volgt.

- Analyse van het rechterhandvat fiets (AAEL2798NL).

In de bemonstering is een complex DNA-mengprofiel aangetoond met een bijdrage van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man.

[verdachte] is niet uit te sluiten als donor van celmateriaal in de bemonstering. Alle DNA-kenmerken van het DNA-profiel van de verdachte zijn ook aangetoond in het DNA-mengprofiel.

- Analyse van het linkerhandvat fiets (AAEL2799NL).

In de bemonstering is een DNA-mengprofiel aangetoond met een bijdrage van celmateriaal van minimaal twee donoren, van wie zeker één man.

Betrokkene [slachtoffer 2] is niet uit te sluiten als donor van celmateriaal in de bemonstering.

Bij de aanname dat betrokkene [slachtoffer 2] donor van celmateriaal in de bemonstering is, is een afgeleid DNA-profiel opgesteld. Het betreft een partieel DNA-profiel dat aan de DNA-databank is aangeboden voor een eenmalige vergelijking. De frequentie van dit DNA-profiel is kleiner dan één op één op miljard. Ofwel de kans dat een willekeurig gekozen man hetzelfde DNA-profiel heeft als het DNA-profiel verkregen van het celmateriaal in de bemonstering is kleiner dan één op één op miljard. Het afgeleide DNA-profiel matcht in de DNA-databank met het DNA-profiel van [verdachte].



- Analyse van een zadel (AAEL2797NL).

Bemonstering onderkant achterzijde zadel.
In de bemonstering van de onderkant van de achterzijde van het zadel is een complex DNA-mengprofiel aangetoond met een bijdrage van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man. [verdachte] is niet uit te sluiten als donor van celmateriaal in deze bemonstering. Alle DNA-kenmerken van het DNA-profiel van verdachte zijn ook aangetoond in het DNA-mengprofiel.
Bemonstering rechteronderkant zadel.

In de bemonstering rechteronderkant van het zadel is een complex DNA-mengprofiel aangetoond met een bijdrage van het celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man. [verdachte] is niet uit te sluiten als donor van celmateriaal in deze bemonstering. Op één DNA-kenmerk na, zijn alle DNA-kenmerken van het DNA-profiel van de verdachte ook aangetoond in het DNA-mengprofiel.
Bemonstering linkeronderkant zadel.
In de bemonstering linkeronderkant van het zadel is een complex DNA-mengprofiel aangetoond met een bijdrage van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man. [verdachte] is niet uit te sluiten als donor van celmateriaal in deze bemonstering. Op drie DNA-kenmerken na, zijn alle DNA-kenmerken van het DNA-profiel van de verdachte ook aangetoond in het DNA-mengprofiel.“

De rechtbank overweegt als volgt:

Op het linkerhandvat van de fiets is een DNA-profiel aangetoond met een frequentie van kleiner dan één op één miljard. Dit DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van verdachte. Verdachte heeft ontkend op enig moment in contact te zijn geweest met de fiets. Hij heeft ter terechtzitting desgevraagd gezegd dat hij niet weet hoe zijn DNA op het linkerhandvat van de fiets terecht is gekomen. Bij de politie heeft hij verklaard dat hij er ingeluisd zou zijn. Door wie, waarom en op welke manier hij er zou zijn ingeluisd, heeft hij niet toegelicht. Wat verder opvalt, is dat verdachte ten aanzien van de overige DNA-profielen, waarvan, omdat het complexe mengprofielen betreft, geen frequentie kan worden vastgesteld, niet kan worden uitgesloten als donor van het DNA-materiaal. In het DNA-mengprofiel, aangetroffen op het rechterhandvat en de onderkant van de achterzijde van het zadel, zijn zelfs alle kenmerken van het DNA-profiel van verdachte aangetroffen.

De rechtbank is op basis van de bevindingen in het DNA-onderzoek van oordeel dat DNA van verdachte is aangetroffen op de fiets en dat het niet anders kan zijn dan dat dat DNA daarop terecht is gekomen doordat verdachte in contact is geweest met de fiets. Er is geen enkele aanwijzing dat het DNA door een ander op de fiets zou zijn geplaatst. Verder is van belang dat door verdachte niet is gesteld en dat in het onderzoek ook niet is gebleken dat verdachte in de periode vóór 20 en 21 februari 2013 in contact is geweest met de fiets. De fiets is ongeveer 11 uur vóór het schietincident gestolen in Helmond. Verdachte woont in Mierlo en is geen bekende van de eigenaar van de fiets.

Hierboven is reeds bewezen verklaard dat de fiets, waarop het DNA van verdachte is aangetroffen, door de schutter op 21 februari 2013 is gebruikt op de plaats delict.

Maakt de aanwezigheid van zijn DNA op de fiets en de relatie tussen de fiets en de huls verdachte nu ook tot schutter? Bij beantwoording van die vraag is onder meer het onderzoek aan de huls van belang.

DNA-onderzoek aan de huls.

Ook de huls is in opdracht van het TMFI door DNAalysis Maastricht BV onderzocht op de aanwezigheid van DNA-materiaal.

Dr. P.J. Herbergs, forensisch DNA-onderzoeker, rapporteert dat in de bemonstering van de huls een (zeer) partieel DNA-profiel is aangetoond. De frequentie van dit DNA-profiel is 1 op 5000. Dat wil zeggen dat de kans dat een willekeurig gekozen man het zelfde DNA-profiel heeft 1 op 5000 is. De DNA-kenmerken van dit partiële DNA-profiel zijn ook aangetoond in het DNA-profiel van verdachte.16

De officier van justitie heeft het NFI opdracht gegeven om een expert review uit te voeren op het door dr. Herbergs uitgevoerde DNA-onderzoek aan de huls AAFM9762NL.

Dr. I.E.P.M. Blom heeft in haar rapport van 10 september 2013 als volgt gerapporteerd:

Bij heranalyse zijn nagenoeg dezelfde DNA-pieken aangetoond als die door TMFI bepaald zijn. Het door TMFI opgestelde consensus DNA-profiel komt overeen met het consensus DNA-profiel dat het NFI heeft opgesteld. Gezien het gering aantal pieken, de lage piekhoogte, en de geringe reproduceerbaarheid van de waargenomen pieken acht dr. Blom het consensus DNA-profiel ongeschikt voor vergelijkend DNA-onderzoek. In het consensus DNA-profiel zijn slechts vijf DNA-kenmerken reproduceerbaar aanwezig. Voor een betrouwbare analyse en interpretatie van het aanwezige DNA in de bemonstering wordt een aanvullend DNA onderzoek aanbevolen aan het DNA-contra extract. In haar rapport van 18 november 2013 verklaart dr. Blom dat aanvullend onderzoek niet mogelijk is gebleken omdat onvoldoende DNA-extract aanwezig was.

De beide deskundigen zijn ter terechtzitting van 20 oktober 2014 gehoord. Zij hebben daarbij hun conclusies gehandhaafd. Dr. Herbergs heeft verklaard dat hij nog 9 andere DNA-kenmerken die overeenkomen met het DNA-profiel van verdachte en het geslachtskenmerk heeft waargenomen. Omdat deze kenmerken niet reproduceerbaar aanwezig waren, zijn deze kenmerken niet meegenomen in de vergelijking die tot een frequentie van 1 op 5000 heeft geleid. Mevrouw dr. Blom heeft haar conclusie, dat het onderzochte DNA-profiel te onbetrouwbaar is om tot een vergelijkend onderzoek en berekening van een frequentie over te gaan, bevestigd.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de deskundigheid van de beide onderzoekers.

Beide onderzoekers zijn ervaren forensisch DNA-deskundigen en werken bij een geaccrediteerd onderzoeksbureau dat werkt volgens internationaal erkende standaarden.

De rechtbank stelt voorop dat de rechtbank bij waardering van de onderzoeksresultaten deze resultaten, anders dan de deskundigen in het kader van hun opdracht is toegestaan, beziet in het licht van alle door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden.

Bij beoordeling van de vraag of het rapport van het TMFI, ondanks de bedenkingen van dr. Blom, kan strekken tot het bewijs zijn de hiervoor reeds vastgestelde feiten en omstandigheden van belang:

- De huls is aangetroffen op de plaats delict.

- Op het linker handvat van de fiets die door de schutter op de plaats delict is gebruikt is een DNA-profiel aangetoond met een frequentie van minder dan 1 op 1 miljard. Het DNA van verdachte matcht met dit DNA-profiel.

- Op ditzelfde handvat zijn schotresten aangetroffen die matchen met de schotresten op de huls.

Naar het oordeel van de rechtbank verhogen deze feiten en omstandigheden de betrouwbaarheid van het vergelijkend onderzoek zoals dat door het TMFI is verricht en verlagen het risico op foute conclusies als door het NFI geschetst. Wanneer de bevindingen van de deskundigen in het licht van het overige bewijs worden bezien, ziet de rechtbank geen belemmering voor het gebruik van de bevindingen in het rapport van het TMFI bij beantwoording van de vraag of verdachte degene is geweest die op [slachtoffer 1] heeft geschoten.

Voorts geldt naar het oordeel van de rechtbank dat, hoewel de bewijswaarde van de door het TMFI berekende frequentie van 1:5000 zonder context bezien niet zo groot is, de kans dat verdachte de donor is van het DNA-materiaal op de huls aanzienlijk groter is indien daarbij al het andere bewijs wordt betrokken, met name de aanwezigheid van het andere DNA-spoor op de plaats delict, met een frequentie van minder dan 1 op 1 miljard.

De vluchtauto.

Er zijn geen getuigen die hebben waargenomen hoe de fiets (met de schutter) op de plaats delict terecht is gekomen. Er zijn ook geen getuigen die hebben gezien wie de fiets in het Meertjesven in de buurt van de plaats delict heeft achtergelaten. Evenmin is door getuigen gezien waar de schutter na het schietincident is gebleven. Wel hebben verschillende getuigen rond het tijdstip van het schietincident een auto zien staan bij de Zevensprong.

De reeds eerder aangehaalde getuige [getuige 1] heeft op 22 februari 2013 onder meer het volgende verklaard:

Op 21 februari 2013 fietste ik, omstreeks 07.50 uur, op de Vlasrootlaan, op de Zevensprong. Ik zag daar een zilverkleurige metallic auto staan, met de neus in de richting van Waalre. De auto kon op deze manier wegrijden richting de Heikantstraat of Bolksheuvel. Ik hoorde dat de motor draaide. Ik kan de auto als volgt omschrijven. De auto was minstens tien jaar oud. Het was een ouder type. De auto was lager dan een Volkswagen Golf, maar wel iets breder. Ik weet zeker dat het een Nederlands kenteken was. Ik zag dat er één persoon in de auto zat, deze zat aan het stuur.17

De eveneens reeds eerder aangehaalde getuige [getuige 2] heeft op 21 februari 2013 aan verbalisant [verbalisant 3] onder meer het volgende verklaard:

Op 21 februari 2013 omstreeks 08.15 uur reed ik over de Vlasrootlaan richting Eindhovenseweg. Toen ik langs het ven reed, gelegen aan de Vlasrootlaan, zag ik een middelgrote, grijze auto staan en ik hoorde een werkende motor. Ik zag dat er een persoon achter het stuur zat.18

De eveneens reeds eerder aangehaalde getuige [getuige 3] heeft op

26 maart 2013 verklaard – zoals hierboven ook weergegeven – dat hij op 21 februari 2013 omstreeks 08.15, 08.20 uur de fiets in het Meertjesven zag liggen. Verder heeft hij daarover nog het volgende verklaard:

Op de Zevensprong stonden geen auto’s. Ik was helemaal alleen.19

De rechtbank stelt op grond van de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] vast dat er op de tijdstippen rond 07.50 uur en 08.15 uur – dus kort voor het schietincident – een auto met draaiende motor op de Zevensprong heeft gestaan. Verder stelt de rechtbank op grond van de getuigenverklaring van [getuige 3]vast dat slechts enkele minuten na het schietincident – op het moment dat de fiets van de schutter al in het Meertjesven was achtergelaten – die auto niet meer op de Zevensprong stond. De rechtbank ziet geen enkele aanleiding om aan de verklaringen van deze getuigen te twijfelen. Gelet op de plek waar de auto is gezien (ongeveer 550 meter van de plaats delict en vlakbij de plek waar de fiets van de schutter in het Meertjesven is aangetroffen), de tijdstippen waarop de auto is gezien (rond 07.50 uur en 08.15 uur, dus vanaf ongeveer 25 minuten voor het schietincident tot ongeveer het tijdstip van het schietincident) en de wijze waarop de auto is gezien (met persoon achter stuur en draaiende motor, klaar om weg te rijden in de richting van de Heikantstraat of Bolksheuvel), stelt de rechtbank vast dat de auto die getuigen op de Z|evensprong hebben zien staan de vluchtauto van de schutter moet zijn geweest. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de schutter de fiets in het Meertjesven heeft achtergelaten en vervolgens is gevlucht met de auto die vlakbij het Meertjesven met draaiende motor op hem stond te wachten. Deze conclusie wordt nog verder ondersteund door de hieronder beschreven ARS gegevens van de door de rechtbank als vluchtauto aangemerkte auto Audi A3 [kenteken 2] op 21 februari 2013 tussen 7.33.03 uur en 9:07:56 uur en de relatie tussen verdachte en de [medeverdachte 1].
Verschillende getuigen hebben een omschrijving gegeven van de auto die zij bij de Zevensprong hebben zien staan, kort vóór het tijdstip van het schietincident.

Getuige [getuige 6] heeft op 21 februari 2013 onder meer het volgende verklaard:

Op 21 februari 2013, om ongeveer 08.00 uur, zag ik bij de Zevensprong bij de Vlasrootlaan in Waalre een auto staan. Ik heb die auto vanmorgen omstreeks 07.15 uur, toen ik daar reed, zeker niet zien staan. Er zat een persoon als bestuurder in de auto. Het was een man. Aan de auto viel me de draaiende motor op. De auto was donkergrijs gekleurd, middelgroot (ongeveer VW Golf), gelijkend op het type A3 van Audi. De auto stond met de neus in de richting van de Heikantstraat. Ook zag ik dat aan de voorzijde van het voertuig, links van het midden, een stuk uit de bumper was. De bumper was van dezelfde kleur als de kleur van de auto. Er was een heel stuk uit de bumper geslagen. Het kenteken was een gele plaat met zwarte letters, een nieuw kenteken met drie letters. De eerste twee letters waren [letters].20

De anonieme getuige NN-14 heeft op 23 februari 2013 onder meer het volgende verklaard:

Op 21 februari 2013 omstreeks 08.00 uur fietste ik ter hoogte van het vennetje bij de Vlasrootlaan te Waalre. Ik zag toen dat vlak bij het vennetje een grijze auto stond. In die auto zat een man. Onder de linker koplamp zag ik een gat zitten met een diameter van ongeveer acht centimeter.21

De anonieme getuige NN-16 heeft op 23 februari 2013 onder meer het volgende verklaard:

Op 21 februari 2013 reed ik om 7.40 uur van huis weg. Ik reed over de Bolksheuvel in de richting van de Valkenswaardseweg. Op de kruising, de Zevensprong, zag ik een auto staan. Het was een beetje een oude auto. Onder de bumper zat een gat. Het was iets kleiner dan een A4tje. Het moet van een botsing zijn geweest, je kon in het gat kijken. De randen waren rafelig. Het gat moet aan de linker voorzijde van de auto zitten, lager dan de bumper.22

De rechtbank constateert dat zowel getuige [getuige 6] als de anonieme getuigen NN-14 en NN-16 hebben verklaard dat de auto die zij op de Zevensprong hebben zien staan een beschadiging aan de linker voorbumper had. Er zat een opvallend gat in.


Op 5 maart 2013 heeft verbalisant [verbalisant 4] op de Kennedylaan te Eindhoven een personenauto gecontroleerd, een Audi A3, kleur grijs, voorzien van het kenteken [kenteken 2]. Deze verbalisant heeft hierover onder meer het volgende verklaard:

Ik zag dat de bumper aan de voorzijde van de auto, links van het midden, behoorlijk was beschadigd. De bestuurder bleek tevens de tenaamgestelde van de auto te zijn. De personenauto staat op naam van [persoon 1], geboren op [1986] te [geboorteplaats], wonende aan [adres 3] 75, [woonplaats].23

Bij het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 4] zijn foto’s gevoegd. Op deze foto’s is de beschadiging aan de linker voorbumper van de auto te zien.24

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de getuige [getuige 6], de anonieme getuige NN-14 en de anonieme getuige NN-16 een gat in de linker voorbumper van de auto hebben gezien. De rechtbank stelt tevens vast dat de Audi A3 van [persoon 1] op 5 maart 2013, dus 12 dagen na het schietincident, door een verbalisant is gecontroleerd en dat de auto op dat moment een goed zichtbaar gat in de linker voorbumper had.

De rechtbank is van oordeel dat de beschadiging aan de linker voorbumper een dusdanig specifiek en onderscheidend kenmerk is dat het zeer aannemelijk is dat het de auto van [persoon 1] is geweest die kort voor en tijdens het schietincident is gezien bij de Zevensprong. Ook de overige door de getuigen genoemde kenmerken – te weten een (donker)grijze auto, gelijkend op het type A3 van Audi, een oude auto, de bumper had dezelfde kleur als de auto, het kenteken betrof een nieuw kenteken met drie letters, met de [letters]in het kenteken – passen bij de Audi A3 van [persoon 1]. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat de Audi A3 van [persoon 1] omstreeks het tijdstip van het schietincident in de regio Eindhoven reed, waar het schietincident heeft plaatsgevonden.

Door de politie zijn de ARS-cameraregistratiegegevens (onderzoek naar verkeersbewegingen door middel van het registreren van kentekens van auto’s) betreffende het kenteken [kenteken 2] opgevraagd en verkregen. De verkregen ARS-camera registratiegegevens over het kenteken [kenteken 2] op 21 februari 2013 werden geanalyseerd om inzicht te krijgen in de gereden route van de auto. Uit de analyse is gebleken dat het kenteken [kenteken 2] onder meer geregistreerd werd op de hieronder genoemde tijden en locaties:

Datum en tijd Camera Cameralocatie en richting
21-02-2013 te 07:23:29 SRE 054-C Johan Peijnenburgweg te Geldrop, zuidelijke richting

21-02-2013 te 07:33:03 SRE 043-B Eindhovenseweg te Aalst, zuidelijke richting

21-02-2013 te 08:38:10 SRE 036-A Noord Brabantlaan te Veldhoven, noord-oostelijke richting

21-02-2013 te 08:40:55 SRE 037-B Noord Brabantlaan te Eindhoven, noord-oostelijke richting25

Verbalisant [verbalisant 5] heeft de volgende bevindingen naar aanleiding van de geregistreerde kentekengegevens van het kenteken [kenteken 2]:

Op 21 februari 2013 om 07.23 uur werd het kenteken [kenteken 2] voor de eerste maal geregistreerd te Geldrop, in zuidelijke richting. Vervolgens werd het kenteken om 07.33 uur geregistreerd op de Eindhovenseweg te Aalst, in zuidelijke richting. Vervolgens werd het kenteken niet meer geregistreerd in die omgeving. Het is mogelijk verschillende routes te rijden vanaf het registratiepunt SRE_043-B tot aan de plaats delict op de Vlasrootlaan te Waalre. Er is daarnaast een mogelijke route welke een afgelegen bosgebied doorkruist. Op 21 februari 2013 werd het kenteken geregistreerd in Veldhoven om 08.38 uur op de Noord-Brabantlaan en op de Noord-Brabantlaan in Eindhoven om 08.40 uur, telkens in noordoostelijke richting.26

De Eindhovenseweg te Aalst is de verbindingsweg tussen Eindhoven en Valkenswaard. De Vlasrootlaan komt uit op deze weg. De Noord-Brabantlaan te Veldhoven loopt over in de Noord-Brabantlaan te Eindhoven. [adres 3] (woning van [persoon 1]) komt uit op de Noord-Brabantlaan in Eindhoven.27

Uit de hierboven aangehaalde ARS-gegevens blijkt dat de Audi A3 van [persoon 1] op de dag van het schietincident, nog geen uur voordat er geschoten werd, in de directe omgeving van de plaats delict is geweest. Gelet op deze ARS-gegevens en hetgeen hierboven reeds is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de (vlucht)auto, die kort voor het schietincident bij de Zevensprong is gezien, de Audi A3 van [persoon 1] was.

De omstandigheid dat getuige [getuige 6] op 7 maart 2013, na het tonen van foto’s van de Audi A3 van [persoon 1], bij de politie heeft verklaard dat de schade aan de bumper van deze auto zeker niet de schade betrof die hij eerder omschreven had, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank overweegt in dit verband dat getuige [getuige 6] op de dag van het schietincident een zeer gedetailleerde verklaring heeft afgelegd over de auto die hij heeft gezien. Zijn verklaring van 21 februari 2013 is op diverse onderdelen, waaronder de schade aan de linker voorbumper van de auto, meer gedetailleerd dan zijn verklaring van 7 maart 2013. Om die reden hecht de rechtbank meer waarde aan de verklaring die getuige [getuige 6] direct op de dag van het schietincident heeft afgelegd.

Bestuurder van de vluchtauto.


De rechtbank stelt vast dat [persoon 1] een goede kennis is van zowel verdachte als medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].

[persoon 1] is meermalen bij de politie en eenmaal bij de rechter-commissaris gehoord.

Op 30 september 2013 heeft [persoon 1] onder meer het volgende verklaard:

[verdachte] is een vriend van mij, alleen het contact is wat verwaterd.
[medeverdachte 1] is een vriend uit de groep van Mierlo. [medeverdachte 1] heb ik al even niet meer gesproken, omdat ik onenigheid met hem heb.28

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [medeverdachte 1] een goede kennis is van hem en dat hij [persoon 1] goed kent.29 Bij de politie heeft hij verklaard dat hij [medeverdachte 2] kent en dat deze bij hem op het kamp woont.30


Op 1 oktober 2013 heeft [persoon 1] onder meer het volgende verklaard:

[medeverdachte 1] vroeg op woensdagavond 20 februari 2013 aan mij of hij mijn auto mocht lenen. Ik zei tegen [medeverdachte 1] dat hij eigenlijk mijn auto niet kon lenen, omdat ik de ochtend na 20 februari 2013 naar Mierlo of naar de fysiotherapeut moest. [medeverdachte 1] zei toen dat hij de auto zou terugbrengen voordat ik weg moest. Uiteindelijk heb ik de auto mee gegeven. De volgende ochtend had ik mijn auto terug. Ik denk rond 9.00 uur. Ik heb vervolgens [medeverdachte 1] naar huis gebracht in mijn eigen auto.
[medeverdachte 1] had zelf een rode Volkswagen Golf. Nu ik er over nadenk, [medeverdachte 1] heeft op
20 februari 2013 mijn auto geleend, omdat er op die dag iets mis was met zijn rode Golf, zodat hij deze niet kon gebruiken.31

Op 2 oktober 2013 heeft [persoon 1] onder meer het volgende verklaard:

[medeverdachte 1] is op 20 februari 2013 ’s avonds gekomen. Wel redelijk laat. Ik denk iets rond 00.00 uur, misschien wat eerder. Maar gewoon laat.32

Op 29 augustus 2014 heeft [persoon 1] onder meer het volgende verklaard:

Ik ben op 20 februari 2013 bij mijn moeder geweest. Dat was de dag voor de liquidatiepoging. Ik weet dat ik 's avonds richting Eindhoven naar mijn huis gereden ben. Op 21 februari 2013 ben ik ’s ochtends bij mijn moeder of naar de fysiotherapeut geweest.

Ik ben er nog steeds zeer zeker van dat [medeverdachte 1] mijn auto geleend heeft en dat hij de auto daags daarna zou terugbrengen. Een aantal dagen later werd ik aangehouden door de politie en is een foto gemaakt van mijn auto. De politie zei dat het te maken had met een grote zaak. Ik ben toen meteen naar [medeverdachte 1] teruggegaan om te vragen of hij iets met die auto gedaan had. Ik weet niet waar hij met die auto geweest is. Ik heb de auto de 20e uitgeleend, de 20e is de dag voor de liquidatie. De volgende ochtend kwam de auto terug.
Ik weet niet meer of die data van 20 en 21 februari 2013 van de politie komen of uit mijn eigen herinnering. Ik ben een paar dagen later aangehouden op de J.F. Kennedylaan, waar die foto is gemaakt. Een paar dagen ervoor had ik de auto uitgeleend. Zo koppel ik dat aan de genoemde data.
Ik weet voor 100% zeker dat ik die avond de auto uitgeleend heb en dat die de dag daarna terug kwam. Ik heb de auto maar aan één persoon uitgeleend, aan [medeverdachte 1]. Hij had op dat moment geen beschikking over een auto.33

Uit de analyse van de verkregen ARS-cameraregistratiegegevens over het kenteken [kenteken 2] op 20 februari 2013 is gebleken dat het kenteken [kenteken 2] onder meer geregistreerd werd op de hieronder genoemde tijden en locaties:

Datum en tijd Camera Cameralocatie en richting
20-02-2013 te 23:08:32 SRE_006-A Rotonde de Berenkuil te Eindhoven, noordelijke richting
20-02-2013 te 23:17:34 SRE_006-B Rotonde de Berenkuil te Eindhoven, zuidelijke richting

20-02-2013 te 23:18:39 SRE_009-B Kadeburg te Eindhoven, zuidelijke richting
20-02-2013 te 23:19:45 SRE_010-C Geldropseweg te Eindhoven, oostelijke richting
20-02-2013 te 23:22:11 SRE_052-B Eindhovenseweg te Geldrop, oostelijke richting
20-02-2013 te 23:23:46 SRE_055-B Mierloseweg te Geldrop, oostelijke richting34

Met toepassing van artikel 126na zijn de NAW-gegevens opgevraagd van het telefoonnummer [telefoonnummer]. Dit nummer is in gebruik bij [persoon 1].35

De historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer] werden opgevraagd. Op 20 februari 2013 om 23.27.09 werd met dit nummer een sms verzonden. Daarbij werd de mast 1142 aangestraald richting Beukenlaan 70 te Eindhoven.36 Beukenlaan 70 ligt in de directe omgeving van [adres 3], alwaar [persoon 1] woonachtig is.37

Uit de analyse van de verkregen ARS-cameraregistratiegegevens over het kenteken [kenteken 2] op 21 februari 2013 is gebleken dat het kenteken [kenteken 2] onder meer geregistreerd werd op de hieronder genoemde tijden en locaties:

Datum en tijd Camera Cameralocatie en richting

21-02-2013 te 09:02:03 SRE 010-C Geldropseweg te Eindhoven, oostelijke richting

21-02-2013 te 09:05:13 SRE 052-B Eindhovenseweg te Geldrop, oostelijke richting

21-02-2013 te 09:07:56 SRE 054-B Mierloseweg te Geldrop, oostelijke richting38

De historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer] op 21 februari 2013 laten zien dat het toestel van [persoon 1] aanstraalt

om 8:51:25 uur op de cameralocatie Frederikslaan/Kastanjelaan te Eindhoven,

om 9:06:07 uur op de cameralocatie Eindhovenseweg 120 te Eindhoven, en

om 9:11:20 uur op de cameralocatie Heer van Scherpenzeelweg 18 te Mierlo.39

Op 11 juni 2013 heeft verbalisant [verbalisant 6] onder meer het volgende gerelateerd:

Op 20 februari 2013 omstreeks 15.00 uur was er een aanrijding geweest tussen twee personenauto’s. Een auto was tegen de rode Volkswagen Golf met het kenteken [kenteken 3] gereden, bestuurd door [medeverdachte 1]. Ik, verbalisant, zag dat de rode Volkswagen een slag in het rechterachterwiel had aan de passagierszijde en er niet meer veilig mee gereden kon worden. Ik zag dat het achterwiel ten opzichte van het voorwiel scheef en te ver in de wielkast zat.40

[getuige 7] heeft onder meer het volgende verklaard:

Er was een aanrijding in Mierlo waarbij ik als bijrijder betrokken was. [medeverdachte 1] bestuurde de Volkswagen Golf. Die auto is getakeld en naar Eindhoven gebracht. De volgende dag zijn we daar naartoe gereden. Een vriend van [medeverdachte 1] was automonteur en die wilde die auto maken. Die vriend werkte in Liessel of Beek en Donk. We hebben de auto toen op de [adres 5] af laten zetten. Die auto werd rond 16.15 uur afgezet op de [adres 5].41

[getuige 8] heeft onder meer het volgende verklaard:

[medeverdachte 1] heeft een aanrijding gehad, dat weet ik nog wel. Ik weet dat [medeverdachte 1] toen die rode Volkswagen in zijn bezit had. Hij had schade gereden aan zijn rechter achterzijde. Deze auto kon niet meer rijden, want de gehele achteras was krom. [medeverdachte 1] heeft toen een aanhanger bij mij opgehaald en die heeft toen de auto opgehaald en naar mij toe gebracht. Dat was in Liessel, daar heb ik een garage en daar heeft [medeverdachte 1] toen die rode Volkswagen Golf naar toe gebracht. De achteras moest gerepareerd worden. Ik denk dat het een dag of twee heeft geduurd. Want stiekem is het toch een hoop werk. Je moet de achteras er onderuit halen, dan een nieuwe achteras bevestigen, dan moet je die ook nog maar op voorraad hebben. Deze as had ik niet eens op voorraad. Dus de auto heeft er een dag of twee gestaan. Al die tijd kon er niet mee gereden worden.42


De rechtbank acht de verklaring van [persoon 1], dat hij op 20 februari 2013 (laat) in de avond zijn Audi A3 heeft uitgeleend aan [medeverdachte 1] en dat [medeverdachte 1] de auto de volgende ochtend heeft teruggebracht, betrouwbaar. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Allereerst wordt de verklaring van [persoon 1] ondersteund door ARS-gegevens en historische verkeersgegevens van zijn telefoonnummer op 20 februari 2013. Op basis van de ARS-gegevens van 20 februari 2013 stelt de rechtbank vast dat de Audi A3 zich die dag verplaatste van de rotonde De Berenkuil in Eindhoven om 23.08 uur naar de Mierloseweg in Geldrop (in oostelijke richting) om 23.23 uur. Op basis van de historische verkeersgegevens van de mobiele telefoon van [persoon 1] stelt de rechtbank vast dat tussen 23.14 uur en 23.27 uur het mobiele telefoonnummer van [persoon 1] actief was en dat meermalen de mast Beukenlaan 70 in Eindhoven werd aangestraald, een zendmast in de buurt van de woning van [persoon 1]. Op dat moment verplaatste de Audi A3 van [persoon 1] zich vanaf Eindhoven in de richting van Mierlo. Dit strookt geheel met de verklaring van [persoon 1] dat hij zijn auto op 20 februari 2013 laat in de avond heeft uitgeleend aan medeverdachte [medeverdachte 1], die in [plaats 3] woont.

Daarnaast wordt de verklaring van [persoon 1] ondersteund door ARS-gegevens en historische verkeersgegevens van zijn telefoonnummer op 21 februari 2013. Op basis van de ARS-gegevens van 21 februari 2013 stelt de rechtbank vast dat de Audi A3 die dag om 8.38 uur de ARS-locatie aan de Noord Brabantlaan in Veldhoven passeerde en zich vervolgens vanaf de Geldropseweg in Eindhoven om 09.02 uur naar de Mierloseweg in Geldrop (in oostelijke richting) om 09.07 uur verplaatste. Op basis van de historische verkeersgegevens van het mobiele nummer van [persoon 1] stelt de rechtbank vast dat zijn mobiele telefoon rond die tijd dezelfde route heeft gevolgd als de Audi A3. Dit strookt geheel met de verklaring van [persoon 1] dat medeverdachte [medeverdachte 1] zijn auto op 21 februari 2013 rond 9.00 uur heeft teruggebracht en dat hij [medeverdachte 1] vervolgens in zijn Audi A3 naar huis heeft gebracht in [plaats 3].


Verder acht de rechtbank van belang dat [persoon 1] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij de data van 20 en 21 februari 2013 nog zo goed weet te koppelen aan het uitlenen van zijn auto aan [medeverdachte 1], omdat hij een paar dagen na het uitlenen werd aangehouden door de politie en er toen foto’s zijn gemaakt van zijn Audi A3. [persoon 1] heeft toen direct contact opgenomen met [medeverdachte 1] om te vragen of hij iets met zijn auto had gedaan. Dit wordt ondersteund door het eerder aangehaalde proces-verbaal van bevindingen, waaruit blijkt dat [persoon 1] op 5 maart 2013 – kort na het schietincident – werd gecontroleerd door de politie. Er zijn toen ook foto’s van de auto gemaakt.

Ook acht de rechtbank van belang dat [persoon 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] had gezegd dat hij de Audi A3 wilde lenen, omdat er die dag iets mis was met zijn rode Volkswagen Golf en hij op dat moment geen beschikking had over een auto. Dit wordt ondersteund door het eerder aangehaalde proces-verbaal van bevindingen, waaruit blijkt dat [medeverdachte 1] op 20 februari 2013 omstreeks 15.00 uur een aanrijding heeft gehad met zijn rode Volkswagen Golf, waarbij dusdanige schade aan de auto was ontstaan dat er niet meer veilig mee gereden kon worden. De verklaring van [persoon 1] wordt ook ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 7] en [getuige 8], waaruit blijkt dat [medeverdachte 1] in ieder geval tot halverwege de middag van 21 februari 2013 niet over zijn auto kon beschikken. In het licht van deze verklaringen acht de rechtbank de verklaring van [medeverdachte 1], dat hij zijn rode Volkswagen Golf, ondanks de ontstane schade, dezelfde dag nog (dus op 20 februari 2013) mee kon nemen, niet geloofwaardig.
Gelet op het feit dat de verklaring van [persoon 1] wordt ondersteund door ARS-gegevens en historische verkeersgegevens op 20 en 21 februari 2013 en de overige feiten en omstandigheden zoals hierboven vermeld, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank – anders dan de verdediging – de verklaring van [persoon 1] geloofwaardig en bruikbaar voor het bewijs.

De omstandigheid dat [persoon 1] in eerste instantie heeft verklaard dat hij zijn auto niet had uitgeleend, dat hij op een later moment heeft verklaard dat het zou kunnen dat hij zijn auto aan [medeverdachte 1] had geleend en dat hij nog later heeft verklaard zeker te weten dat [medeverdachte 1] die avond zijn auto heeft geleend, leidt niet tot een ander oordeel. Bij de rechter-commissaris heeft [persoon 1] toegelicht waarom hij hier, in eerste instantie althans, wisselend over heeft verklaard. Hij heeft verklaard dat hij overvallen was door de situatie, dat hij niet iemand anders in de problemen wilde brengen, maar dat hij ook niet wilde opdraaien voor iets wat hij niet gedaan had. De rechtbank acht deze toelichting op zijn wisselende verklaringen niet onaannemelijk.

De rechtbank stelt dus vast dat medeverdachte [medeverdachte 1] vanaf 20 februari 2013 omstreeks 23.30 uur tot 21 februari 2013 omstreeks 09.00 uur de beschikking heeft gehad over de Audi A3 van [persoon 1].

Verder stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] op 21 februari 2013 omstreeks 09.00 uur de Audi A3 heeft teruggebracht bij [persoon 1]. Eerder is vastgesteld dat de Audi A3 omstreeks 08.15-8.20 uur moet zijn weggereden bij de Zevensprong in Waalre. Uit de eerder aangehaalde ARS-gegevens blijkt dat het voertuig om 08.38 uur de ARS-locatie op de Noord Brabantlaan in Veldhoven is gepasseerd en om 08.40 uur de ARS-locatie op de Noord Brabantlaan in Eindhoven. Het voertuig is dus vanuit Waalre via Veldhoven naar de woning van [persoon 1] in Eindhoven gereden. De tijd waarin de Audi A3 dit traject heeft afgelegd, duidt er op dat de auto rechtstreeks vanaf de plaats delict via Veldhoven is doorgereden naar de woning van [persoon 1]. De rechtbank is gelet op het vorenoverwogene van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat medeverdachte [medeverdachte 1] de bestuurder is geweest van de vluchtauto die in de buurt van de plaats delict op de schutter stond te wachten.

De omstandigheid dat de mobiele telefoon van [medeverdachte 1] rond het tijdstip van het schietincident een zendmast in Mierlo aanstraalde, zoals door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Het is bepaald niet ondenkbaar dat [medeverdachte 1] zijn mobiele telefoon in zijn woning heeft achtergelaten tijdens het schietincident. Om 09.22 uur heeft er een gesprek op de mobiele telefoon van [medeverdachte 1] plaatsgevonden, waarbij zijn mobiele telefoon dezelfde zendmast in Mierlo aanstraalde. De rechtbank stelt vast dat [persoon 1] [medeverdachte 1] omstreeks dat tijdstip reeds in Mierlo had afgezet met zijn Audi A3. Dit maakt het voorgaande dus niet anders.

Aantreffen van een scooter op 19 februari 2013.

De politie heeft het volgende verklaard.

Op 19 februari 2013, te 10:35 uur, kregen wij de melding te gaan naar de

Broekhovenseweg ter hoogte van de visvijver te Riethoven. Hier zou door een getuige gezien zijn dat er een scooter in de bosschage verstopt was. Hierop zijn wij, verbalisanten, ter plaatse gegaan. Ter plaatse hoorden wij een manspersoon welke zich legitimeerde als [getuige 9].

Wij, verbalisanten, zijn ter plaatse gaan kijken. Wij troffen de scooter verstopt in de bossen aan. De bromfiets stond op de standaard. De bromfiets bleek gestolen. Uit de technische gegevens van de scooter blijkt dat met een dergelijk voertuig 94 kilometer per uur kan worden gereden. De plaats van aantreffen is gelegen op een afstand van 6.2 kilometer van de plaats delict van de schietpartij op [slachtoffer 1] in Waalre. De plaats van aantreffen is gezien vanuit de plaats delict aan de Vlasrootlaan in Waalre achter het plaatsje Dommelen in Valkenswaard.

Op 9 december 2013 werd met een dienstmotor, de route tussen de plaats delict en de plaats van aantreffen van de motorscooter gereden met verschillende snelheden. De resultaten hiervan waren:

Gereden snelheid: tijd:

50 kilometer per uur 10.31 minuten

70 kilometer per uur 7.18 minuten

90 kilometer per uur 6.20 minuten.43

[getuige 9] heeft verklaard:

Op dinsdag 19 februari 2013, te 09:30 uur, liep ik door het bosgebied gelegen aan de Broekhovenseweg te Riethoven. Ik zag een jongen op een scooter aan komen rijden. Ik zag dat de jongen over het zandpad reed het bosgebied in. Ongeveer 15 tot 20 minuten later liep ik ter hoogte van het parkeerterrein van de visvijver. Ik zag daar de jongen weer aan komen lopen. Ik zag dat de jongen zijn scooter toen niet meer bij had. Ik zag dat er een personenauto aan kwam, merk Volkswagen, type Golf, kleur rood, voorzien van het Nederlandse kenteken: [kenteken 3]. Ik zag dat de jongen voorin in de auto stapte aan de bijrijderszijde. Ik zag de auto daarna direct weg rijden in de richting van de openbare weg.44

In het proces-verbaal van bevindingen van de politie te Eersel wordt verklaard:

De Volkswagen Golf gekentekend [kenteken 3] bleek op naam te staan van [medeverdachte 1], geboren [1987] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [adres 5].

Op 1 maart 2013 werd door mij telefonisch contact opgenomen met genoemde [medeverdachte 1]. Nadat ik hem had medegedeeld wat de reden van mijn telefoontje was, deelde hij mij mede dat hij op verzoek van een oude baas van hem, genaamd [getuige 10], de bestuurder van de bromfiets had opgehaald. Hij vertelde dat deze bestuurder kennelijk een Pool was geweest en dat hij deze op een industrieterrein in [plaats 1] had afgezet. Deze [getuige 10] een schoonmaakbedrijf in [plaats 1] moest hebben.45

Getuige [getuige 10] heeft verklaard:

[medeverdachte 1] heeft bij mij in het bedrijf van mei tot en met november 2011 gewerkt. Het bedrijf heet "[bedrijfsnaam]". Het bedrijf is gevestigd in [plaats 1]. Ik heb nooit Poolse mensen in dienst gehad. Ik heb [medeverdachte 1] voor het laatst gesproken bij zijn ontslag in november 2011. Hierna heb ik hem nooit meer gesproken. Ik ben de enige in het bedrijf die [getuige 10] heet.46

ARS-cameraregistratiegegevens van de Volkswagen Golf gekentekend [kenteken 3] op 20 februari 2013 laten zien dat de Volkswagen op 20 februari 2013 om 07:33:03 over de Eindhovenseweg te Aalst-Waalre reed in zuidelijke richting. Om 08:40:13 op dezelfde weg in noordelijke richting.47

De rechtbank stelt vast dat op 19 februari 2013 door een scooterrijder een scooter in de bossen bij Riethoven verdekt is neergezet. [medeverdachte 1] heeft de scooterrijder opgepikt en meegenomen. Uit de verklaringen van getuigen [getuige 9] en [getuige 10] blijkt dat [medeverdachte 1] over zijn passagier een leugenachtige verklaring heeft afgelegd. In de hieronder onder het kopje OVC-gesprekken weergegeven OVC-gesprekken wordt over deze gebeurtenis in relatie tot de aanslag op [slachtoffer 1] gesproken.
Medeverdachte [medeverdachte 2] zegt: “…. Een paar dagen tevoren, toen had [alias medeverdachte 1] nog zijn eigen auto, dat is een heel stukje verder, voorbij Dommelen, daar hebben ze hem een keer gezien in de bossen, ’s-Morgens, daar bij ….. uit de auto zetten, toen hebben de wouten hem een keer gebeld… dat is veels te ver weg, kunnen ze ….hoe dan ook ze kunnen niks.”

[medeverdachte 1] zegt, nadat [medeverdachte 2] zich bezorgd heeft uitgelaten over het feit dat ze hem toen hebben zien rijden, ”Ja, maar dat was helemaal aan de andere kant. Als ge van Valkenswaard rijdde naar Waalre toe en dan van Valkenswaard naar zo’n camping toe .. ik weet niet hoe dat bos heet daar heb je zo’n hele grote visvijver. Dat was politie Eersel… ja we hebben een scooter gevonden. …Want die scooter hadden ze toch gevat voor [alias verdachte]. Ik lul me eigen er gewoon uit. Ik heb gezegd dat is een Pool die ik moet ophalen bij de camping.”

De rechtbank concludeert op basis van deze bewijsmiddelen in het licht van het eerdere oordeel dat [medeverdachte 1] de bestuurder van de vluchtauto was op 21 februari 2013, dat men op 19 februari 2013 bezig is geweest met het regelen van een vluchtmogelijkheid voor na de aanslag en dat dit is mislukt omdat de scooter nog die dag is gevonden en door de politie is weggehaald. De bewoordingen “de scooter hadden ze toch gevat voor [alias verdachte]” verwijst naar de betrokkenheid van verdachte.

Verdachte wordt “[alias verdachte]” genoemd.

Getuige [getuige 11] heeft op 22 november 2013 bij de politie verklaard dat [persoon 1], [medeverdachte 1] en verdachte vrienden van hem zijn. Verdachte heeft geen rijbewijs. Hij noemt hem ook wel [alias verdachte]. [persoon 1] had een oude Audi 3, maar heeft nu een andere auto. De schade aan zijn auto is veroorzaakt door een eend die hij heeft aangereden.48

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat sommige mensen hem ook wel eens [alias medeverdachte 1] noemen.49

OVC-gesprekken.

Op maandag 23 september 2013 om 18.15 uur werd op Bureau Brabant aandacht besteed aan het schietincident. De volgende informatie werd bekendgemaakt:

Er is een beloning van 10.000 euro uitgeloofd (…) voor de tip die leidt tot de oplossing van deze schietpartij. Dat was die donderdagochtend op de Vlasrootlaan, in de buurt van de Treeswijkhoeve. Uit het onderzoek is gebleken dat kort daarvoor een auto is gezien op de Zevensprong bij het Meertjesven. Dat was zo rond tien voor half negen. Deze auto kan te maken hebben met de schietpartij. Maar de bestuurder kan ook alleen een belangrijke getuige zijn. Het gaat om een grijze middenklasse auto, mogelijk een VW Golf of een Audi A3. En opvallend is dat die auto schade had links op de voorbumper.

Op dinsdag 24 september 2013 te 21.30 uur werd de hierboven genoemde informatie ook uitgezonden en bekendgemaakt bij Opsporing Verzocht.50

Op 14 augustus 2013 werd de BMW met kenteken [kenteken 4] voorzien van registrerend plaatsbepalingsapparatuur zijnde een GPS peilbaken. Uit onderzoek was gebleken dat medeverdachte [medeverdachte 2] de gebruiker betrof van deze BMW. De BMW werd tevens voorzien van afluisterapparatuur.51

OVC BMW [kenteken 4], gesprek 23 september 2013, 21:45 uur:

[medeverdachte 2] zit in de BMW met een onbekende man (vermoedelijk [persoon 2] en het volgende gesprek vindt plaats:

NN man: "-onverstaanbaar- plat laten douwen".

[medeverdachte 2]: "maar waar moet ik hem nou heen laten rijden, ik praat niet meer met die jongen van wie die auto is hè .... het is een oud A3tje van '96 ik weet niet of we dat weg krijgen".

NN man: "en je weet niet wat die jongen ermee gedaan heeft".

[medeverdachte 2]: "nee ik weet van niks".

OVC BMW [kenteken 4], gesprek 23 september 2013, 21:50 uur:

[medeverdachte 2] zit in de BMW met een onbekende man (vermoedelijk [persoon 2] en het volgende gesprek vindt plaats:

NN man: “maar ze kennen nooit bewijzen dat het die auto is.

[medeverdachte 2]: “tenzij ze iets moeten hebben van die kutpaaltjes langs de weg met die kanker kenteken zeker. ..zover zijn ze zeker nog niet.

NN: “nee anders waren ze allang gekomen pik.”

[medeverdachte 2]: "die heeft ooit een duif aangereden, zat zo'n gat voorin bumper, en dat zat er toen ook in, heeft ie ondertussen afgeplakt met duct-tape maar ja zo rijdt ie al een jaar.

OVC BMW [kenteken 4], gesprek 23 september 2013, 21:55 uur:

[medeverdachte 2] zit in de BMW met een onbekende man (vermoedelijk [persoon 2] en het volgende gesprek vindt plaats:

[medeverdachte 2]: Hij is er niet die kankerlijer ... hier stond ie normaal hier links ...

NN man: "wat deze Audi".

[medeverdachte 2]: "grijze Audi A3 van '96 -onverstaanbaar- hier staat ie altijd".

NN man: "hier staat maar een Audi jongen dus uh"

[medeverdachte 2]: "zilvergrijze -onverstaanbaar- is afgeplakt met duct-tape ...... -onverstaanbaar".52

Peilbaken BMW [kenteken 4], 23 september 2013, 21:45 uur t/m 22:10 uur:

Uit de fixen van het peilbaken van de BMW met kenteken [kenteken 4] blijkt dat deze zich ten tijde van de hierboven genoemde gesprekken op de volgende locaties in Eindhoven bevond, namelijk:

21:45 uur Castillielaan (stop),

21:53 uur Zwaanstraat (rijdend),

22:03 uur Huizingalaan (rijdend),

22:10 uur Castillielaan (stop).

De locaties Zwaanstraat en Huizingalaan te Eindhoven betreffen locaties gelegen tussen de meest logische route van het wagenkamp Castillielaan naar [adres 3] 75 te [woonplaats], waar [persoon 1] woonachtig is.53

OVC BMW [kenteken 4], gesprek 24 september 2013

[medeverdachte 2]: “weet je wat het is [persoon 2], ik maak me eigen wel een beetje druk”

.. als ze zeggen maar ik heb die auto uitgeleend.. weet je wat het is, als [alias medeverdachte 1] zegt …. ik heb…die auto wel vaker uitgeleend.. maar ja toen zijn been gebroken had mocht ik die auto ook lenen, omdat ik zelf geen auto heb en zegt, maar ja ik kom niet uit Mierlo … naar de winkel of zo, verder niks. Het enigste waar ik me druk over maak zijn die kankjercameraatjes langs de weg…. Een paar dagen tevoren, toen had [alias medeverdachte 1] nog zijn eigen auto, dat is een heel stukje verder, voorbij Dommelen, daar hebben ze hem een keer gezien in de bossen, ’s-Morgens, daar bij ….. uit de auto zetten, toen hebben de wouten hem een keer gebeld… dat is veels te ver weg, kunnen ze ….hoe dan ook ze kunnen niks.. “

Peilbaken BMW [kenteken 4], 24 september 23:08 uur t/m 23:58 uur:

Uit de fixen van het peilbaken van de BMW met kenteken [kenteken 4] blijkt dat deze zich ten tijde van de hierboven genoemde gesprekken op de volgende locaties in Eindhoven bevond, namelijk:

23:08 uur Castillielaan (rijdend),

23:18 uur Ekkerstraat (stop),

23:28 uur Insulindelaan (rijdend),

23:35 uur Baekelandplein (stop),

23:38 uur Galileistraat (rijdend),

23:45 uur Noord Brabantlaan (stop),

23:47 uur Noord Brabantlaan (langzaam rijdend),

23:48 uur Noord Brabantlaan (langzaam rijdend),

23:50 uur Noord Brabantlaan (stop),

23:52 uur Noord Brabantlaan (langzaam rijdend),

23:58 uur Klein Akkerweg (langzaam rijdend).

Opmerking verbalisant: Opvallend is dat de locaties Noord Brabantlaan, Ekkerstraat en Klein Akkerweg te Eindhoven in de directe omgeving liggen van [adres 3] 75 te Eindhoven, zijnde de woning van [persoon 1]. De auto van [persoon 1] werd grotendeels geparkeerd op locatie Ekkerstraat te Eindhoven. Dit blijkt uit de gegevens van het peilbaken welke onder de Audi A3 met kenteken [kenteken 2] van [persoon 1] was gestationeerd.54

Een proces-verbaal bevindingen van 18 december 2013, onder meer inhoudende:55

OVC BMW [kenteken 4], gesprek 25 september 2013, 16:17 uur:

Medeverdachte [medeverdachte 2] zit in de BMW samen met medeverdachte ([medeverdachte 1]).

[medeverdachte 1] zegt: "wat ook zou kunnen dat ie hem kapot heeft gereden". [medeverdachte 2] zegt: "hoe kom ik daar achter". [medeverdachte 1] zegt: ''ja weet ik niet, moet je even wachten tot ik dat hoort van Cop of zo". [medeverdachte 2] zegt: "ik moet dat te weten komen zonder dat het opvalt. ". [medeverdachte 1] zegt: "vraag ik van de week wel". [medeverdachte 2] zegt: "maar ik moet dat vandaag weten, dat moet weg want dadelijk straks -onverstaanbaar-.. ….

OVC BMW [kenteken 4], gesprek 25 september 2013, 20:52 uur:

Medeverdachte [medeverdachte 2] zit in de BMW samen met medeverdachte ([medeverdachte 1]).

[medeverdachte 1] zegt: "doe dat ding eens weg man, breng dat ding weg, dat ding moet je gewoon verkopen man dat frikadelleke, moet je snel weg doen die komt niet door de apk, heb ik allemaal gezegd hé, ik heb van alles gezegd jongen, tegen hem, dat moet je nou zo snel mogelijk weg doen nou brengt dat nog geld op dadelijk niet meer".

[medeverdachte 2] zegt: "-onverstaanbaar- ... als het niet anders is dan laten we voor wat het is, ik ben daar nooit geweest... ik heb die auto inderdaad, ik heb die auto een paar keer geleend maar -onverstaanbaar- ik kom niet verder als Mierlo en naar de coffeeshop". [medeverdachte 1] zegt: "en daar van Mierlo, ik heb hem naar het ziekenhuis gebracht". [medeverdachte 2] zegt: ''ja dat was het... hij moet het maar uitzoeken hoor, het is zijn woord tegen die van jou" Het enig wat kut is dat ze jou hebben zien rijden. Toen die wouten..”

[medeverdachte 1]: ”Ja, maar dat was helemaal aan de andere kant. Als ge van Valkenswaard rijdde naar Waalre toe en dan van Valkenswaard naar zo’n camping toe .. ik weet niet hoe dat bos heet

daar heb je zo’n hele grote visvijver. Dat was politie Eersel… ja we hebben een scooter gevonden. …Want die scooter hadden ze toch gevat voor [alias verdachte]. Ik lul me eigen er gewoon uit. Ik heb gezegd dat is een Pool die ik moet ophalen bij de camping.”

[medeverdachte 2]: “Ik kom niet verder dan Mierlo. Als je dat vol blijft houden, dan is er niks aan de hand.”

[medeverdachte 1]: ..als ze iets hadden dan waren ze allang … dan loopt er een heel dik onderzoek tegen ons allemaal. Jij moet ook uitkijken hoor. ..ja als we op stap gaan en zo.. mensen die geld zien gaan grappen maken dat witte.“56

OVC BMW [kenteken 4], gesprek 26 september 2013, 22:06 uur:

Medeverdachte [medeverdachte 2] zit in de BMW samen met medeverdachte ([medeverdachte 1]).

[medeverdachte 1] zegt: "oh hé en [persoon 1] die heeft zijn auto particulier verkocht". [medeverdachte 2] zegt: "meen jij niet". [medeverdachte 1] zegt: 'Ja", [medeverdachte 2] zegt: "hij kan toch zien aan wie". [medeverdachte 1] zegt: "onverstaanbaar" (lijkt op dat komt nog wel). [medeverdachte 2] zegt: "ken je niet kijken waar of iets of bij wie". [medeverdachte 1] zegt: "nee, op tweedehands.nl".

[medeverdachte 2] zegt: "maar hij weet toch waar die heen is gegaan denk ik ... of niet". [medeverdachte 1] zegt: "denk het niet". [medeverdachte 2] zegt: "zou het niet". [medeverdachte 1] zegt: "[persoon 1] weet het denk ik wel maar kennen we natuurlijk niet aan [persoon 1] vragen, ik heb [persoon 1] niet gezien". [medeverdachte 2] zegt: 'Jaa kut hè". [medeverdachte 1] zegt: 'Ja dat is kut jongen maar ik ben er wel achter".57

OVC IN DE WONING VAN [medeverdachte 1] [adres 5] TE [woonplaats] op 1 oktober 2013.

[medeverdachte 1]: “[persoon 1] heeft toen met zijn knie gezeten, weet je wel. Toen heb ik toch in zijn auto gereden.”

N1: “Ja, meerder aanwijzingen hebben ze hem opgeladen. Ja dat is die advocaat.

[medeverdachte 1]: “Luister, die [alias verdachte] zal ook wel moeten komen. Die naam is ook genoemd gisteren schijnbaar.”

N1: “[alias verdachte] stond daar niet eens ingeschreven. Hij kan niet eens autorijden. En [alias verdachte] zit ook nog vast of niet?

N?: “Het gaat allemaal over 21 februari …”58.

De rechtbank stelt op basis van deze OVC-gesprekken vast dat medeverdachte [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] kort na de uitzendingen van Bureau Brabant en Opsporing Verzocht met elkaar hebben besproken dat de Audi A3 van [persoon 1] moest verdwijnen. Ook stelt de rechtbank vast dat medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] toen met elkaar hebben besproken dat zij hoopten dat [persoon 1] zich het uitlenen niet meer zou kunnen herinneren. Ze maken zich zorgen over de herkenning door middel van registratie van het kenteken. Ook het feit dat [medeverdachte 1] enkele dagen vóór 21 februari is gezien in de bossen met de scooter die is aangetroffen bij de visvijver, “de scooter die ze hadden gevat voor [alias verdachte]” vinden ze verontrustend, maar gelukkig heeft [medeverdachte 1] zich eruit gered en kan men hen niets maken, aldus de gesprekken.

Gelet op de inhoud van deze gesprekken, in onderling verband en samenhang bezien met het tijdstip waarop deze gesprekken zijn gevoerd – kort na de uitzendingen van Bureau Brabant en Opsporing Verzocht, waarin werd aangegeven dat naar aanleiding van het schietincident werd gezocht naar een Audi A3 met een beschadiging aan de linker voorbumper – is de rechtbank van oordeel dat deze OVC-gesprekken de betrokkenheid van medeverdachte [medeverdachte 1] bij het schietincident bevestigen.

Heeft verdachte op [slachtoffer 1] geschoten?

Bij beantwoording van deze vraag zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

- De schutter maakte gebruik van een fiets.

- De fiets die bij het Meertjesven is aangetroffen is de fiets die de schutter heeft gebruikt.

- Op het linker handvat van die fiets is DNA van verdachte aangetroffen. Het betreffende DNA-profiel heeft een frequentie van minder dan 1 op 1 miljard.

- Verdachte heeft geen aannemelijke alternatieve verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA op de fiets. Er is geen enkele aanwijzing dat dit DNA van verdachte door een ander op de fiets zou zijn geplaatst. Gesteld noch gebleken is dat verdachte in de periode vóór 20-21 februari 2013 in contact is geweest met de fiets.

- Op de plaats delict is een huls aangetroffen.

- Op deze huls zijn schotresten aangetroffen die van dezelfde bron afkomstig zijn als de schotresten op het linkerhandvat van de fiets.

- Op de huls is een DNA-profiel aangetoond met een frequentie van 1 op 5000. De DNA-kenmerken van dit DNA-profiel zijn ook aangetoond in het DNA-profiel van verdachte.

- Bij de aanslag is gebruik gemaakt van een vluchtauto.

- Deze vluchtauto werd bestuurd door medeverdachte [medeverdachte 1].

- medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte zijn bekenden van elkaar.

- In de OVC gesprekken wordt in gesprekken die betrekking hebben op de aanslag gesproken over “de [alias verdachte]”. De [alias verdachte] is de bijnaam voor verdachte. Verdachte is ook kaal.

De rechtbank komt op grond van alle vastgestelde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte op 21 februari 2013 op [slachtoffer 1] heeft geschoten.


Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen en vastgesteld en de bewijsmiddelen die daarbij zijn aangehaald, komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] als medeplegers van de aanslag op [slachtoffer 1] kunnen worden aangemerkt. Verdachte is de schutter geweest die op [slachtoffer 1] heeft geschoten en [medeverdachte 1] is opgetreden als bestuurder van de vluchtauto.Bij een aanslag als de onderhavige is het voor de daders van zeer groot belang dat zij snel kunnen vluchten. In dit geval was sprake van een duidelijke taakverdeling, die voor [medeverdachte 1] inhield dat hij de dag voor de aanslag een vluchtauto regelde en dat hij tijdens het schieten bleef wachten in de auto totdat verdachte bij hem in de auto zou stappen. De rechtbank is van oordeel dat de rol van [medeverdachte 1] niet enkel een ondersteunende rol is geweest, maar dat [medeverdachte 1] een actieve en essentiële functie bij de aanslag vervulde. Dit blijkt ook uit de OVC-gesprekken achteraf. De rechtbank is van oordeel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] en dat zij het gemeenschappelijk opzet hebben gehad op het om het leven brengen van [slachtoffer 1]. [medeverdachte 1] dient dan ook als medepleger te worden aangemerkt.

De rechtbank is op grond van de omschreven gang van zaken van oordeel dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] planmatig hebben gehandeld.
De rechtbank acht het onder feit 1 primair ten laste gelegde – het medeplegen van poging tot moord – dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewijs feit 2 subsidiair (medeplegen van heling van een fiets).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht medeplegen van opzetheling bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte stelt dat onvoldoende bewijs voorhanden is om het ten laste gelegde bewezen te kunnen verklaren.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank komt tot haar oordeel dat verdachte bij het medeplegen van de aanslag op [slachtoffer 1] gebruik heeft gemaakt van de weggenomen fiets en zich zodoende schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzetheling.

Dit oordeel van de rechtbank is gegrond op de inhoud van de hiervoor bij de bespreking van fei1 1 primair genoemde bewijsmiddelen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

feit 1 primair:

op 21 februari 2013 te Waalre ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een vuurwapen heeft gericht op die [slachtoffer 1] (op een moment dat hij, [slachtoffer 1], zijn auto bestuurde) en vervolgens met dat vuurwapen een kogel heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 subsidiair:

in de periode van 20 februari 2013 tot en met 21 februari 2013 te Waalre, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een (dames)fiets voorhanden heeft gehad terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van het voorhanden krijgen van die (dames)fiets wist(en) dat die (dames)fiets een door misdrijf verkregen goed betrof.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert onder bewezenverklaring van het onder feit 1 primair en meer subsidiair ten laste gelegde (begaan in voortgezette handeling, aangezien de voorbereidingshandelingen volledig zijn opgegaan in het medeplegen van de poging tot moord) en het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde, een gevangenisstraf voor de duur van tien jaar, met aftrek van voorarrest. Zij vordert de gevangenneming van verdachte voor feit 2, met welk feit de voorlopige tenlastelegging, na toegestane wijziging daarvan, is aangevuld en voor welk feit verdachte zich thans niet in voorlopige hechtenis bevindt.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met [medeverdachte 1] schuldig gemaakt aan een poging tot moord. Zij hebben welbewust getracht een mensenleven te beëindigen. Een dergelijk feit schokt de rechtsorde en brengt ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Verdachte is degene geweest die gericht een schot op het slachtoffer heeft afgevuurd.

De kogel ging door de autoruit aan de bestuurderskant, waar het slachtoffer zat, via de hoofdsteun van de bijrijdersstoel en door de portierruit aan de andere zijde weer naar buiten. Door snel weg te duiken, heeft het slachtoffer deze aanslag overleefd. De moordaanslag is gepleegd op de openbare weg, nabij de woning van het slachtoffer, op een tijdstip en plaats waar scholieren en andere voorbijgangers passeren.

Verdachte heeft geen openheid van zaken gegeven, heeft geen motief voor zijn handelen aangegeven en heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.

Verdachte heeft zich bij zijn strafbaar handelen niet bekommerd om de gevolgen. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten en personen in hun nabije omgeving ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Het slachtoffer, zijn gezinsleden en zijn collega’s op het advocatenkantoor zijn gedurende lange tijd dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van de aanslag, onder meer door ingrijpende veiligheidsmaatregelen die moesten worden getroffen na de aanslag.

De rechtbank is van oordeel dat op een dergelijk feit een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden is.

Ten nadele van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat uit een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte blijkt dat hij in het verleden meermalen voor geweldsdelicten is veroordeeld.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten.

De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf. Anders dan de officier van justitie houdt de rechtbank de beide verdachten niet in gelijke mate verantwoordelijk voor de aanslag. Verdachte verdient de hoogste straf, omdat hij degene is geweest die daadwerkelijk heeft geschoten. Zijn [medeverdachte 1] wordt een gevangenisstraf van 6 jaar opgelegd, verdachte wordt een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren opgelegd.

De officier van justitie heeft de gevangenneming van verdachte gevorderd voor feit 2, met welk feit de voorlopige tenlastelegging, na toegestane wijziging daarvan, is aangevuld en voor welk feit verdachte zich thans niet in voorlopige hechtenis bevindt.

De rechtbank zal de vordering tot gevangenneming van verdachte afwijzen. Uitgangspunt bij de behandeling van een strafzaak is – en na de onderhavige veroordeling blijft – dat een verdachte zijn onherroepelijke berechting in vrijheid kan afwachten. Dit veroordelende vonnis maakt dat niet anders.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 45, 47, 57, 289, 416.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder feit 1 primair en onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair:

medeplegen van poging tot moord.

T.a.v. feit 2 subsidiair:

medeplegen van opzetheling.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het

Wetboek van Strafrecht.

Wijst af de vordering tot gevangenneming van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. P.A. Buijs en mr. C.J. Sangers-de Jong, leden,

in tegenwoordigheid van J.F.A. Verhagen, griffier,

en is uitgesproken op 21 november 2014.

1 In de voetnoten wordt verwezen naar een proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst regionale recherche, nummer 22DRR13005 met aanduiding “Dikpootbij”, met bijlagen, afgesloten d.d. 4 april 2014, hierna te noemen “einddossier”, en een proces-verbaal van sporenonderzoek van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Divisie recherche, Forensisch Technische Ondersteuning, nummer PL2219 2013025052-30, met bijlagen, afgesloten op 8 april 2014, hierna te noemen “FTO-dossier”.

2 Proces-verbaal van aangifte, einddossier p. 1376, 1377.

3 Proces-verbaal van sporenonderzoek, FTO-dossier, p. 66 tot en met 69.

4 Proces-verbaal van sporenonderzoek, FTO-dossier p. 23, en proces-verbaal van aanvraag DNA-onderzoek sporen, FTO-dossier, p. 315.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige, einddossier p. 1590, 1591.

6 Proces-verbaal van bevindingen, einddossier p. 1516.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige, einddossier p. 1604, 1605.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige, einddossier p. 2425, 2426, 2428.

9 Proces-verbaal van sporenonderzoek, FTO-dossier, p. 45, 46, 47 en 83, 84.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige, einddossier p. 2437.

11 Proces-verbaal van aangifte, einddossier p. 2411, 2413.

12 Proces-verbaal van verhoor aangever, einddossier p. 2414.

13 Rapport schotrestenonderzoek van het NFI, FTO-dossier, p. 407, 410, 414, 416, 418, 419.

14 Proces-verbaal van sporenonderzoek, FTO-dossier, p. 83, 84.

15 Onderzoeksrapport DNalysis, FTO-dossier p. 144 tot en met 151.

16 Rapportage DNalysis Maastricht B.V., in opdracht van The Maastricht Forensic Institute, opgemaakt door dr. P.J. Herbergs, d.d. 17 april 2013, einddossier p. 1771 tot en met 1779.

17 Proces-verbaal van verhoor getuige, einddossier p. 1590, 1591.

18 Proces-verbaal van bevindingen, einddossier p. 1516.

19 Proces-verbaal van verhoor getuige, einddossier p. 1604, 1605.

20 Proces-verbaal van verhoor getuige, einddossier p. 1495, 1496.

21 Proces-verbaal van verhoor getuige, einddossier p. 1552.

22 Proces-verbaal van verhoor getuige, einddossier p. 1556.

23 Proces-verbaal d.d. 12 april 2013, einddossier p. 1499, 1500.

24 Fotoprints, einddossier p. 1501, 1502, 1503.

25 Proces-verbaal bevindingen analyse, einddossier p. 1821, 1822, 1823, 1824.

26 Proces-verbaal bevindingen omtrent verkeersgegevens, einddossier p. 1852, 1858, 1863, 1864.

27 Google maps

28 Proces-verbaal van verhoor van [persoon 1], einddossier p. 175, 176.

29 Proces-verbaal terechtzitting, inhoudende de verklaring van verdachte afgelegd op 20 oktober 2014..

30 Proces-verbaal van verhoor van [verdachte], einddossier p. 329.

31 Proces-verbaal van verhoor van [persoon 1], einddossier p. 182 tot en met 184.

32 Proces-verbaal van verhoor van [persoon 1], einddossier p. 187.

33 Proces-verbaal van verhoor van [persoon 1] door de rechter-commissaris op 29 augustus 2014.

34 Proces-verbaal van bevindingen analyse, einddossier p. 1821, 1822, 1823, 1824.

35 Antwoord van Vodafone p. 1837.

36 Overzicht historische verkeersgegevens p. 1843.

37 Google maps.

38 Proces-verbaal van bevindingen analyse, einddossier p. 1821, 1822, 1823, 1824.

39 Overzicht historische printgegevens p. 1843.

40 Proces-verbaal van bevindingen, einddossier p. 1908.

41 Proces-verbaal van verhoor getuige, einddossier p. 2004, 2005.

42 Proces-verbaal van verhoor getuige, einddossier p. 2021, 2022.

43 Proces-verbaal van bevindingen p. 2465 en p. 1909.

44 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 2463.

45 Proces-verbaal van bevindingen p. 2475.

46 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 10], einddossier p. 2477, 2478.

47 Proces-verbaal van bevindingen, einddossier p. 1884.

48 Proces-verbaal van verhoor p. 2013 en 2015.

49 Verbatim verslag studioverhoor, einddossier p. 945.

50 Proces-verbaal van bevindingen, einddossier p. 2192.

51 Proces-verbaal van bevindingen, einddossier p. 2190.

52 Proces-verbaal van bevindingen, einddossier p. 2191, 2193, en 2235,

53 Proces-verbaal van bevindingen p. 2193, 2199.

54 Proces-verbaal van bevindingen p. 2194, 2195, 2200.

55 Proces-verbaal van bevindingen, einddossier p. 2209 tot en met 2213, met bijlagen.

56 Proces-verbaal van bevindingen, einddossier p. 2255, 2256.

57 Proces-verbaal van bevindingen, einddossier p. 2261.

58 Proces-verbaal van bevindingen, p. 2282 en 2283.