Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:7028

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
01/025239-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging terbeschikkingstelling met één jaar. Indexdelicten: doodslag en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/025239-02

Uitspraakdatum: 5 november 2014

Beslissing verlenging terbeschikkingstelling

Beslissing in de zaak van:

[terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [1963],

verblijvende in [kliniek].

Het onderzoek van de zaak.

Bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 6 oktober 2003 is betrokkene ter beschikking gesteld. Deze terbeschikkingstelling is voor het laatst, bij beslissing van deze rechtbank van 18 oktober 2013, met een jaar verlengd.

De vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank van 18 september 2014 strekt tot verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling voor de duur van één jaar.

Deze vordering is behandeld ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van

5 november 2014. Hierbij zijn de officier van justitie, de deskundige I. van Outheusden van de inrichting, deskundige M.L. van der Wielen van de reclassering, de terbeschikkinggestelde en haar raadsman gehoord.

In het dossier bevinden zich onder andere:

  • -

    het advies van I. van Outheusden, psychiater en directeur Behandelzaken Inforsa, hoofd van de inrichting, waarnemend geneesheer-directeur, d.d. 11 augustus 2014;

  • -

    de omtrent de terbeschikkinggestelde gehouden wettelijke aantekeningen;

  • -

    het persoonsdossier van de terbeschikkinggestelde.

De beoordeling.

De terbeschikkingstelling is toegepast ter zake van poging tot doodslag en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eiste. Het hiervoor genoemde misdrijf betreft een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

In voornoemd advies van het hoofd van de inrichting is onder meer het navolgende gesteld:

“De stoornis is onverminderd aanwezig. Er is sprake van een chronische psychose, gekenmerkt door denkstoornissen, akoestische hallucinaties, de overtuiging dat anderen haar pesten en een waansysteem dat met medicatie wat naar de achtergrond verdwijnt. Met de huidige (gewijzigde) medicatie leek patiënte opener en levendiger te zijn geworden, maar door bijwerkingen en persisterende symptomen moest zij toch weer worden opgenomen ter evaluatie van de medicatie.”

(…)

“Het gevaar bestaat erin dat patiënte op basis van het volledig ontbreken van ziektebesef nooit intrinsiek gemotiveerd zal raken om de medicatie op eigen initiatief te blijven gebruiken nadat de maatregel is beëindigd. Voortzetting van het huidige medicatiebeleid is in de toekomst wellicht mogelijk in het kader van een voorwaardelijke machtiging of in het kader van dwangmedicatie onder de wet Verplichte GGZ. De borging van het signaleringsplan en forensische-psychiatrische vroeginterventie middels toezicht is nog onverminderd cruciaal, gezien de ernst van de symptomatologie. Buiten de strakke kaders van de TBS zal patiënte zich eenvoudig aan het toezicht kunnen onttrekken, waardoor het gevaar snel zal toenemen en dreigend zal worden.”

(…)

“Wij adviseren om de terbeschikkingstelling te verlengen voor de duur van één jaar.”

De terbeschikkinggestelde heeft verklaard, kort en zakelijk weergegeven:

Ik kan me wel vinden in een verlenging van de terbeschikkingstelling met een jaar. Ik heb de hulp en begeleiding van de kliniek nog nodig.

De deskundige I. van Outheusden heeft bij de behandeling ter terechtzitting gepersisteerd bij voornoemd advies. Hij heeft voorts het navolgende verklaard, kort en zakelijk weergegeven:

Gelet op de situatie van betrokkene is een verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaar realistischer, maar ik wil niet uitsluiten dat mogelijk voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege binnen een jaar kan worden bereikt. Het ziektebeeld van betrokkene is thans meer wisselend dan vorig jaar. Betrokkene verblijft nu in een woning met één medebewoonster. Er wordt geprobeerd haar te plaatsen in een eenpersoonswoning. Op de langere termijn kunnen we kijken naar een eigen woning voor betrokkene. Betrokkene zal ook dan nog hulp en begeleiding nodig hebben. Bij betrokkene ontbreekt nog steeds ziektebesef, maar dat past ook bij haar stoornis. We zoeken nog naar de juiste mix van medicatie, zodat betrokkene – afgezien van haar stoornis – acceptabel kan leven.

De deskundige M.L. van der Wielen heeft zich bij de behandeling ter terechtzitting aangesloten bij de conclusies van voornoemd advies. Zij heeft voorts het navolgende verklaard, kort en zakelijk weergegeven:

Ik ben blij dat betrokkene meer dan voorheen open is over haar wanen en over wanneer het niet goed gaat met haar. Het is goed voor betrokkene dat de mogelijkheid nog bestaat dat zij kan worden teruggeplaatst in de kliniek. Ik heb in ieder geval tweewekelijks contact met betrokkene.

De officier van justitie heeft aangevoerd, kort en zakelijk weergegeven:

Ik persisteer bij de vordering.

De raadsman van de terbeschikkinggestelde heeft aangevoerd, kort en zakelijk weergegeven:

Ik kan mij vinden in de verlenging van de terbeschikkingstelling met één jaar.

De rechtbank verenigt zich met het advies van voornoemde inrichting en met de daarop ter terechtzitting gegeven toelichting door deskundige I. van Outheusden.

Gelet op het vorenstaande, gezien artikel 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist.

DE BESLISSING

De rechtbank:

verlengt de termijn gedurende welke [terbeschikkinggestelde] ter beschikking is gesteld met één jaar.

Deze beslissing is gegeven door

mr. C.J. Sangers-de Jong, voorzitter,

mr. H.A. van Gameren en mr. C.P.C. Kuijs, leden,

in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier,

en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 november 2014.