Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:6904

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-11-2014
Datum publicatie
17-11-2014
Zaaknummer
01/879437-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte en zijn mededaders hebben zich in één nacht tweemaal kort na elkaar schuldig gemaakt aan vechtpartijen op straat waarvan twee willekeurige voorbijgangers het slachtoffer zijn geworden. Verdachte en zijn mededaders hebben die confrontaties opgezocht. De rechtbank kwalificeert beide voorvallen als medeplegen van poging tot zware mishandeling. Verdachte wordt daarvoor veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden met een proeftijd van twee jaar. Dat is overeenkomstig de eis van de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879437-14

Datum uitspraak: 17 november 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1990],

wonende te [woonplaats], [adres 1].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 november 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 september 2014.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 februari 2014 te Boxtel tezamen en in vereniging met

(een) ander(en) ter uitvoering van het door verdachte(n) voorgenomen misdrijf

om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- meerdere malen, althans éénmaal met geschoeide voet tegen het hoofd en/of

rug en/of buik en/of lichaam van [slachtoffer 1], heeft/hebben geschopt en/of getrapt,

en/of

- meerdere malen, althans éénmaal met gebalde vuist(en) tegen het hoofd en/of

rug en/of buik en/of lichaam van [slachtoffer 1] heeft/hebben geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 februari 2014 te Boxtel met een ander of anderen, op of

aan de openbare weg, op of aan de [adres 2] te Boxtel, in elk geval op of

aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

[slachtoffer 1], welk geweld bestond uit

- meerdere malen, althans éénmaal met geschoeide voet schoppen en/of trappen

tegen het hoofd en/of rug en/of buik en/of lichaam van [slachtoffer 1], en/of

- meerdere malen, althans éénmaal met gebalde vuist(en) slaan tegen het hoofd

en/of rug en/of buik en/of lichaam [slachtoffer 1];

2.

hij op of omstreeks 27 februari 2014 te Boxtel tezamen en in vereniging met

(een) ander(en) ter uitvoering van het door verdachte(n) voorgenomen misdrijf

om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet

- meerdere malen, althans éénmaal met geschoeide voet tegen het hoofd en/of

rug en/of buik en/of lichaam van [slachtoffer 2] heeft/hebben geschopt en/of getrapt,

en/of

- meerdere malen, althans éénmaal met gebalde vuist(en) tegen het hoofd en/of

rug en/of buik en/of lichaam van [slachtoffer 2] heeft/hebben geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 februari 2014 te Boxtel met een ander of anderen, op of

aan de openbare weg, op of aan de [adres 3] te Boxtel, in elk geval op of

aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

[slachtoffer 2], welk geweld bestond uit

- meerdere malen, althans éénmaal met geschoeide voet schoppen en/of trappen

tegen het hoofd en/of rug en/of buik en/of lichaam van [slachtoffer 2], en/of

- meerdere malen, althans éénmaal met gebalde vuist(en) slaan tegen het hoofd

en/of rug en/of buik en/of lichaam van [slachtoffer 2];

3.

hij op of omstreeks 27 februari 2014 te Boxtel met een ander of anderen, op of

aan de openbare weg, op of aan de [adres 3] te Boxtel, in elk geval op of

aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], welk geweld bestond uit slaan in en/of

tegen het gezicht en/of hoofd en/of tegen het lichaam en/of duwen van

voornoemde [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of omissies voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en/of aangevuld. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak ten aanzien van feit 3.

De officier van justitie en de raadsman zijn van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde.

Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat verdachte een bijdrage heeft geleverd aan het geweld tegen de in de tenlastelegging genoemde [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .

De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijs

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

Het standpunt van de officier van justitie.

Ten aanzien van feit 1 acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag.

Ten aanzien van feit 2 acht de officier van justitie medeplegen van poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde medeplegen van poging tot doodslag heeft de officier van justitie tot vrijspraak gerekwireerd.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte alleen zijn eigen aandeel in de vechtpartij kan worden aangerekend. Het aandeel van verdachte was minimaal. Hij heeft [slachtoffer 1] enkel geslagen, had geen opzet tot het toebrengen van dodelijk of zwaar letsel en er was geen sprake van het gezamenlijk plegen van geweld. Verdachte dient integraal van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2 is de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] twijfelachtig, nu zij pas geruime tijd later zijn gehoord en hun verklaringen niet met elkaar overeen stemmen. De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Het oordeel van de rechtbank.1

De bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1.

Op 27 februari 2014 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan van poging tot doodslag c.q. poging tot zware mishandeling.

Hij verklaarde dat hij op 27 februari 2014 omstreeks 02.30 uur vanuit een feestje in ‘[bedrijf 1]’ in Boxtel samen met enkele vrienden naar een afterparty liep. Ergens onderweg naar die afterparty werd hij uit het niets vastgepakt en aangesproken door een jongen die tegen hem zei: ‘doorlopen want anders krijg je problemen of woorden van gelijke strekking’.

Toen hij daarop vroeg waarom hij zou weggaan, zag hij dat die jongen meteen een mes trok. Hij zag dat dit een vlindermes was. Hij zag dat de jongen met het mes zwaaide en dat het mes zich ontvouwde. Hij zag dat hij direct werd geslagen door een andere jongen. Hij werd geraakt op de linkerzijkant van zijn hoofd. Hij voelde direct pijn aan zijn hoofd.

Hij viel op de grond en trok de jongen mee. Hij voelde pijn in zijn zij. Hij heeft de jongen teruggeslagen. Hij weet dat er nog een jongen bij is geweest die hem heeft geschopt en geslagen. Die jongen bemoeide zich er pas mee toen hij weerloos op de grond lag. Hij begreep van vrienden dat het ter hoogte van de ING op de [adres 2] is gebeurd.

Hij heeft van enkele getuigen begrepen dat ze op zijn hoofd hebben staan trappen.

Hij weet er zelf niet meer zoveel vanaf. Hij denkt dat hij even zijn bewustzijn heeft verloren.

De jongens die hem hebben belaagd, hebben het op een rennen gezet. Toen hij opstond zeiden zijn vrienden dat hij een bloedneus had. Hij zag toen bloed langs zijn neus. Hij is naar de [adres 4] gelopen en heeft daar nog xtc gebruikt, daarna is hij in slaap gevallen. Verder heeft hij rode plekken in zijn gelaat en een rode streep op de rechterzijde van zijn gezicht. Hij voelde ook dat zijn hele achterhoofd onder de bulten zat. Hij heeft pijn aan zijn hoofd en is misselijk.

De jongen met het vlindermes was een negroïde persoon, ongeveer 20 jaar oud. Hij droeg een zwarte jas met capuchon.

De jongen die hem in het gezicht sloeg, had blond haar.

De derde jongen, die zich ermee ging bemoeien toen hij op de grond lag, kan hij niet beschrijven.2

Het proces-verbaal van aangifte bevat voorts een verwijzing naar foto 1, welke foto op pag. 140 is gevoegd bij de aangifte: Het proces-verbaal vermeldt: Foto 1: Openstaande wond van ongeveer 3 centimeter.

Op 27 februari 2014 om 15.30 uur heeft [getuige 1] verklaard dat hij die nacht getuige is geweest van een incident in Boxtel waarbij zijn vriend [slachtoffer 1] betrokken was. Vanaf café [bedrijf 1] zijn ze in de richting van de Hema gelopen. Onderweg kwamen ze drie jongens tegen. [slachtoffer 1] werd aangesproken door een jongen. Jongen 1 was een buitenlandse jongen met een halfbloed Afrikaans uiterlijk.

Jongen 1 zei ‘wat kijk je nou’ en ‘ken ik jou ergens van’. Jongen 1 gaf [slachtoffer 1] een klap met de platte hand. Jongen 1 pakte een mes uit zijn linkerzak. Jongen 2 was op een herenfiets. Hij zei, ‘pas maar op, hij maakt je kapot’. Hij zag jongen 2 van zijn fiets springen en zag dat hij [slachtoffer 1] tegen de grond sloeg. Hierop kwam jongen 3 er bij en hij zag dat jongen 2 en 3 [slachtoffer 1] aan het schoppen en slaan waren. Hij zag dat hij zich verweerde door zijn handen op zijn hoofd te houden. Hij zag dat de drie jongens weggerend zijn. Hij zag bloed op het achterhoofd van [slachtoffer 1] zitten.3

Op 25 maart 2014 heeft [getuige 2] verklaard dat hij in de nacht van 27 februari 2014 rond 02.15 uur vanuit café [bedrijf 2] aan de [adres 2] te Boxtel naar buiten keek. Buiten zag hij een jongen op de grond liggen, die werd door drie jongens geschopt. Een jongen had een petje op. Hij kon duidelijk zien dat die jongen tegen het hoofd van het slachtoffer schopte. Hij zag dat de jongen met het petje samen met [medeverdachte 1] wegliep. Hij zag de derde jongen op een fiets stappen.

Het slachtoffer probeerde alleen met zijn handen zijn hoofd te beschermen. Hij zag daarna dat het slachtoffer wat bloed in zijn gezicht had. De jongens die het slachtoffer sloegen, waren [medeverdachte 1], een jongen die hij via Facebook herkende als [verdachte] en een donkere jongen van wie hij geen naam heeft. Die donkere jongen had een negroïde uiterlijk en droeg een baseball cap.4

[getuige 3] heeft op 28 februari 2014 bij de politie verklaard dat zij in de nacht van 26 februari 2014 op 27 januari (de rechtbank leest hier: februari 2014, gelet op de inhoud van het dossier) in café [bedrijf 2] in de [adres 2] te Boxtel was. Zij hoorde buiten herrie en ging kijken. Zij zag dat een jongen op de grond lag. Zij zag dat deze jongen in het gezicht werd getrapt door een negroïde jongen. Er stonden nog twee Nederlandse jongens om de jongen die op de grond lag. De blanke jongens herkende zij als [medeverdachte 1] en vermoedelijk [verdachte]. De negroïde jongen had een witte baseball pet op.5

Op 25 maart 2014 heeft [getuige 4] verklaard dat zij op 27 februari 2014 omstreeks 02.30 uur drie jongens zag in Boxtel. Eén donkere en twee blanke jongens. Ze zag dat de blanke jongens op [slachtoffer 1] stonden in te slaan. Ze zag dat ze hem, toen hij op de grond lag, met veel kracht schopten.6

Van de vechtpartij zijn camerabeelden. Deze beelden zijn bekeken door [verbalisant 1]. De verbalisant relateert dat zij heeft waargenomen dat er één jongen achterwaarts liep, het latere slachtoffer. Het slachtoffer werd geschopt door de personen 1, 2 en 3. Persoon 1 bleef wijzen naar het slachtoffer toen hij achterwaarts liep. Persoon 2 was op de fiets. Persoon 2 sprong van zijn fiets en rende naar het slachtoffer. Persoon 2 maakte veelvuldig slaande bewegingen naar het slachtoffer. Persoon 1 kwam ineens aanrennen en maakte een voorwaartse trap richting het slachtoffer dat al in gevecht was met persoon 2. Hierna kwam persoon 3 erbij. Alle drie maakten slaande en schoppende bewegingen richting het slachtoffer. Het slachtoffer werd op de grond gegooid door personen 1 en 2. Personen 1 en 3 liepen om het slachtoffer heen. Persoon 1 maakte drie keer een onderhandse stekende beweging richting het slachtoffer, die op dat moment op de grond lag. Terwijl persoon 1 dit deed, bleven personen 2 en 3 slaande bewegingen maken naar het slachtoffer.

Persoon 1 rende naar persoon 2 en het slachtoffer en schopte diverse keren tegen het slachtoffer aan. Persoon 1 maakte verticale trapbewegingen richting het hoofd van het

slachtoffer. Persoon 1 trapte vervolgens diverse keren in de zij van het slachtoffer, toen het slachtoffer op zijn buik op de grond lag. Persoon 2 lag op het slachtoffer en het slachtoffer kon geen kant op.

Persoon 3 kwam intussen weer bij de personen 1 en 2 en het slachtoffer en maakte ook trappende bewegingen richting het slachtoffer.7 De rechtbank heeft deze camerabeelden tijdens het onderzoek ter terechtzitting getoond.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 3 november 2014 verklaard dat hij betrokken is geweest bij de vechtpartij. Hij is degene die op de camerabeelden van de fiets af stapte. Hij heeft het slachtoffer een klap gegeven en was met hem aan het worstelen op de grond. Het klopt dat het slachtoffer werd geslagen en geschopt, onder andere toen hij aan het worstelen was met het slachtoffer. Hij heeft tijdens het worstelen gezien dat anderen zich ermee bemoeiden. Het klopt wel dat op de beelden is te zien dat hij het slachtoffer nog een klap na gaf toen hij weggetrokken werd.8

Verdachte heeft op 24 april 2014 bij de politie verklaard dat hij betrokken is geweest bij de vechtpartij. De jongen en hij vielen op de grond en ze eindigden in een worstelpartij. Hij zag in zijn ooghoeken dat [medeverdachte 1] (rechtbank: [medeverdachte 1]) en [medeverdachte 2] (rechtbank: [medeverdachte 2]) ook op hem insloegen en inschopten. . Hij zelf wilde de eerste klap uitdelen, maar miste; toen zijn ze op de grond gevallen. Het slachtoffer en hij hadden elkaars armen vast waardoor het slachtoffer zich verder niet kon verdedigen tegen wat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] deden.9

[medeverdachte 1] heeft op 24 april 2014 bij de politie verklaard dat hij met twee vrienden betrokken is geweest bij een vechtpartij ergens op de [adres 2].

Een van zijn vrienden liep in de richting van een groep. Hij zag dat deze vriend met een ander op de grond terecht kwam. Hij is naar hun toegelopen en heeft de jongen van de andere groep twee maal in zijn gezicht geschopt met de binnenkant van zijn voet. Hij droeg op dat moment Nike gympen. Hij schopte wel redelijk hard.10

[medeverdachte 2] heeft op 24 april 2014 bij de politie verklaard dat de verdachte een klap kreeg van de jongen (rechtbank: aangever [slachtoffer 1]) en dat ze (rechtbank: kennelijk bedoelt [medeverdachte 2] zichzelf en [medeverdachte 1]) toen verdachte zijn gaan helpen. Daarbij is geslagen, gestompt en het kan zijn dat het slachtoffer ook op het hoofd en het lichaam is getrapt.11

De afbeeldingen van de verdachten, gevoegd bij de ID-staten van de drie aangehouden verdachten, geven weer dat verdachte [medeverdachte 2] een donkere/negroïde huidskleur heeft en beide medeverdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] een blanke huidskleur hebben.12

De overwegingen ten aanzien van feit 1.

De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de hiervoor genoemde getuigenverklaringen en zal deze dan ook gebruiken voor het bewijs.

Gelet op de bevindingen van de verbalisant omtrent de camerabeelden als hiervoor -voor zover relevant- weergegeven en gelet op de inhoud van de overige hiervoor opgesomde bewijsmiddelen, waaronder met name verdachtes verklaring ter terechtzitting, concludeert de rechtbank dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte ‘persoon 2’ betrof op de camerabeelden.

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] heeft deelgenomen aan een vechtpartij, waarbij het slachtoffer [slachtoffer 1] is geschopt en geslagen tegen het hoofd en tegen het lichaam, waaronder de zij. [medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij het slachtoffer twee keer redelijk hard met geschoeide voet tegen zijn gezicht heeft geschopt. Getuige [getuige 5], die de rechtbank beschouwt als een onafhankelijke getuige, heeft verklaard dat hij alle drie de jongens heeft zien schoppen. Voorts heeft hij gezien dat een van de jongens het slachtoffer tegen het hoofd heeft geschopt.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte niet alleen een klap heeft gegeven aan het begin van het gevecht en mede ervoor heeft gezorgd dat het slachtoffer op de grond terecht kwam, maar ook daarna een aandeel had en doelbewust heeft deelgenomen aan de ernstige geweldshandelingen. Immers, op het moment dat de medeverdachten het slachtoffer schopten en sloegen heeft verdachte het slachtoffer op de grond vastgehouden, waardoor het slachtoffer niet weg kon en zich ook niet kon verdedigen. Verdachte heeft zich aldus op geen enkel moment en op geen enkele wijze gedistantieerd van zijn medeverdachten of een poging daartoe ondernomen, terwijl door zijn medeverdachten zichtbaar geweld tegen het slachtoffer werd toegepast. De rechtbank is van oordeel dat er sprake was van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de twee medeverdachten dat gesproken moet worden van medeplegen van het geweld, bestaande in het schoppen en slaan.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte bij het plegen van deze gezamenlijke geweldshandelingen het opzet -al dan niet in voorwaardelijke zin- op de dood van het slachtoffer heeft gehad. De rechtbank kan op grond van het dossier niet vaststellen met welke kracht is geschopt en op welke plaatsen van het gezicht en/of hoofd en/of lichaam het slachtoffer precies is geraakt. Noch uit de getuigenverklaringen, noch uit het letsel van het slachtoffer kan dit worden afgeleid. De rechtbank heeft onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat met zodanige kracht en op zodanige wijze tegen het hoofd en/of het lichaam van het slachtoffer is geschopt en/of geslagen dat er een aanmerkelijke kans was dat het slachtoffer daardoor dodelijk letsel zou oplopen.

Met betrekking tot het eerste gedeelte van het onder 1 primair ten laste gelegde zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken van de poging tot doodslag

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, door samen met de medeverdachten tegen het hoofd te schoppen, wel op zijn minst het voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg

-zoals hier zwaar lichamelijk letsel- is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat in ieder geval met enige kracht tegen het hoofd van het slachtoffer is geschopt.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar deel van het lichaam is en de kans dat het meermalen met kracht schoppen tegen het hoofd zal leiden tot ernstig letsel, is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. Door te handelen als hiervoor omschreven hebben verdachte en zijn medeverdachten die aanmerkelijke kans aanvaard. Het overige geweld dat door de groep van verdachte is gepleegd tegen het slachtoffer, heeft aan die kans alleen maar bijgedragen.

De rechtbank acht derhalve het primair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] wettig en overtuigend bewezen.

De bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2.

Diezelfde nacht, kort vóór de hiervoor vermelde vechtpartij, heeft nog een andere vechtpartij plaatsgevonden.

Op 17 april 2014 deed [slachtoffer 2] aangifte. Hij heeft verklaard dat

hij op 27 februari 2014 tussen 01.45 uur en 03.00 uur met onder meer [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] in Boxtel in de straat liep waar de Hema en het Kruidvat zitten.

Er zaten drie jongens op een bankje. Er werd iets geroepen door een jongen, waarop [slachtoffer 2] reageerde. [slachtoffer 2] kreeg meteen een klap van hem met een vuist recht op zijn gezicht. Vervolgens sloeg de jongen [slachtoffer 2] nog een keer en probeerde hij [slachtoffer 2] op de grond te duwen. Toen dat niet lukte, gingen de twee andere jongens die jongen helpen en zij probeerden [slachtoffer 2] op de grond te krijgen. Toen [slachtoffer 2] op de grond lag, hebben ze hem met zijn drieën getrapt en geslagen. Ze stonden met drieën om [slachtoffer 2] heen. Ze hebben [slachtoffer 2] getrapt tegen zijn hoofd en tegen zijn lichaam. De ene jongen zat op de fiets toen hij [slachtoffer 2] trapte. [slachtoffer 2] heeft geprobeerd zich te beschermen door zijn handen voor zijn hoofd te slaan. [slachtoffer 4] heeft geprobeerd de donkere jongen weg te trekken en geroepen dat zij moesten stoppen. Bij [slachtoffer 2] kwam een dag later een blauw oog. [slachtoffer 2] had de dag daarna veel last van zijn ribben en heeft daar zes weken last van gehad.

De jongen die begon met slaan was een donkere jongen, een neger met een witte pet op.

De andere twee jongens waren Nederlandse jongens. Een daarvan was op de fiets.13

[slachtoffer 3] heeft op 22 april 2014 verklaard dat hij op 27 februari 2014 tussen 01.45 uur en 03.00 uur met [slachtoffer 2] en enkele anderen in Boxtel was en daar drie jongens zag staan. De jongens riepen scheldwoorden.

[slachtoffer 2] lag op de grond met om hem heen de drie jongens. De rest van hun groep waren bezig om die drie jongens van [slachtoffer 2] af te trekken. De jongens zijn gestopt. [slachtoffer 2] had in ieder geval een blauw oog en een dik jukbeen.14

[slachtoffer 4] heeft op 22 april 2014 verklaard dat zij met onder anderen [slachtoffer 2] onderweg naar huis was op 27 februari 2014 te Boxtel, toen [slachtoffer 2] werd aangesproken. Toen [slachtoffer 2] zich omdraaide, begonnen ze op hem in te slaan. Op een gegeven moment lag [slachtoffer 2] op de grond. Zij is er heen gegaan

Ze weet dat toen [slachtoffer 2] op de grond lag, hij op zijn hoofd is geraakt en ook op zijn oog. Ze waren op hem aan het in schoppen. Er werd hard geschopt.15

[getuige 6] heeft op 27 maart 2014 bij de politie verklaard dat hij op 27 februari 2014 ‘s nachts de Hema te Boxtel was gepasseerd. Hij zag drie jongens staan. Twee blanke jongens en een donkere jongen. De donkere jongen riep iets naar de groep voor hem. De jongen uit de groep, een erg alternatief geklede jongen, zei ook iets. Uit het niets sloeg die donkere jongen die alternatieve jongen heel hard op zijn kaak. Hij kon dat goed zien. Hij zag dat die zelfde jongen door de donkere jongen en die twee blanke jongens werd getrapt en geslagen.16

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bij het onder 2 ten laste gelegde feit was betrokken. Hij heeft het slachtoffer een keer geslagen. Er is door een ander een trap tegen het lichaam van het slachtoffer gegeven.17

Op 24 april 2014 heeft [medeverdachte 1] bij de politie verklaard dat er ter hoogte van de ING nog een vechtpartij is geweest. Daarbij waren ze ook met zijn drieën betrokken. Daarbij zijn enkele rake klappen gevallen.18

Overwegingen ten aanzien van feit 2.

Ook ten aanzien van de hiervoor vermelde getuigenverklaringen over feit 2 ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van die verklaringen. De rechtbank zal deze verklaringen dan ook gebruiken voor het bewijs. Dat deze verklaringen pas geruime tijd na het incident zijn afgelegd, doet in casu niet af aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen, te meer nu de verklaringen consistent zijn en op hoofdlijnen en ook in relevante details voldoende met elkaar overeen komen.

Op grond van de hiervoor vermelde verklaringen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] [slachtoffer 2] opzettelijk heeft geslagen en met geschoeide voet heeft geschopt en/of getrapt tegen het hoofd en/of het lichaam.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte bij het plegen van deze gezamenljike geweldshandelingen het opzet -al dan niet in voorwaardelijke zin- op de dood van het slachtoffer heeft gehad. De rechtbank kan op grond van het dossier niet vaststellen met welke kracht is geschopt en geslagen en op welke plekken van het hoofd en/of het lichaam het slachtoffer is geraakt. De rechtbank heeft met name ook onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat met zodanige kracht en op zodanige wijze tegen het hoofd en/of het lichaam is geschopt dat er een aanmerkelijke kans was dat het slachtoffer daardoor dodelijk letsel zou oplopen.. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, met name door het tezamen en in vereniging met de medeverdachten schoppen tegen het hoofd van een op de grond liggend slachtoffer, wel het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel gehad.

Immers, door het schoppen tegen het hoofd, waarvan algemeen bekend is dat het een kwetsbaar onderdeel van het lichaam is, hebben verdachte en de medeverdachten welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer aan zijn hoofd ernstig letsel zou oplopen. Ook hier heeft het overige geweld dat door de groep van verdachte is gepleegd tegen het slachtoffer, aan die kans alleen maar bijgedragen.

De rechtbank concludeert derhalve tot bewezenverklaring van het medeplegen van poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2].

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1. primair

op 27 februari 2014 te Boxtel tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachten voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- met geschoeide voet tegen het hoofd en lichaam van [slachtoffer 1] heeft geschopt en/of getrapt en

- met gebalde vuisten tegen het hoofd en lichaam van [slachtoffer 1] heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. primair

op 27 februari 2014 te Boxtel tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachten voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet

- met geschoeide voet tegen het hoofd en lichaam van [slachtoffer 2] heeft geschopt en/of getrapt en

- met gebalde vuisten tegen het hoofd en lichaam van [slachtoffer 2] heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van feit 3:

- vrijspraak.

Ten aanzien van de feiten 1 primair en 2 primair:

  • -

    een taakstraf van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest;

  • -

    een gevangenisstraf van 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Bij haar eis heeft de officier van justitie ten nadele van verdachte rekening gehouden met de volgende feiten en omstandigheden. Het zijn ernstige feiten, waarbij verdachte zich op geen enkel moment heeft afgevraagd waar hij mee bezig was.

Ten gunste van verdachte heeft de officier van justitie rekening gehouden met het feit dat verdachte een blanco strafblad heeft. Het aandeel van verdachte in het totale geweld tegen de slachtoffers was kleiner dan dat van de medeverdachten. Verdachte heeft zijn leven behoorlijk op orde en het recidiverisico wordt als laag ingeschat. De officier van justitie vindt het van belang dat verdachte zijn baan behoudt en vindt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet meer op zijn plaats.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte vindt bij een bewezenverklaring de geëiste straf niet passend. De raadsman heeft verzocht het aantal uren taakstraf en de voorwaardelijke gevangenisstraf te matigen. Hij heeft verzocht er rekening mee te houden dat verdachte zes dagen per week werkt.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in een nacht tweemaal kort na elkaar schuldig gemaakt aan vechtpartijen op straat, waarvan twee willekeurige voorbijgangers slachtoffer zijn geworden. In beide gevallen werd het slachtoffer zonder enige aanleiding vanuit het groepje van verdachte aangesproken en uitgedaagd, waarna verdachte en zijn medeverdachten bewust de confrontatie aangingen en gezamenlijk grof geweld gebruikten tegen de slachtoffers.

Beide slachtoffers werden geslagen en terwijl zij op de grond lagen, met geschoeide voet tegen het hoofd en het lichaam geschopt.

Verdachte is er niet voor teruggeschrokken om gezamenlijk grof geweld te gebruiken en heeft zich niet bekommerd om de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. De rechtbank rekent dat verdachte zwaar aan.

Slachtoffers van dergelijk geweld ondervinden vaak nog jarenlang last van angstgevoelens en velen van hen ondervinden in hun dagelijks leven langdurig hinder van de herinnering aan wat hen is overkomen.

Delicten als de onderhavige veroorzaken bovendien gevoelens van angst en onveiligheid bij anderen, zoals getuigen, en dergelijk zinloos geweld op straat leidt ook tot een toename van gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij als geheel.

Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats.

Er zijn echter omstandigheden die ertoe leiden dat de rechtbank een andersoortige straf zal opleggen.

De rechtbank constateert dat de voorlopige hechtenis in een vroeg stadium is geschorst.

Verdachte heeft een blanco strafblad en uit het voorlichtingsrapport van de reclassering blijkt niet van aanwijzingen voor structurele problemen op het gebied van agressie of alcoholmisbruik. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte vast werk heeft en een vervolgopleiding gaat volgen. Uit het reclasseringsrapport blijkt ook dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat.

De rechtbank acht het van belang dat verdachte zijn werk behoudt, zowel voor de toekomst van verdachte als ter voorkoming van recidive.

Gelet op de hiervoor vermelde omstandigheden zal de rechtbank aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

Alles overwegend acht de rechtbank een maximale taakstraf passend en geboden.

Daarnaast acht de rechtbank, gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten en als stok achter de deur ter voorkoming van recidive, een forse voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd op zijn plaats.

Hoewel de rechtbank ten aanzien van feit 1 primair niet de poging tot doodslag zoals door de officier van justitie gevorderd, maar de poging tot zware mishandeling bewezen acht, en daardoor feitelijk komt tot een andersluidende (impliciet subsidiaire) bewezenverklaring, acht de rechtbank een straf als gevorderd door de officier van justitie ook bij het bewezen verklaarde een alleszins passende reactie.

De rechtbank zal de voorlopige hechtenis die reeds is geschorst, opheffen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 45, 47, 57, 302.

DE UITSPRAAK

T.a.v. feit 3:

Vrijspraak

Verklaart het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair:

medeplegen van poging tot zware mishandeling.

T.a.v. feit 2 primair:

medeplegen van poging tot zware mishandeling.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

T.a.v. feit 1 primair, feit 2 primair:

Taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek

overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank waardeert een in verzekering en in voorlopige hechtenis

doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.

T.a.v. feit 1 primair, feit 2 primair:

Gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van

2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de

proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met

ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 25 april 2014 reeds

geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. Lammers, voorzitter,

mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. E. Sikkema, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 17 november 2014.

Mr. Sikkema en de griffier zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, districtelijke Opsporing Meierij, met onderzoeksnummer 21mei14020, afgesloten op 2 mei 2014, aantal pag: 253.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] pag. 238-139

3 Proces-verbaal verhoor [getuige 1], pag. 165-166

4 Proces-verbaal verhoor van [getuige 2], pag. 181-182

5 Proces-verbaal verhoor van [getuige 3] pag. 167

6 Proces-verbaal verhoor van [getuige 4], pag. 174-175

7 Proces-verbaal bevindingen pag. 146-147

8 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 3 november 2014

9 Proces-verbaal verhoor [verdachte] pag. 134

10 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] pag. 105

11 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 2] pag. 52-53

12 ID-staat [medeverdachte 2] p. 15, ID-staat verdachte [verdachte] p. 107, ID-staat [medeverdachte 1] p, 61

13 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 2], pag. 191-192

14 Proces-verbaal verhoor [slachtoffer 3] pag. 194-195

15 Proces-verbaal verhoor [slachtoffer 4] pag. 197-198

16 Proces-verbaal verhoor [getuige 6], pag. 188

17 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 3 november 2014

18 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 1] d.d. 24 april 2014, pag. 104