Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:6893

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
18-11-2014
Datum publicatie
18-11-2014
Zaaknummer
01/879966-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft, onder bedreiging van personeelsleden met een mes, een winkel in Oss overvallen. Daarvoor wordt hij veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/879966-14

Datum uitspraak: 18 november 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1972],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 november 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 oktober 2014

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 17 juli 2014 te Oss tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit de/een winkel van [bedrijf 1] (gelegen aan de [adres 2]) een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijf 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], medewerk(st)er(s) bij genoemd winkelbedrijf, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,verdachte, genoemde winkel

is binnengegaan met een (motor)helm op zijn hoofd en/of naar genoemde [slachtoffer 1] is gelopen met in zijn hand, zichtbaar voor die [slachtoffer 1], een (keuken)mes en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] heeft vastgegrepen, althans vastgepakt, en/of tegen haar heeft gezegd: "Meekomen nu. De kassa moet open gemaakt worden.", althans woorden van dergelijke aard en/of strekking, en/of die [slachtoffer 1] heeft meegetrokken naar de kassa's in genoemde winkel en/of (vervolgens) voormeld mes op voornoemde [slachtoffer 2] heeft gericht en/of gericht gehouden en/of tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd:"Kassa's open maken nu." en/of "Opschieten, opschieten, opschieten", althans (telkens) woorden van dergelijke aard en/of strekking, en/of tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd: "Je moet niet achter mij aan lopen, want dan zou er iets kunnen gebeuren", althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Bron.

 Een eindproces-verbaal van de politie-eenheid Oost-Brabant, Districtelijke Opsporing Maasland, met onderzoeksnummer 21MAA14018-JAW, afgesloten op 15 september 2014, in totaal 144 doorgenummerde bladzijden (in de bewijsbijlage te noemen: eindproces-verbaal 01/879966-14).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft primair bewijsuitsluiting van de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] bepleit. Daartoe is kort gezegd onder meer het volgende aangevoerd.

Niet alleen heeft [getuige 1], gezien zijn verhouding met verdachte, een motief om nadelig over verdachte te verklaren, hij heeft tevens verklaard dat als hij wist dat zijn verklaring niet anoniem zou zijn, hij deze nimmer zou hebben afgelegd. In die zin heeft [getuige 1] zijn verklaring niet in vrijheid afgelegd. Hij heeft de politie ook medegedeeld dat hij geen verklaring wilde afleggen en om die reden had hij als getuige bij de rechter-commissaris gehoord moeten worden. Verder heeft [getuige 1] een kennelijk leugenachtige verklaring afgelegd, omdat hij geheel tegenstrijdig heeft verklaard aan getuige [getuige 2], die – in tegenstelling tot [getuige 1] – wel met verdachte over de overval zou hebben gesproken. Een dergelijk kennelijk leugenachtige getuigenverklaring mag niet als wettig bewijsmiddel worden gebruikt.

Voorts is in het proces-verbaal van bevindingen noch in het proces-verbaal van verhoor aan getuige [getuige 2] medegedeeld dat zij zich op grond van de wet kon verschonen van het beantwoorden van vragen van verbalisanten over verdachte, haar broer. Niet is gebleken dat de getuige bekend was met het bestaan van een verschoningsrecht en de wijze waarop dat recht in de praktijk werkt. Omdat het bewijs tegen verdachte in beslissende mate berust op de verklaring van getuige [getuige 2], is er sprake van een vormverzuim van dusdanige ernst, dat een schending van de algemene beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging aan de orde is, waardoor tevens het recht van verdachte op een eerlijk proces is geschonden. Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering dat bewijsuitsluiting rechtvaardigt.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsuitsluiting?

Ten aanzien van het verweer van de raadsvrouwe met betrekking tot bewijsuitsluiting overweegt de rechtbank als volgt.

Toen getuige [getuige 1] op 5 augustus 2014 door verbalisant [verbalisant 1] werd gebeld met de vraag of de moeder of zus van verdachte voor de hond van verdachte zou kunnen zorgen, heeft hij verklaard dat verdachte geen contact meer had met zijn moeder, omdat hij na het plegen van de overval bij zijn moeder aankwam met zakken geld. [getuige 1] heeft weliswaar tijdens genoemd telefoongesprek verklaard dat hij niet met naam genoemd wilde worden en geen verklaring wilde afleggen, maar op 6 augustus 2014 is hij alsnog in persoon als getuige gehoord. Uit de inhoud van de deze verklaring volgt allerminst dat [getuige 1] zijn verklaring niet in vrijheid heeft kunnen afleggen, zodat deze verklaring voor het bewijs kan worden gebezigd. Het enkele feit dat [getuige 1] op enkele onderdelen anders heeft verklaard dan getuige [getuige 2], leidt niet tot een ander oordeel. In dit kader overweegt de rechtbank nog in het bijzonder dat het dossier geen objectief vastgestelde feiten en omstandigheden bevat waaruit kan blijken dat de verklaring van [getuige 1] leugenachtig is.

De rechtbank ziet voorts geen reden tot het door de raadsvrouw bepleite uitsluiten voor het bewijs van de verklaring van [getuige 2]. Vastgesteld wordt dat geen rechtsregel verplicht tot het, door de politie uitdrukkelijk wijzen van getuigen op de onder omstandigheden bestaande mogelijkheid zich te verschonen van het beantwoorden van bepaalde aan hen gestelde vragen (Hoge Raad 30 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7091). Naar het oordeel van de rechtbank kan derhalve niet worden gesproken van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Ook de verklaring van getuige [getuige 2] kan aldus voor het bewijs worden gebruikt.

Het verweer van de raadsvrouwe wordt mitsdien verworpen.

Bewijsoverweging.

Omwille van de leesbaarheid van deze overweging, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de gehele uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bijlage A (pagina’s 12 tot en met 14) bij dit vonnis.

Verdachte heeft zijn betrokkenheid bij de hem ten laste gelegde gewapende overval op de [bedrijf 1] op 17 juli 2014 te Oss ontkend. De rechtbank acht echter genoegzaam bewezen dat verdachte de dader van deze overval is geweest. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de overvaller in de [bedrijf 1] een zwartkleurige integraalhelm droeg. Volgens aangeefster [slachtoffer 1] en getuige [getuige 3] zaten op die helm (fel)groene en/of gele strepen. Volgens [getuige 3] konden het ook vlammen zijn geweest. [slachtoffer 2] heeft verder verklaard dat hij buiten bij de [bedrijf 1] een zwarte bromfiets/scooter zag staan met een geel verzekeringsplaatje [kenteken] en dat hij van vijf van de zes letters/cijfers bijna zeker was, maar niet geheel van de volgorde.

Bij een doorzoeking in het kader van een ander politieonderzoek van de garagebox/opslagruimte van de flatwoning van verdachte op 9 juli 2014, werden een zwarte bromfiets van het merk Kymco met een gele kentekenplaat [kenteken] en een zwarte integraalhelm, voorzien van een opvallend soort vlammen/bliksemschichten die felgroen van kleur waren, aangetroffen. Genoemde bromfiets stond op naam van verdachte.

De rechtbank stelt vast dat het kenteken van de bromfiets van verdachte voor wat betreft de cijfer- en lettercombinatie vrijwel geheel overeenkomt met het kenteken van de bromfiets dat aangever [slachtoffer 2] heeft genoemd en welke bromfiets hij buiten bij de [bedrijf 1] had zien staan.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat een sleutel van zijn schuur is verdwenen en dat daardoor ook andere personen dan hij in zijn schuur kunnen komen. Het is daarom mogelijk dat een ander met zijn brommer en de helm de overval heeft gepleegd. De rechtbank stelt op grond van de processen-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4] vast dat verdachte ook op 23 juli 2014 en 25 juli 2014, dus ruim een week na de overval, van zijn bromfiets gebruik heeft gemaakt. De verklaring van verdachte, die de rechtbank aldus begrijpt dat een (onbekende) derde de bromfiets van verdachte uit zijn schuur zou hebben gehaald, daarna met behulp daarvan de overval zou hebben gepleegd en vervolgens de bromfiets terug in de schuur van verdachte zou hebben gezet, acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk.

Aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben verklaard dat er onder de helm van de overvaller een klein stukje blond haar uitkwam. Het door hen opgegeven signalement van de dader voor wat betreft de haardracht komt overeen met het signalement van verdachte zoals dit was opgenomen in de politiesystemen. Daarbij heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij altijd blond haar heeft gehad. Bij de rechter-commissaris heeft verdachte verklaard dat hij op 30 juli 2014 zijn hoofd heeft kaalgeschoren. Bij genoemde doorzoeking van de woning van verdachte in het kader van de onderhavige zaak is een plastic tas gevonden met daarin afgeschoren haren. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders zijn dan dat verdachte zijn haren heeft afgeschoren om herkenning te voorkomen, temeer nu verdachte ter terechtzitting geen antwoord heeft kunnen of willen geven op de vraag van de rechtbank waarom hij zijn haar thuis had afgeknipt.

Volgens aangever [slachtoffer 2] had de dader van de overval zowel kleingeld als bankbiljetten weggenomen. Getuige [getuige 2], de zus van verdachte, heeft verklaard dat verdachte op die donderdagavond (de rechtbank begrijpt: donderdagavond 17 juli 2014) de beschikking had over een plastic zakje met muntgeld en bankbiljetten. Verdachte heeft dat geld vervolgens in de woning van de getuige geteld en gesorteerd. Deze verklaring wordt op deze punten ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 1], de vriend van de zus van verdachte. Verdachte zelf heeft niet betwist dat hij die bewuste avond kleingeld en bankbiljetten heeft geteld. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook vast komen te staan dat verdachte op de avond van 17 juli 2014 beschikte over kleingeld en bankbiljetten. Volgens verdachte ter terechtzitting had hij het kleingeld en de bankbiljetten, waarover hij die avond beschikte, verdiend in een homobos. Ter zitting heeft verdachte op nadere vragen van de zijde van de rechtbank geweigerd op dit punt een nadere verklaring af te leggen. De rechtbank acht deze enkele verklaring van verdachte die doelt op een alternatief scenario met betrekking tot de herkomst van het geld, onvoldoende onderbouwd en daarmee onaannemelijk. Anders dan de raadsvrouwe heeft aangevoerd overweegt de rechtbank dat verdachte over de herkomst van het geld eerst ter terechtzitting heeft verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de volgende zinsnede uit de politieverklaring van verdachte van 9 september 2014 “Al heb ik mijzelf in mijn kont laten neuken bij de Geffenseplas. Voor de huur doe ik daar alles voor” niet dat verdachte reeds toen heeft verklaard dat het geld waarover hij beschikte afkomstig was van – naar de rechtbank begrijpt – door hem verrichte seksuele diensten in een homobos.

De rechtbank zal verdachte bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs vrijspreken van het deel van de tenlastelegging dat betrekking heeft op het medeplegen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 17 juli 2014 te Oss met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een winkel van [bedrijf 1] (gelegen aan de [adres 2]) een hoeveelheid geld, toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijf 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], medewerkers bij genoemd winkelbedrijf, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, genoemde winkel is binnengegaan met een (motor)helm op zijn hoofd en naar genoemde [slachtoffer 1] is gelopen met in zijn hand, zichtbaar voor die [slachtoffer 1], een (keuken)mes en vervolgens die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt, en tegen haar heeft gezegd: "Meekomen nu. De kassa moet open gemaakt worden." en die [slachtoffer 1] heeft meegetrokken naar de kassa's in genoemde winkel en vervolgens voormeld mes op voornoemde [slachtoffer 2] heeft gericht en gericht gehouden en tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd: "Kassa's open maken nu." en "Opschieten, opschieten, opschieten" en tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd: "Je moet niet achter mij aan lopen, want dan zou er iets kunnen gebeuren".

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

De motivering van de beslissing.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met de bijzondere voorwaarden zoals door de Reclassering Nederland in haar adviesrapport van 17 oktober 2014 (subsidiair) zijn geadviseerd, waaronder reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt meewerken van verdachte aan begeleiding door Bemoeizorg van Novadic-Kentron.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft aangevoerd dat, voor zover de rechtbank op grond van genoemde vormverzuimen niet reeds tot bewijsuitsluiting is overgegaan, deze verzuimen dienen te worden verdisconteerd in de strafmaat. Met verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder diens woonsituatie, uitkering en hond, het feit dat hij van 2009 tot 2012 geen strafbare feiten heeft gepleegd en de vaststelling dat verdachte gemotiveerd is voor behandeling en graag wil meewerken aan Bemoeizorg van Novadic-Kentron of een behandeling/opname bij bijvoorbeeld de Grote Beek in Eindhoven, heeft de raadsvrouwe elektronische detentie of een deels voorwaardelijke straf bepleit, zodat aan verdachte de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden kunnen worden opgelegd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 17 juli 2014 in Oss een winkel van de [bedrijf 1] overvallen. Hij is er daarbij niet voor teruggeschrokken om aldaar aanwezige medewerkers te bedreigen met een mes. Ook heeft hij één van hen vastgepakt en meegetrokken naar de kassa’s. Verdachte heeft deze overval louter voor zijn eigen gewin gepleegd en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van de slachtoffers. Het behoeft geen betoog dat dit bewezen verklaarde delict behoort tot een categorie strafbare feiten die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde en gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaken, meer in het bijzonder bij de directe slachtoffers. Slachtoffers van dergelijke feiten lijden vaak langdurig onder de psychische gevolgen van een dergelijke traumatische gebeurtenis. Dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

Op 14 oktober 2014 heeft klinisch psycholoog mw. drs. K. Bertens een psychologisch rapport over verdachte opgemaakt. Uit dat rapport is onder meer het volgende gebleken. Bij verdachte is er sprake van een ziekelijke stoornis, namelijk polymiddelenafhankelijkheid en ADHD. Daarnaast is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, namelijk een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Waarbij er differentiaal diagnostisch ook sprake kan zijn van zwakbegaafdheid. Deze diagnoses waren ook ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig. Nu verdachte het ten laste gelegde feit ontkent, kan de deskundige geen antwoord geven op de vraag of de ziekelijke stoornis en de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens verdachtes gedragskeuzen en gedragingen ten tijde van ten laste gelegde feit aanwezig waren. Hypothetisch kan echter worden aangegeven dat er van de verschillende diagnoses een redelijke mate van beïnvloeding is uitgegaan. In welke mate en hoe deze zich verhoudt ten opzichte van de diverse diagnoses, kan niet worden vastgesteld, omdat verdachte het delict ontkent en niets heeft verteld over zijn functioneren rondom het ten laste gelegde. Er zou sprake zijn van een verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Mede gelet op het verhandelde ter terechtzitting neemt de rechtbank de conclusie van de psycholoog, dat er bij verdachte sprake zou kunnen zijn van een verminderde toerekeningsvatbaarheid, en de gronden waarop die is gebaseerd over.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden. De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf omdat zij van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. De rechtbank ziet, met verwijzing naar haar eerdere motivering met betrekking tot de door de raadsvrouwe gestelde vormverzuimen, geen aanleiding om de aan verdachte op te leggen straf verder te matigen.

Reclassering Nederland heeft zich in haar adviesrapport van 17 oktober 2014 primair onthouden van een strafadvies, omdat verdachte zijn betrokkenheid bij het feit ontkent. Subsidiair heeft zij geadviseerd, in navolging van de psycholoog, om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en reclasseringstoezicht uit te voeren door de verslavingszorg van Novadic-Kentron in samenwerking met de afdeling Bemoeizorg van Novadic-Kentron.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard hulpverlening met beide handen te willen aangrijpen. Uit genoemd adviesrapport van de reclassering volgt echter dat verdachte in het geheel niet gemotiveerd lijkt te zijn om zijn gedrag te veranderen. De enige motivatie voor verdachte is gelegen in het behouden van zijn woonruimte. Naar het oordeel van de rechtbank is dat beeld van verdachte ook ter terechtzitting naar voren gekomen. Gelet op het gebrek aan motivatie van verdachte is de rechtbank, anders dan de officier van justitie en de raadsvrouwe, dan ook van oordeel dat aan verdachte geen (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde reclasseringsbegeleiding dient te worden opgelegd, maar dat hij thans voor het door hem gepleegde feit afgestraft dient te worden door de oplegging van een straf die recht doet aan de ernst daarvan. Indien reclasseringsbegeleiding noodzakelijk wordt geacht door het openbaar ministerie, kan dit worden vorm gegeven in de fase van de voorwaardelijke invrijheidstelling. De rechtbank overweegt nog in het bijzonder dat zij het opleggen van een vrijheidsstraf door middel van elektronische detentie, zoals door de raadsvrouwe voorgesteld, gezien de aard en ernst van het bewezen verklaarde allerminst passend acht.

Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank aan verdachte opleggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

De vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1]

Benadeelde partij [bedrijf 1] voornoemd heeft een civiele vordering ingediend ten bedrage van € 1.146,05 voor materiële schade (te weten de kosten van Directe Opvang en Nazorg).

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering met daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ingevolge artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsvrouwe heeft niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering bepleit, nu de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank constateert dat de raadsvrouwe in haar pleitnota primair afwijzing van de civiele vordering heeft bepleit en subsidiair matiging daarvan.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank acht de gevorderde materiële schadevergoeding voor toewijzing vatbaar. Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze schadepost voldoende causaal verband met de bewezen verklaarde overval.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Motivering ten aanzien van het beslag.

De rechtbank stelt vast dat er thans nog beslag rust op een bromfiets, voorzien van kenteken [kenteken].

De officier van justitie heeft verbeurdverklaring van genoemde bromfiets gevorderd. De raadsvrouwe heeft teruggave daarvan aan verdachte bepleit.

Overwogen wordt het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum volledig te noemen in beslag genomen bromfiets vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat – zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken – het bewezen verklaarde feit met behulp van deze bromfiets is begaan of voorbereid en deze bromfiets ten tijde van het begaan van het feit aan verdachte toebehoorde.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 33, 33a, 36f, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straf:

gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;

beveelt dat de tijd, door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan verdachte opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf;

legt op de volgende bijkomende straf:

verbeurdverklaring van de in beslag genomen bromfiets, voorzien van kenteken [kenteken] (goednummer 21MAA14018_220626);

legt op de volgende maatregel;

maatregel van schadevergoeding van € 1.146,05 subsidiair 21 dagen hechtenis;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf 1] van een bedrag van € 1.146,05 (zegge: duizend honderdzesenveertig euro en vijf eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 dagen hechtenis, voor materiële schade;

bepaalt dat de toepassing van deze vervangende hechtenis de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet opheft;

beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 1], van een bedrag van € 1.146,05 (zegge: duizend honderdzesenveertig euro en vijf eurocent), voor materiële schade;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil;

veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten;

bepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,

mr. J.H.P.G. Wielders en mr. E.W. van den Heuvel, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,

en is uitgesproken op 18 november 2014.

Bijlage A – de bewijsmiddelen (verkort en zakelijk weergegeven).

Eindproces-verbaal 01/879966-14.

Een aangifte van [slachtoffer 2], mede namens [bedrijf 1], van 17 juli 2014, pag. 60-62.

Ik ben als filiaalmanager werkzaam voor [bedrijf 1], gevestigd aan de [adres 2] te Oss. Op 17 juli 2014, omstreeks 17.50-55 uur hoorde ik via de intercom “[slachtoffer 2]kassa”. Ik ben richting de kassa gelopen en heb aan de persoon met een helm die achter de kassa stond bij caissière [slachtoffer 1] gevraagd wat ik voor hem kon doen. Op het moment dat ik dichter bij de kassa voor in de winkel kwam zag ik dat de manspersoon met helm op achter de balie van de kassa vandaan kwam en in mijn richting gelopen kwam. Ik zag dat deze persoon een groot keukenmes, een zogenaamd koksmes (ongeveer 30-35 cm lang met lemmet; het mes had een breed lemmet) naast zich hield. Ik zag dat hij het mes naar voren en naar mij gericht hield. Ik hoorde dat hij zei “kassa’s open maken nu.” Ik heb hierna de kassa geopend. Ik heb eerst de linkerkassa geopend. Hierop heeft de dader het kleingeldgedeelte/lade er uitgehaald en in een tas gestopt die hij zelf bij zich had. Daarna heeft de man het briefgeld uit de kassalade gehaald. De man zei tegen mij: “opschieten, opschieten, opschieten”. Bij de tweede kassa vroeg de dader om een grote tas. Dit heeft hij tweemaal herhaald. Ik heb een plastic tas aan de dader overhandigd. Hierin heeft hij de kleingeldwissellade gedaan. De man is daarna omgelopen om de balie heen in de richting van de buitendeur. Ik ben achter de man aangelopen richting de buitendeur. Ik hoorde dat de man tegen mij zei: “je moet niet achter mij aan lopen, want dan zou er iets kunnen gebeuren.” Ik ben hierop in de deuropening van de winkel blijven staan. Aldaar zag ik aan de linkerzijde van de deuropening een bromfiets staan. Ik zag dat het een zwarte bromfiets/scooter was, voorzien van het gele verzekeringsplaatje [kenteken]. Ik ben vijf van de zes cijfers/letters bijna zeker, echter ik ben niet zeker van de volgorde. Ik heb het idee dat er ongeveer 800-1200 euro is weggenomen. Signalement van de overvaller: de man droeg onder meer een donkere integraalhelm. Aan de achterzijde van de helm, zag ik onder de helm donkerblond haar komen. Dus ik ga er van uit dat het haar in de nek wat langer was. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

Een proces-verbaal verhoor aangeefster [slachtoffer 1], van 17 juli 2014, pag. 65-66.

Op 17 juli 2014, omstreeks 17.50 uur, was ik werkzaam in de [bedrijf 1], gelegen aan de [adres 2] te Oss. Ik zag een man binnen komen lopen. Ik zag dat hij een motorhelm op had. Ik zag dat de man mijn kant op liep met een versneld tempo. Ik zag dat hij een mes vasthad. Het mes dat hij bij zich had leek op een keukenmes; het lemmet was ongeveer 20cm lang. Ik voelde dat hij aan mijn shirt trok. Ik hoorde hem zeggen “Meekomen nu! De kassa moet open gemaakt worden.” Hij trok mij met zich mee naar de kassa. Hij had met zijn linkerhand mijn shirt vast en met zijn rechterhand het mes. Hij trok mij achteruit naar de kassa toe. Hij duwde mij de balieopening in en hij stond bij de ingang van de kassa, zodat ik er niet uit kon. Ik moest iemand roepen die wel de kassa open kon krijgen. Ik zag mijn baas snel aan komen lopen. Ik zag dat de man met de helm het mes de hele tijd vasthad. Ik hoorde de man zeggen “Ik wil geld” of woorden van gelijke strekking. Ik zag dat mijn baas de kassa begon open te maken. Ik stond er nog steeds bij. De man stond nog steeds in de kassaopening. Ik zag dat hij het geld uit de kassa haalde. Hij had een tas bij zich.

Ik kan de man onder meer als volgt omschrijven:

  • -

    er kwam volgens mij een klein stukje haar onder zijn helm uit aan de achterkant;

  • -

    hij had een zwarte motorhelm op; ik zag dat er felgroene strepen op zaten.

Een proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3], van 17 juli 2014, pag. 68-69.

Ik ben medewerkster van de [bedrijf 1] in Oss. Op 17 juli 2014, omstreeks 17.55 uur, hoorde ik mijn collega [slachtoffer 1], die op dat moment achter de kassa stond, door de geluidsinstallatie roepen: ‘[slachtoffer 2] kassa, nu”. Ik zag dat [slachtoffer 1] en de bedrijfsleider achter de kassa stonden. Ik zag een persoon bij de kassa staan die ik niet ken. Ik ben ook naar de kassa gelopen en ik hoorde de voor mij onbekende persoon tegen de bedrijfsleider zeggen: “kassa open, nu”. Ik zag dat de bedrijfsleider kassa 2 open maakte en ik zag dat de onbekende persoon het geld uit de kassa haalde en in een witte stoffen tas stopte. Ik hoorde dat de onbekende persoon tegen de bedrijfsleider zei: “die andere kassa ook”. Ik zag dat de bedrijfsleider kassa 1 open had gemaakt. Ik weet niet meer voor 100% zeker of de onbekende persoon geld uit de lade heeft genomen of dat de bedrijfsleider geld heeft gegeven aan de onbekende persoon.

Beschrijving onbekende persoon (onder meer):

  • -

    hij droeg een integraalhelm, kleur zwart; op de bovenzijde van de helm zaten neonstrepen, kleur groen en geel (dit kunnen ook vlammen zijn; ik bedoel dan dat de strepen van dun naar dik overlopen);

  • -

    hij had in zijn rechterhand een keukenmes.

Een proces-verbaal van bevindingen van 23 juli 2014, opgemaakt en ondertekend door verbalisanten [verbalisant 5] en[verbalisant 6], pag. 80.

Op 9 juli 2014 werd in de garagebox/opslagruimte behorende bij een flatwoning gelegen aan de [adres] te Oss een bromfiets aangetroffen, kleur zwart en voorzien van het gele kenteken [kenteken]. Het ging in deze om een bromfiets van het merk Kymco. Bij navraag bleek deze bromfiets op naam te staan van [verdachte], geboren op [1972] te [geboorteplaats], wonende [adres] te [woonplaats].

Tevens zagen wij dat in deze opslagruimte een zwartkleurige integraalhelm lag. Wij zagen dat deze helm voorzien was van opvallende soort vlammen/bliksemschichten felgroen van kleur.

Een proces-verbaal van bevindingen van 23 juli 2014, opgemaakt en ondertekend door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], pag. 81.

Op 23 juli 2014 zagen wij dat de ons ambtshalve bekende[verdachte] blond/lichtbruin haar had tot net boven de schouder. Op diezelfde dag zagen wij [verdachte] op zijn scooter aan komen rijden uit de richting van de Schaepmanlaan te Oss. Wij zagen dat hij reed op een donkerkleurige scooter met grijze vlakken ertussen. Wij zagen dat het gele kenteken op de achterzijde van de scooter [kenteken] betrof.

Een proces-verbaal van relaas van 15 september 2014, opgemaakt en ondertekend door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 7], pag. 11.

Op 31 juli 2014 vond een doorzoeking van perceel [adres] te Oss plaats.

Tijdens deze doorzoeking bleek dat [verdachte] zijn hoofd had kaalgeschoren en de afgeschoren haren werden in een afvalzak aangetroffen.

Een proces-verbaal van relaas van 15 september 2014, opgemaakt en ondertekend door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 7], pag. 8.

Het signalement van de dader die op 17 juli 2014 in de [bedrijf 1] de feitelijke overval had gepleegd komt voor wat betreft de haardracht, namelijk blond langer haar dat onder de integraalhelm uitkwam, overeen met het signalement van [verdachte], zoals deze is opgenomen in de politiesystemen.

Een proces-verbaal van observatie van 25 juli 2014, opgemaakt en ondertekend door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 4], pag. 88.

Op 25 juli 2014 werd op de Spoorlaan te Oss [verdachte] als bestuurder van een scooter, merk Kymco, kenteken [kenteken], aangetroffen.

Een verklaring van [getuige 2], van 15 augustus 2014, pag. 103-105.

Mijn moeder belde mij op 17 juli 2014 op in het begin van de avond. Ze vertelde mij dat [verdachte] bij haar was aangekomen die dag en dat ze ruzie hadden gekregen over geld. Het ging om geld dat [verdachte] bij zich had. Die donderdagavond [de rechtbank begrijpt: 17 juli 2014] ben ik met mijn vriend [getuige 1] naar de woning van mijn broer [verdachte] gegaan. [verdachte] vertelde dat hij geld had. Ik heb hem toen voorgesteld om het geld dan maar bij mij in de schuur te leggen. [verdachte] is toen met ons in onze auto naar mijn woning aan de[adres 3] te [gemeente] gereden. Mijn vriend [getuige 1] was daar ook bij. Ik zag dat [verdachte] het geld bij zich had in een plastic zakje. [verdachte] heeft toen het geld geteld in onze woning aan de eettafel. [verdachte] heeft het alleen geteld en deed daarbij de bankbiljetten in een zakje en het muntgeld in een ander zakje. Het waren bankbiljetten, volgens mij van 10 en 20 euro. Het boterhammenzakje met muntgeld zat ongeveer half vol. Die vrijdagavond kwam [verdachte] weer bij mij aan de deur voor de schuursleutel. Hij moest weer geld hebben. Ik heb hem de sleutel gegeven en hij is alleen de schuur ingegaan. We hoorden toen vanuit onze woning een heleboel gerommel en gevloek van [verdachte]. [getuige 1] heeft gevraagd wat er aan de hand was. [verdachte] kwam toen kwaad uit de schuur gelopen en vertelde ons dat er iemand in de schuur was geweest en dat er geld weg was. Hij zei dat [naam] had gezegd dat er bankbiljetten van 50 euro bijzaten. Hij bedoelde daarmee dat er bankbiljetten van 50 euro bij het geld moesten zitten dat hij bij ons in het schuurtje verborgen had.

Een verklaring van [getuige 1], van 6 augustus 2014, pag. 94-96.

[verdachte] was eerst met dat gestolen geld bij zijn moeder geweest. Maar die heeft hem eruit geschopt. Toen kwam [verdachte] bij ons met dat geld. [getuige 2] heeft toen gezegd dat er maar één sleutel is van de kelder bij ons. [getuige 2] heeft tegen [verdachte] gezegd verstop het geld daar maar ergens. [verdachte] heeft daar het geld toen neergelegd. Het geld zat in transparante plasticzakken volgens mij; ik kon het geld zien zitten in de zakken. [verdachte] kwam een paar keer per dag geld halen van de buit. Ik heb gehoord dat de buit ongeveer 800 euro was. [verdachte] heeft het geld bij ons aan de tafel geteld. Het waren vooral briefjes in de vorm van 10 euro en 20 euro. Er was ook een zak met muntgeld bij. [verdachte] kwam donderdagavond [de rechtbank begrijpt: 17 juli 2014] bij ons thuis met het geld. Wat mij ook nog opviel was dat [verdachte] na de overval met een andere helm binnen kwam. Een helm met meerdere kleuren.

De verklaring van verdachte afgelegd bij de rechter-commissaris op 1 augustus 2014.

Ik heb eergisteren [de rechtbank begrijpt: 30 juli 2014] mijn hoofd kaalgeschoren.