Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:6841

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
01/845120-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (2x), voor bedreiging met brandstichting en voor diefstal tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek van voorarrest.

Tevens gelast de rechtbank de terbeschikkingstelling van verdachte met bevel tot verpleging voor de duur van 2 jaar voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (2x) en voor bedreiging met brandstichting.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van de overige ten laste gelegde bedreigingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845120-14

Datum uitspraak: 11 november 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1969],

wonende te [adres 1],

thans gedetineerd te: PI Zuid West - De Dordtse Poorten.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 juni 2014, 19 augustus 2014 en van 28 oktober 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 april 2014.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 februari 2014 te Vught [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, doorgeladen

en/of op die [slachtoffer 1] gericht, althans aan die [slachtoffer 1] getoond en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd : "Ik zou maar hard gaan rennen, anders schiet ik je kapot en kom je raar aan je einde", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 19 februari 2014 te Vught met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een krat bier, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3.

hij op of omstreeks 20 februari 2014 te Vught, althans in Nederland, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ten overstaan van

[verbalisant 1], brigadier van Politie Oost-Brabant, de familie van [slachtoffer 3]

[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 3], burgemeester van Vught, heeft bedreigd met enig

misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft

verdachte opzettelijk dreigend op een muur een tekst geschreven inhoudende

"Burgemeester we hopen dat heel jou familie + gezin kapott gaat, behalve jij",

althans een tekst van gelijke aard en/of strekking, van welke

bedreiging(en)/dreigende woorden voornoemde (familie van) [slachtoffer 3] kennis

heeft genomen (door tussenkomst van de politie);

4.

hij op of omstreeks 20 februari 2014 te Vught, althans in Nederland, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [verbalisant 1],

brigadier van Politie Oost-Brabant, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het

leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte

opzettelijk dreigend op een muur een tekst geschreven inhoudende "[verbalisant 1]

[verbalisant 1], we wensen jou een langzame en pijnlijke dood toe" en/of "[verbalisant 1]

burgemeester [slachtoffer 4] zwarte kankerhoer [slachtoffer 5] [slachtoffer 6]

[slachtoffer 6] [slachtoffer 7] [slachtoffer 8] wensen jullie zoveel pijn toe dat

jullie gaan hopen nooit geboren te zijn.. on your grave" (met een daarbij een

afbeelding van een kruis), althans een tekst van gelijke aard en/of strekking;

5.

hij op of omstreeks 19 februari 2014 te Vught, [slachtoffer 1] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling

en/of met brandstichting immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik maak jou en je familie kapot en ik

steek je kiet in de fik", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking;

6.

hij op of omstreeks 19 februari 2014 te Vught, althans in Nederland, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ten overstaan van

[verbalisant 1], brigadier van de politie Oost-Brabant, [slachtoffer 3] en/of

[slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8]

[slachtoffer 8] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met

zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend op een muur

een tekst geschreven inhoudende: "burgemeester [slachtoffer 4]

zwarte kankerhoer [slachtoffer 5] [slachtoffer 6] [slachtoffer 7] [slachtoffer 8]

wensen jullie zoveel pijn toe dat jullie gaan hopen nooit geboren te zijn...

on your grave" (met daarbij een afbeelding van een kruis), althans woorden van

gelijke dreigende aard of strekking, van welke bedreiging(en)/dreigende

woorden voornoemde personen kennis hebben genomen (door tussenkomst van de

politie);

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak ten aanzien van feit 3, feit 4 en feit 6:

[medeverdachte] heeft verklaard dat zij de bedreigende teksten die in de tenlastelegging zijn verwoord, op de muur in de huiskamer van de woning heeft geschreven. Dit zijn de teksten, in rood zichtbaar op de in het dossier opgenomen foto’s (pagina 80-85 van het dossier).

Verder heeft zij verklaard dat verdachte ook teksten op de muur heeft geschreven, maar dat die teksten niet leesbaar zijn. Het betreft de teksten, zichtbaar op de foto (pagina 84 van het dossier), buiten de groene rand. Voorts heeft zij verklaard dat verdachte nog meer op de muur heeft geschreven, maar dat dit niet op de foto’s die in het dossier zijn opgenomen is te zien.

De aard en de strekking van de door verdachte op de muur geschreven tekst is volstrekt onduidelijk gebleven. Hieromtrent is door de politie geen onderzoek ingesteld en bovendien zijn van die teksten geen foto’s gemaakt. Uit niets blijkt dat verdachte opdracht tot het schrijven van de teksten heeft gegeven aan [medeverdachte] dan wel anderszins op enigerlei wijze actief hierbij betrokken is geweest. De verdachte heeft dit ter zitting ontkend.

Op grond van het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat er geen sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking op basis waarvan zou kunnen worden gesproken van het medeplegen van het schrijven van de tenlastegelegde teksten op de muur. Het enkele feit dat verdachte zich niet heeft gedistantieerd van het door [medeverdachte] schrijven van teksten op de muur is onvoldoende om dit te kwalificeren als medeplegen.

Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het hem onder feit 3, feit 4 en feit 6 tenlastegelegde.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Inleiding.1

Op 19 februari 2014 omstreeks 23.00 uur kwam bij de regionale meldkamer de melding binnen dat [slachtoffer 1] door verdachte met een vuurwapen was bedreigd op [adres 2] te Vught. 2

Op 19 februari 2014 omstreeks 23.45 uur kregen verbalisanten het verzoek te gaan naar de achterzijde van de woning van verdachte. Verdachte zou iemand hebben bedreigd met een vuurwapen. Hij was gekleed in een witte jas en was na de bedreiging weggefietst op een fiets met tassen aan de zijkant.

Omstreeks dezelfde tijd kregen verbalisanten, rijdend in de richting van [adres 3] te Vught, het verzoek te gaan naar de [adres 4] te Vught, alwaar meldster de poort had gehoord en dacht dat er iemand op de plaats was geweest.

Omstreeks 23.55 uur reden verbalisanten op [adres 5] in de richting van [adres 3] te Vught. Aldaar zagen zij verdachte op een fiets rijden in de richting van [adres 6], net voorbij de [adres 4]. Verbalisanten zagen dat hij een witte jas met een bontkraag droeg. Verder zagen zij op de pakkendrager van zijn fiets een gele krat bier van het merk Jupiler staan. 3

Bij de aanhouding van verdachte zijn in de jaszak van verdachte een zaklamp, een priem, een schroevendraaier en handschoenen aangetroffen. Deze voorwerpen zijn in beslag genomen. Tevens is in beslag genomen een krat met daarin flesjes bier van het merk Jupiler.4

Op 20 februari 2014 tussen 00.11 uur en 00.15 uur is de woning van verdachte doorzocht op de aanwezigheid van een vuurwapen. Dit is niet aangetroffen. Wel is geconstateerd dat in de huiskamer op de deur en muren diverse bedreigende en beledigende teksten waren geschreven.5

Door een surveillancehond zijn de bosschages in de buurt van [adres 6], waar men verdachte voor het eerst had zien fietsen, doorzocht. Aldaar is geen vuurwapen aangetroffen. 6

Verder hebben verbalisanten in de directe omgeving van [adres 3], [adres 6] en [adres 5] te Vught gezocht naar een vuurwapen. Ook hierbij is geen vuurwapen aangetroffen.7

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht feit 1, feit 2 en feit 5, wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman acht de tenlastegelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen en verzoekt de rechtbank om verdachte vrij te spreken. Hiertoe heeft hij – kort samengevat – aangevoerd:

Ten aanzien van feit 1 en 5: dat de verklaring van aangever [slachtoffer 1] en zijn vriendin [getuige 1] niet consistent zijn en onbetrouwbaar, en dat aangever zijn verhaal heeft aangedikt. Bovendien is er geen vuurwapen aangetroffen.

Ten aanzien van feit 2: dat verdachte weliswaar is aangetroffen met een krat Jupiler bier op zijn fiets in de directe omgeving van de plaats delict, maar dat dit nog niet betekent dat dit de krat bier is die bij aangeefster [slachtoffer 2] is weggenomen. Dit omdat Jupiler, gelet op de grote omzetcijfers, veel gekocht wordt. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij die krat van huis had meegenomen en op weg was naar zijn vriend, die aan het vissen was.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte op 19 februari 2014

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging behoort te worden vrijgesproken. Hiertoe overweegt de rechtbank in het bijzonder dat aangever [slachtoffer 1] weliswaar heeft verklaard te hebben gezien dat verdachte een vuurwapen uit zijn rechter jaszak haalde en hem daarmee bedreigde, maar dat deze verklaring in onvoldoende mate ondersteuning vindt in de verklaring van [getuige 1]. Zij heeft immers verklaard dat zij dacht dat verdachte een pistool uit zijn jas haalde en dit op [slachtoffer 1] richtte, maar dat zij niet 100% zeker was of het een pistool betrof. Bovendien heeft het (met een surveillancehond) zoeken naar een vuurwapen ter plaatse van de gestelde bedreiging en in de omgeving daarvan en op de door verdachte vermoedelijk afgelegde route niets opgeleverd. Evenmin is bij de aanhouding van verdachte in zijn kleding en bij de zoeking in zijn woning een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aangetroffen.

De rechtbank spreekt derhalve verdachte voor dit onderdeel van de tenlastelegging vrij.

Voorover het betreft de woordelijke bedreiging overweegt de rechtbank het navolgende:

Op 19 februari 2014 omstreeks 20.00 uur zag aangever [slachtoffer 1] dat verdachte voor zijn woning stond. Hij hoorde en zag dat verdachte met beide handen hard op de ruit aan de voorzijde van zijn woning sloeg en daarbij riep ‘niet zo’n grote mond jongen ik kom wel terug’, of woorden van gelijke strekking.

Omstreeks 23.00 uur liep hij samen met zijn vriendin [getuige 1] naar het station in Vught. Op de terugweg op [adres 2], ter hoogte van de Gouden Zone, zag hij daar ineens verdachte fietsen. Hij hoorde dat verdachte zei ‘ik zou maar hard gaan rennen, anders schiet ik je kapot en kom je raar aan je einde’, of woorden van gelijke strekking. Hij is erg geschrokken. 8

Bij de rechter-commissaris heeft aangever [slachtoffer 1] verklaard dat verdachte op 19 februari 2014 rond acht uur ’s avonds aan de deur is geweest en toen heeft geschreeuwd ‘vanavond maak ik je kapot’. Verder heeft hij daar verklaard dat zij, toen ze terugliepen van het station, verdachte tegenkwamen en dat verdachte toen zei ‘ik zou maar maken dat je wegkomt, anders kom je raar aan je einde.9

[getuige 1] heeft verklaard dat zij op 19 februari 2014 omstreeks 23.00 uur, toen zij vlak voor het spoor stond, zag dat verdachte aangefietst kwam. Ze zag dat verdachte helemaal gek werd en hoorde dat hij riep dat wij maar hard moesten wegrennen anders ‘kom je heel naar aan je einde’. Ze was erg geschrokken. 10

[getuige 2] heeft verklaard dat in de omgeving van het station te Vught een ruzie is geweest tussen verdachte en [slachtoffer 1] en G. [getuige 1] en dat hij geschreeuw heeft gehoord uit de richting waarin zij gelopen waren.11

Op grond van de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien acht de rechtbank feit 1 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna vermeld.

Ten aanzien van feit 2:

Op 19 februari 2014 omstreeks 23.40 uur dacht aangeefster [slachtoffer 2] dat ze de poort van haar tuin, gelegen aan de achterzijde van haar woning aan de [adres 4] te Vught hoorde opengaan. Ze vond dit vreemd en besefte zich dat zij die avond de poort had afgesloten door middel van een pin en een haakje. Meteen daarna hoorde ze flessengerinkel en hoorde ze de hond aanslaan. Vervolgens is ze naar beneden gelopen en zag ze dat de poort openstond en dat de pin weg was. Ze zag dat een krat met daarin ongeveer 16 volle flesjes bier van het merk Jupiler, die ze buiten had staan, was verdwenen. Ze heeft aan niemand het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit. 12

Op 19 februari 2014 omstreeks 23.55 uur zagen verbalisanten verdachte op een fiets rijden in de richting van [adres 6], net voorbij de [adres 4] te Vught. Op de pakkendrager van zijn fiets zagen zij een gele krat bier van het merk Jupiler staan. 13

Bij de fouillering van verdachte zijn in de jaszak van verdachte een zaklamp, een priem, een schroevendraaier en handschoenen aangetroffen.14

Op grond van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat feit 2 wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hiertoe overweegt de rechtbank in het bijzonder dat verdachte kort na de diefstal van een krat bier van het merk Jupiler in de directe omgeving met een krat bier van dat merk is aangetroffen en hij inbrekersgereedschap bij zich had.

De verklaring van verdachte dat die krat bier uit zijn woning kwam en hij op weg was naar zijn vriend die aan het vissen was acht de rechtbank ongeloofwaardig. Temeer nu de vriendin van verdachte heeft verklaard dat verdachte naar buiten was gegaan om een luchtje te scheppen.

Ten aanzien van feit 5:

Op 19 februari 2014 omstreeks 17.00 uur was aangever [slachtoffer 1] samen met zijn vriendin [getuige 1] kranten aan het bezorgen. Toen hij de krant bij verdachte in de brievenbus had gestopt zag hij dat verdachte naar buiten kwam gestormd. Verdachte viel hem fysiek en woordelijk aan. [getuige 1] stond op dat moment naast hem. Hij zag dat hij haar in haar gezicht spuugde en hoorde hem vervolgens zeggen ‘ik maak jou en je familie kapot en ik steek je kiet in de fik’, of woorden van gelijke strekking. Aangever had het vermoeden dat verdachte zijn bedreigingen werkelijk ten uitvoer zou brengen. 15

[getuige 1] heeft verklaard dat zij op 19 februari 2014 omstreeks 17.00 uur samen met [slachtoffer 1] kranten aan het rondbrengen was. Ze zag dat verdachte uit zijn woning kwam en dat hij boos was. Ze hoorde dat hij riep dat hij de familie van [slachtoffer 1] kapot zou maken, en zijn huis in brand zou steken. 16

[getuige 3] heeft verklaard dat hij op 19 februari 2014 omstreeks 17.00 uur midden op de straat de krantenbezorger en een vrouw en een persoon zag staan die een paar deuren verder woont. Hij zag dat door die personen handgebaren werden gemaakt. Verdachte en aangever [slachtoffer 1] stonden recht tegenover elkaar, lijf aan lijf. Hij hoorde veel geschreeuw. Vervolgens is hij in de deuropening van zijn woning gaan staan, waar hij goed zicht had op de situatie. Hij hoorde weer veel geschreeuw. Vervolgens zag hij dat verdachte zijn woning inging en dat kort daarna de krantenbezorger en de vrouw wegliepen.17

Op grond van de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien acht de rechtbank feit 5 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna vermeld.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op 19 februari 2014 te Vught [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte deze opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd : "Ik zou maar hard gaan rennen, anders schiet ik je kapot en kom je raar aan je einde", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

op 19 februari 2014 te Vught met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een krat bier, toebehorende aan [slachtoffer 2];

5.

op 19 februari 2014 te Vught, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met brandstichting immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak jou en je familie kapot en ik

steek je kiet in de fik", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede terbeschikkingstelling met dwangverpleging, en onttrekking aan het verkeer van de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat verdachte geen straf toekomt, omdat hij van de hem ten last gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. De onder verdachte in beslag genomen voorwerpen dienen aan hem te worden teruggegeven.

Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest meer dan voldoende is.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 19 februari 2014 slachtoffer [slachtoffer 1] tot twee maal toe bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Verder heeft hij slachtoffer [slachtoffer 1] bedreigd met brandstichting. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. De bedreigingen met geweld moeten een grote indruk op hem hebben gemaakt. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan een diefstal, die overlast en schade heeft veroorzaakt. Uit verdachtes handelen spreekt minachting voor andermans eigendom.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank anderzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheid die tot matiging van de straf heeft geleid:

- uit een omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebracht rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 22 oktober 2014 blijkt dat de door hem gepleegde strafbare feiten verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend.

Motivering van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging.

Blijkens de juridische documentatie betreffende verdachte, nader uitgewerkt in de rapportage van het Pieter Baan Centrum van 22 oktober 2014, onderdeel Milieuonderzoek door [deskundige]18, raakte verdachte vanaf 2001 tot aan zijn aanhouding in 2014 jaarlijks een of meerdere keren gedetineerd, met uitzondering van het jaar 2007. Vaak is hij veroordeeld wegens (ernstige) bedreigingen, waarvoor hem onvoorwaardelijke gevangenisstraffen zijn opgelegd, en herhaalde malen wegens geweldsmisdrijven. In het Reclasseringsadvies van 8 mei 2014 wordt het recidiverisico als hoog ingeschat19, en volgens de rapportage van het Pieter Baan Centrum is sprake van een zeer hoog recidiverisico20.

De rechtbank komt gelet op de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting tot de conclusie dat sprake is van een zeer hoog recidive risico en acht dit onacceptabel. Bijgevolg is zij van oordeel dat voor het genoegzaam terugdringen van het recidive-risico niet kan worden volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke straf.

Bij haar overwegingen aangaande de strafoplegging heeft de rechtbank zich vervolgens gesteld gezien voor de vraag of het recidive- risico genoegzaam zal kunnen worden teruggedrongen door het opnemen van bijzondere voorwaarden binnen een forensisch kader bij een voorwaardelijk strafdeel.

De rechtbank heeft hierin voor haar beoordeling betrokken voornoemd Reclasseringsadvies, waarin staat vermeld dat de ontvankelijkheid voor begeleiding/ behandeling bij verdachte laag is, en dat hij een negatieve houding heeft ten opzichte van begeleiding/ behandeling. In het verleden opgelegde reclasseringstoezichten werden alle vrij snel negatief geretourneerd in verband met verbale agressie in de vorm van schelden en het uiten van dreigementen naar de (eerdere) behandelaars. Het overtreden van bijzondere voorwaarden en het bijgevolg opheffen van de schorsing van voorlopige hechtenis heeft niet geleid tot gedragsverandering. Het reclasseringstoezicht dat op 1 juni 2011 werd opgelegd door het Gerechtshof en dat in principe doorliep tot 9 april 2014 heeft zich voor wat betreft de begeleiding beperkt tot vooral crisismanagement, waarbij de ingezette ambulante behandeling niet haalbaar was.21

De rechtbank heeft hierin eveneens betrokken voornoemde rapportage van het Pieter Baan Centrum. Volgens de deskundigen is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis NAO (niet anders omschreven) en zij zijn van mening dat deze voor wat betreft de onder 1 en 5 ten laste gelegde feiten tot gevolg heeft dat sprake is van verminderde toerekeningsvatbaarheid. Verdachtes verbale agressie en forse bedreigingen hebben een grote impact en werken beschadigend. De zeer beperkte probleemoplossende vaardigheden, de paranoïde vertekeningen, de gebrekkige gewetensfuncties en de beperkte frustratietolerantie zorgen ervoor dat verdachte gemakkelijk terecht komt in situaties waarin hij zich ernstig benadeeld voelt en gevoelens van woede hoog oplopen. In een dergelijk geval zal hij zeer gemakkelijk terugvallen op het gedragspatroon van schelden, dreigen en geweld. Gezien zijn persoonlijkheidsconstellatie en het feit dat de situatieve factoren momenteel zeer ongunstig zijn, kan escalatiegevaar niet worden uitgesloten. Een langdurige klinische behandeling in een gedwongen behandelingskader met een hoog beveiligingskader is noodzakelijk om de problematiek te kunnen oplossen en daarmee het recidivegevaar te kunnen verminderen. Er is geen sprake van ziektebesef, laat staan van ziekte-inzicht, waardoor betrokkene zich naar verwachting zal verzetten tegen behandeling. Ook wordt ingeschat dat het lange tijd zal duren voor het lukt een vorm van een behandelrelatie met hem op te bouwen.22

De rechtbank neemt deze conclusies over en komt op basis daarvan allereerst tot de slotsom dat niet kan worden volstaan met een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden, noch met een voorwaardelijke terbeschikkingstelling. De rechtbank houdt het gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting voor uitgesloten dat verdachte zich zal (kunnen) houden aan voorwaarden, zowel in een ambulante als in een klinische setting.

De rechtbank is tevens van oordeel dat behandeling absoluut noodzakelijk is en overweegt vervolgens als volgt.

De rechtbank stelt vast dat bij verdachte ten tijde van het begaan van de misdrijven, die onder 1 en 5 ten laste zijn gelegd en hierna bewezen verklaard, sprake is van een gebrekkige ontwikkeling, als gevolg waarvan hij daarvoor verminderd toerekeningsvatbaar is. Het betreft misdrijven die zijn omschreven in artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel eist. De rechtbank heeft bij deze beslissing met name de veelvuldigheid van eerdere veroordelingen in aanmerking genomen en de conclusie van de deskundigen dat de situatieve factoren momenteel zeer ongunstig zijn, en escalatiegevaar niet kan worden uitgesloten.

De deskundigen komen tot het advies van het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging23. Ook de rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen de verpleging van verdachte eist. De rechtbank neemt derhalve dit advies over en zal naast de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging voor de periode van maximaal vier jaar, een gevangenisstraf opleggen van na te melden duur.

Dat verdachte heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een gedragskundig onderzoek staat naar het oordeel van de rechtbank aan het opleggen van een maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege niet in de weg, aangezien deze maatregel primair tot doel heeft het beveiligen van de maatschappij tegen onaanvaardbare risico’s die het gedrag van verdachte opleveren.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte ter beschikking stellen. De rechtbank zal voorts bevelen dat verdachte van overheidswege verpleegd wordt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1 en feit 5).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] in haar geheel toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel dient te worden afgewezen, omdat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder feit 1 en feit 5 tenlastegelegde.

Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door de bewezen verklaarde feiten toegebrachte schade een immateriële schadevergoeding tot een bedrag van EUR 250,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren voor het overige, nu de rechtbank verdachte vrijspreekt voor de bedreiging met een vuurwapen of met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, terzake kosten rechtsbijstand ten bedrage van EUR 143,--.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag van EUR 250,-- tevens de schadevergoedings-maatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn die tot het begaan van het onder 2 bewezen verklaarde misdrijf zijn bestemd en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van feit 2 aan verdachte toebehoorden.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 27, 33, 33a, 37a, 37b, 57, 285, 310.

DE UITSPRAAK

T.a.v. feit 3, feit 4, feit 6:

Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

T.a.v. feit 1, feit 2 en feit 5:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

T.a.v. feit 2:

diefstal

T.a.v. feit 5:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

en

bedreiging met brandstichting

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 5:

Gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht

T.a.v. feit 1, feit 5:

Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging voor de duur van 2 jaar

T.a.v. feit 2:

Teruggave inbeslaggenomen goederen

De rechtbank gelast de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten

een krat met flesjes bier van het merk Jupiler, aan [slachtoffer 2], die

redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

T.a.v. feit 2:

Verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten: 1 priem, 1

schroevendraaier, 1 led zaklantaarn, kleur oranje en 1 paar hand schoenen, kleur

zwart.

T.a.v. feit 1, feit 5:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 250,00, subsidiair 5 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van EUR 250,-- (zegge:

tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

5 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van

het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] ,van een bedrag van EUR 250,-- (zegge: tweehonderdvijftig euro), te weten immateriële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de

datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij, te weten

kosten rechtsbijstand ten bedrage van EUR 143,--.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet

ontvankelijk is.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor

zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot

vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.Th. van Vliet, voorzitter,

mr. I.L.A. Boer en mr. J.G. Vos, leden,

in tegenwoordigheid van F.H.M. Klerkx, griffier,

en is uitgesproken op 11 november 2014.

Mr. Boer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie- regio, Brabant-Noord, district Meierij, D1 – districtelijke opsporing, genummerd PL21XO-2014016683, aantal pagina’s: 107 (hierna: eindp.v.);

2 Eindp.v.; p.v. bevindingen d.d. 3 maart (p.3)

3 Eindp.v.; proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 februari 2014 (p.35);

4 Eindp.v.; proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 februari 2014 (p.38) en de kennisgeving van inbeslagneming d.d. 20 februari 2014 (p.104-107)

5 Eindp.v.; proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 februari 2014 (p.40)

6 Eindp.v.; proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 februari 2014 (p.43)

7 Eindp.v.; proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 februari 2014 (p.45)

8 Eindp.v.; proces-verbaal van aangifte d.d. 19 februari 2014 (p.32-34);

9 De door aangever [slachtoffer 1] bij de rechter commissaris afgelegde verklaring;

10 Eindp.v.; proces-verbaal verhoor getuige d.d. 20 februari 2014 (p.49);

11 De door [getuige 2] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring;

12 Eindp.v.; proces-verbaal aangifte d.d. 20 februari 2014 (p.53 en 54);

13 Eindp.v.; proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 februari 2014 (p.35);

14 Eindp.v.; proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 februari 2014 (p.38);

15 Eindp.v.; proces-verbaal van aangifte d.d. 19 februari 2014 (p.32-34), alsmede de door aangever bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring;

16 Eindp.v.; proces-verbaal verhoor getuige d.d. 20 februari 2014 (p.48 en 49), alsmede de door de getuige bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring;

17 Eindp.v.; proces-verbaal getuige d.d. 20 februari 2014 (p.46 en 47)

18 Rapportage Pro Justitia Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, Locatie Pieter Baan Centrum, dd 22 oktober 2014; ondertekend door [psycholoog] psycholoog en [psychiater], psychiater (hierna te noemen: Rapportage PBC), pag 18 tm 32

19 Reclasseringsadvies beknopt dd 8 mei 2014, pag 6

20 Rapportage PBC, pag 73

21 Reclasseringsadvies beknopt dd 8 mei 2014, pag 5-6

22 Rapportage PBC, pag 72-76

23 Rapportage PBC, pag 76