Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:661

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-02-2014
Datum publicatie
25-02-2014
Zaaknummer
AWB-13_3355
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bijstand. Beslagvrije voet. Tussen partijen is in geschil de uitleg die moet worden gegeven aan artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Naar het oordeel van de rechtbank is het voor de toepassing van dit artikellid niet vereist dat de bijstandsgerechtigde ook daadwerkelijk recht heeft op huurtoeslag als bedoeld in artikel 11 van de Wet op de huurtoeslag.

Wetsverwijzingen
Participatiewet, geldigheid: 2014-02-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/3355

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 februari 2014 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

(gemachtigde: mr. J.J.C.M. Rouws),

en

[verweerder], verweerder,

(gemachtigde: mr. M.M.A. Leijtens).

Procesverloop

Blijkens de uitkeringsspecificatie van 13 december 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder een bedrag van € 56 ingehouden op de uitkering van eiseres ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) over de maand december 2012.

Bij besluit van 29 mei 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

2.

Eiseres, geboren 21 maart 1940, beschikte tot 21 april 2013 over een bijstandsuitkering. Bij besluit van 8 mei 2012 heeft verweerder de bijstand van eiseres over de jaren 2009 en 2010 herzien en teruggevorderd alsmede over een groot gedeelte van 2011 de bijstand ingetrokken en teruggevorderd. Tevens is daarbij een maatregel van 100% opgelegd over de maand juni 2011. Bij besluit van 23 oktober 2012 is het tegen dit besluit gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard voor zover het de opgelegde maatregel betreft. Deze is teruggebracht naar een maatregel van 50% gedurende een maand. Het hiertegen ingestelde beroep is ongegrond verklaard.

3.

De als gevolg van de voormelde besluitvorming teveel betaalde bijstand heeft verweerder met toepassing van artikel 60, derde lid, van de WWB (zoals dit luidde ten tijde van belang) verrekend met de nog uit te betalen uitkering. Voor het eerst is dit in het primaire besluit aan eiseres bekend gemaakt.

4.

Het geschil dat tussen partijen bestaat ziet op de hoogte van de beslagvrije voet die door verweerder bij die verrekening in acht is genomen. Meer in bijzonder is tussen partijen in geschil de uitleg die moet worden gegeven aan artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

5.

Artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder b Rv luidt als volgt. De beslagvrije voet wordt verhoogd met de voor rekening van de schuldenaar komende woonkosten verminderd met ontvangen huurtoeslag of woonkostentoeslag, voor zover de woonkosten, na deze vermindering, meer bedragen dan het bedrag, genoemd in artikel 17, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, met dien verstande dat de verhoging van de beslagvrije voet niet meer bedraagt dan het huurtoeslagbedrag waarop de schuldenaar, uitgaande van de laagste inkomenscategorie, krachtens artikel 21 van de Wet op de huurtoeslag ten hoogste aanspraak heeft.

6.

Eiseres heeft als beroepsgrond aangevoerd dat het bedoeling van artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder b Rv is dat de bijtelling voor woonkosten boven op de beslagvrije voet gemaximeerd wordt op een bepaald bedrag, zijnde de feitelijke huurtoeslag die wordt ontvangen. Het is volgens eiseres niet zo dat de huurtoeslag slechts wordt verhoogd met het bedrag dat al dan niet wordt ontvangen, maar het gaat om het bedrag waarmee de huurtoeslag maximaal kan worden verhoogd. Deze maximale verhoging wordt in het geval van eiseres niet overschreden, zodat de berekening van de beslagvrije voet, zoals die is overgelegd, juist is, hetgeen betekent dat er voor eiseres geen ruimte is om een aflossing te doen. De rechtbank stelt vast dat eiseres zich met het voorgaande lijkt tegen te spreken want enerzijds stelt zij dat de maximering ziet op de feitelijk ontvangen huurtoeslag, anderzijds stelt zij dat het niet gaat om het ontvangen bedrag. De rechtbank begrijpt evenwel dat eiseres bedoelt te stellen dat de laatste zinsnede slechts ziet op de een theoretisch maximum, en dat het voor toepassing van artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder Rv niet is vereist dat daadwerkelijk huurtoeslag wordt ontvangen.

7.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres geen huurtoeslag ontvangt. Dit betekent volgens verweerder dat de verhoging van de beslagvrije voet waaraan in de laatste zinsnede van artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder b Rv wordt gerefereerd nihil bedraagt.

8.

Gelet op het verhandelde ter zitting en de gedingstukken is de rechtbank gebleken dat verweerder de opvatting is toegedaan dat het voor de toepassing van voormeld artikellid is vereist dat de bijstandsgerechtigde ook daadwerkelijk recht heeft op huurtoeslag als bedoeld in artikel 11 van de Wet op de huurtoeslag. Indien een dergelijke lezing als juist zou worden aanvaard zou dit naar het oordeel van de rechtbank betekenen dat bijstandsgerechtigden of andere schuldenaren die over een koopwoning beschikken nooit aanspraak kunnen maken op de verhoging van de beslagvrije voet. Dit zou ook betekenen dat de verwijzing naar een woonkostentoeslag als vermeld in dit artikel zinledig zou zijn. De wetgever had dit derhalve achterwege kunnen laten. De vraag is echter of dit de bedoeling van de wetgever is geweest.

9.

Uit de parlementaire geschiedenis bij de invoering van voormeld artikellid blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om de beslagvrije voet te verhogen met het bedrag van de huur of de kosten van een eigen woning, voor zover de huur of woonkosten de wooncomponent, zoals gehanteerd in de Algemene Bijstandswet te boven gaat. Vermeld staat dat de verhoging aan een maximum wordt gebonden om te voorkomen dat bij een dure huurwoning geen beslag mogelijk zou zijn (Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 1988-1989, kamerstuknummer 17897, nr. 13.)

10.

Omdat in het geval van eiseres sprake is van kamerbewoning, kan zij geen aanspraak maken op huurtoeslag op grond van de Wet op de huurtoeslag. Verweerder heeft dit niet betwist. Eiseres heeft naar eigen zeggen geen woonkostentoeslag aangevraagd omdat haar van de zijde van verweerder verteld zou zijn dat zij daarop evenmin aanspraak kan maken. Hoewel verweerder ter zitting dit tot op zekere hoogte bestreden heeft, ontvangt eiseres feitelijk geen woonkostentoeslag. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit in het geval van eiseres dan met zich dat de beslagvrije voet wordt verhoogd met de voor rekening van eiseres komende woonkosten voor zover de woonkosten meer bedragen dan het bedrag, genoemd in artikel 17, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag (de normhuur), met dien verstande dat de verhoging van de beslagvrije voet niet meer bedraagt de maximaal (theoretisch) mogelijke huurtoeslag. De beroepsgrond slaagt.

11.

Eiseres heeft met inachtneming van het voorgaande een berekening gemaakt op grond waarvan zij concludeert dat de beslagvrije voet op € 987,92 moet worden vastgesteld. Verweerder heeft de juistheid van deze berekening niet betwist. Evenmin heeft verweerder betwist dat eiseres, uitgaande van deze beslagvrije voet, ten tijde van belang niet over aflossingscapaciteit beschikte. Dit betekent dat de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, het bestreden besluit zal vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, zelf in de zaak zal voorzien. De rechtbank zal dit doen door het primaire besluit te herroepen voor zover daarbij is verrekend. Zoals verweerder ter zitting heeft aangegeven zal periodiek worden bezien of er wijzigingen in de aflossingscapaciteit van eiseres zijn opgetreden. De verplichting tot terugbetaling bestaat immers nog onverkort.

12.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1461 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het indien van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het besluit van 13 december 2012 voor zover daarbij verrekening heeft plaatsgevonden en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44 aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1461.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, rechter, in aanwezigheid van

E.H.J.M.T. van der Steen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.