Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:6583

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-10-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
14 _ 724
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De wijziging van de onderhoudstatus van de waterloop heeft reeds plaatsgevonden bij de vaststelling van een eerdere legger. Hiertegen heeft eiser geen beroep ingesteld. De rechtbank oordeelt dat de juridische status van de watergang niet is gewijzigd en dat er ook geen feitelijke veranderingen zijn met betrekking tot de waterloop die verweerder zouden noodzaken tot aanpassing van de status van de waterloop bij de vaststelling van de bestreden legger.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 14/724

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 oktober 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

en

het dagelijks bestuur van Waterschap Aa en Maas, verweerder

(gemachtigden: mr. M.A.J. Martens en P.J. Dano).

Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de legger oppervlaktewateren waterschap Aa en Maas vastgesteld.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2014. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.2

Eisers perceel grenst aan een waterloop welke is gelegen aan de locatie Steeg, perceel [nummer] te Schijndel. De waterloop heeft de code 203025.

1.3

Op 6 april 2012 heeft verweerder het projectplan Natte Natuurparel Wijboschbroek Zuid (fase 1) definitief vastgesteld. Hiertegen is door eiser geen beroep ingesteld.

1.4

Op 4 december 2012 heeft verweerder de Legger waterschap Aa en Maas district Beneden Aa vastgesteld. Eiser heeft weliswaar tegen het ontwerpbesluit zienswijzen ingediend maar heeft tegen de vaststelling geen beroep ingesteld. In de Legger district Beneden Aa heeft verweerder de status van de in geschil zijnde waterloop ter hoogte van het perceel van eiser gewijzigd van een A-waterloop naar een B-waterloop.

2. Het bestreden besluit gaat over de vaststelling van de Legger oppervlaktewateren 2013 van waterschap Aa en Maas.

3.1

Eiser betwist het standpunt van verweerder dat de afvoersnelheid van de waterloop gelegen aan de locatie Steeg, perceel [nummer] lager ligt dan 30 liter per seconde. Het gevolg hiervan is dat verweerder de onderhoudsplicht van de waterloop bij hem legt.

Eiser stelt zich op het standpunt dat zonder inzage in en/of het ontbreken van rapportage en metingen waaruit de afvoersnelheid is vastgesteld, alsmede het exacte tijdstip van meten, gebruikte apparatuur, ijkrapporten van de apparatuur en de waterstand op meetmoment de door verweerder gestelde waterafvoer ongemotiveerd is. Bovendien wijst eiser op het projectplan “Natte Natuurparel Wijbosch-broek Zuid (fase 1)”. Dit heeft als doel het verhogen van het grondwaterpeil door onder andere het opschonen van een aantal watergangen en het verwijderen van slootbodemverhogingen zodat de watergang optimaal kan fungeren voor afwatering van de landbouwpercelen. Volgens eiser heeft een waterloop hierdoor meer afvoercapaciteit heeft dan voorheen, hetgeen juist de afvoersnelheid verhoogt.

3.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de waterloop waaraan het perceel van eiser ligt is onderzocht in kader van de vaststelling van de legger waterschap Aa en Maas district Beneden Aa. Eiser is bij de beantwoording van zijn zienswijze geïnformeerd over de berekening van de waterloop ter plaatse van zijn perceel. Omdat geen beroep is ingesteld door eiser tegen de vaststelling van de legger waterschap Aa en Maas district Beneden Aa staat de status van de waterloop niet meer ter discussie. Het projectplan Natte Natuurparel Wijboschbroek Zuid fase 1 is vastgesteld voor de vaststelling van de legger waterschap Aa en Maas district Beneden Aa. Als het projectplan invloed gehad zou hebben op de waterloop, dan is dit meegerekend bij de vaststelling van de legger en de beantwoording van de zienswijze.

3.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij het vaststellen van een legger enige mate van beoordelingsvrijheid. Bij het uitoefenen van deze bevoegdheid dient verweerder de bij het besluit betrokken belangen af te wegen. Een dergelijke afweging leent zich alleen voor een terughoudende toetsing door de bestuursrechter, waarbij de rechter zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Dit ontslaat verweerder echter niet van zijn motiveringsplicht.

3.4

De rechtbank stelt vast dat met de in geschil zijnde Legger sprake is van een gecombineerde Waterwetlegger en Waterschapslegger, gebaseerd op artikel 5.1 van de Waterwet respectievelijk artikel 78 van de Waterschapswet.

3.5

De rechtbank overweegt dat de wijziging van de status van watergang 203025 van A-watergang naar B-watergang heeft plaatsgevonden bij de vaststelling van de Legger waterschap Aa en Maas district Beneden Aa op 4 december 2012. De vaststelling van de Legger oppervlaktewateren waterschap Aa en Maas op 14 januari 2014 heeft geen verandering in deze status gebracht. Niet is gebleken dat het projectplan Natte Natuurparel Wijboschbroek Zuid fase 1 noopte tot aanpassing van de Legger. Watergang 203025 maakt ook geen deel uit van het projectplan Natte Natuurparel Wijboschbroek Zuid fase 1. Verweerder heeft ter zitting aannemelijk gemaakt dat ook de afvoersnelheid van de waterloop niet is gewijzigd als gevolg van het projectplan. Er is dan ook geen aanleiding de status van de B-watergang naar de status van A-watergang te wijzigen vanwege een verhoogde afvoersnelheid. De rechtbank oordeelt dat de juridische status van de watergang niet is gewijzigd en dat er ook geen feitelijke veranderingen zijn met betrekking tot de waterloop die verweerder zouden noodzaken tot aanpassing van de status van de waterloop.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.1

Voorts betwist eiser dat hij aangelande (eigenaar van een aan een oppervlaktewater grenzend perceel) is conform de Keur waterschap Aa en Maas 2013 zodat de onderhoudsplicht niet bij hem ligt. Voor zover eiser bekend is de perceelsgrens nog nooit vastgesteld en kan een waterloop in de loop van tientallen jaren veranderen door bijvoorbeeld meanderen.

4.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat, gezien de kadastrale kaart, eiser eigenaar is van perceel [nummer]. Aangezien het perceel van eiser grenst aan de waterloop is eiser aangelande in de zin van artikel 1.1 van de Keur waterschap Aa en Maas 2013 (verder: de Keur).

4.3

In artikel 1 van de Keur is het begrip aangelande als volgt gedefinieerd: “de eigenaar, de beperkt gerechtigde en gebruiker van een aan een oppervlaktewaterlichaam grenzend perceel”.

4.4

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Keur 2013 ligt de onderhoudsplicht bij degene die in de legger als onderhoudsplichtig is aangewezen. In artikel 4 van de het bestreden besluit zijn onderhoudsverplichtingen als bedoeld in artikel 2.1 van de Keur 2013 neergelegd.

Gelet op artikel 4, tweede lid, van het bestreden besluit geschiedt het gewoon en groot onderhoud aan het natte en droge profiel van B-waterlopen door de aangelande.

4.5

De rechtbank is van oordeel dat niet de kadastrale kaart bepalend voor het vaststellen van een onderhoudsplicht. Eiser is gebruiker is van het aan de waterloop grenzende perceel en daarom is hij terecht door verweerder als aangelande aangemerkt. Mitsdien is eiser onderhoudsplichtig voor de waterloop tot de helft van de breedte van de waterloop. Het bestreden besluit is op dit onderdeel niet anders dan het besluit tot vaststelling van de legger waterschap Aa en Maas, district Beneden Aa.

5.1

Eiser wijst er op dat voor het vaststellen van de nieuwe legger het onderhoud van de waterloop en alle daarmee gepaard gaande kosten voor rekening en risico was van het waterschap. Het besluit van het waterschap heeft feitelijk tot gevolg dat de onderhoudsplicht en de daaraan gekoppelde kosten feitelijk naar eiser worden verlegd. Hij vindt het niet redelijk dat een burger opdraait voor de kosten die het algemeen belang dienen. Hij stelt onevenredige schade te lijden door het handelen van verweerder.

5.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de betreffende waterloop bij de vaststelling van de legger Beneden Aa is aangemerkt als B-waterloop. Voor alle B-waterlopen in het beheergebied van waterschap Aa en Maas geldt hetzelfde regime. De omstandigheid dat de waterloop eerder was aangemerkt als A-waterloop, staat niet meer ter discussie aangezien dit besluit reeds rechtskracht heeft verkregen. Voor de toedeling van de onderhoudsplichten is voor het waterschap de aard van de waterloop bepalend.

5.3

De rechtbank overweegt dat de onderhoudsplicht sinds inwerkingtreding van de Legger waterschap Aa en Maas district Beneden Aa sinds 4 december 2012 bij eiser ligt. De vaststelling van de Legger oppervlaktewateren waterschap Aa en Maas op 14 januari 2014 brengt daar geen verandering in. De onderhoudsplicht vloeit voort uit artikel 2.1, eerste lid, van de Keur 2013 en geldt voor alle aangelanden van B-watergangen op gelijke wijze. Niet is gesteld of gebleken dat eiser anderszins onevenredige schade lijdt als gevolg van de vaststelling van de Legger oppervlaktewateren waterschap Aa en Maas.

5.4

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. J.D. Streefkerk en mr. H.F.M.W. van Rijswick, leden, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.