Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:6524

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-10-2014
Datum publicatie
03-11-2014
Zaaknummer
C/01/285406 / KG ZA 14-674
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Het komt de voorzieningenrechter voor dat hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen met betrekking tot de speelruimte van de faillissementsrechter ten aanzien van een verstekvonnis van de bodemrechter (vgl. HR 7 maart 2014, NJ 2014/155; Beroepsvervoer over de weg) ook geldt voor de speelruimte van de kortgedingrechter als executierechter ten aanzien van een verstekvonnis van de kantonrechter. Daarbij is van belang dat de gevonden speelruimte van de kortgedingrechter als executierechter past binnen de door de Hoge Raad in zijn standaardarrest van 22 april 1983, NJ 1984, 145 (Ritzen/Hoekstra) gestelde grenzen aan de bevoegdheden van de executierechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/285406 / KG ZA 14-674

Vonnis in kort geding van 29 oktober 2014

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. N.J.P. Vanaken te [woonplaats],

tegen

de stichting

STICHTING WOONBEDRIJF SWS.HHVL, voorheen genaamd STICHTING WONINGSTICHTING HERTOG HENDRIK VAN LOTHARINGEN en als rechtsopvolgster onder algemene titel van de stichting WONINGSTICHTING SWS

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. A. Groffen te [woonplaats].

Partijen zullen hierna [eiseres] en Woonbedrijf genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 23 oktober 2013, met 4 producties,

  • -

    de brief van mr. Vanaken van 23 oktober 2014, met een aanvullende productie,

  • -

    de brief van mr. Poort van 23 oktober 2014, met 4 producties,

  • -

    de brief van mr. Poort van 23 oktober 2014, met een aanvullende productie 5,

- de brief van mr. Poort van 23 oktober 2014, met een aanvullende productie 6,

  • -

    de mondelinge behandeling op 24 oktober 2014,

  • -

    de pleitnota van [eiseres],

  • -

    de pleitnota van Woonbedrijf.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] huurt van Woonbedrijf de woning, staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: het gehuurde). De huurprijs bedraagt thans € 647,74 per maand, te voldoen voor de 1e van de maand waarop de huur betrekking heeft.

2.2.

Nadat er een huurachterstand was ontstaan van € 1.943,22 heeft Woonbedrijf [eiseres] op 12 september 2014 gedagvaard. In deze procedure is op 2 oktober 2014 door de kantonrechter te Eindhoven een verstekvonnis gewezen, waarbij de vordering van Woonbedrijf tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot ontruiming van het gehuurde is toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.3.

Op 10 oktober 2014 is voormeld verstekvonnis aan [eiseres] betekend. De ontruiming van het gehuurde is aangezegd tegen 30 oktober 2014 vanaf 09.00 uur.

2.4.

Nadat het verstekvonnis [eiseres] ter kennis was gekomen, heeft zij meermaals contact opgenomen met Woonbedrijf en de door haar ingeschakelde gerechtsdeurwaarder. Tijdens deze contacten heeft [eiseres] tevergeefs getracht om tot een minnelijke oplossing met Woonbedrijf te komen.

2.5.

Tegen het verstekvonnis is [eiseres] tijdig in verzet gekomen. Thans is een bodemprocedure op tegenspraak aanhangig bij deze rechtbank, sector kanton, locatie Eindhoven.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad Woonbedrijf te veroordelen om binnen twee dagen na vonniswijzing de door haar aangekondigde ontruiming te staken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor ieder(e) dag(deel) dat Woonbedrijf hiermee in gebreke blijft, met een maximum van

€ 12.000,--, en met veroordeling van Woonbedrijf in de kosten van dit geding, onder de bepaling dat de wettelijke rente verschuldigd zal zijn na een termijn van 14 dagen na dagtekening van dit vonnis.

3.2.

[eiseres] legt aan zijn vordering, kort gezegd, het volgende ten grondslag.

3.2.1.

[eiseres] erkent dat er in het verleden sprake is geweest van een huurachterstand, maar inmiddels is zij bij met de betalingen en is van een betalingsachterstand geen sprake meer. [eiseres] heeft zelfs aantoonbaar te veel aan Woonbedrijf betaald. De LOK richtlijn bepaalt dat een vordering tot ontbinding en ontruiming wordt afgewezen, indien er niet tenminste sprake is van drie maanden huurachterstand. In het geval van [eiseres] is niet eens sprake van een maand huurachterstand, laat staan van drie maanden.

3.2.2.

Het is van belang dat in ieder geval de uitspraak van de bodemrechter wordt afgewacht, omdat een ontruiming niet makkelijk kan worden teruggedraaid. Van Woonbedrijf kan als zijnde een woningcorporatie overigens ook verlangd worden dat zij iets meer geduld betracht bij het incasseren van de huren dan van een commerciële verhuurorganisatie. Het doel is immers opkomen voor de sociaal zwakkere in de huursector.

3.2.3.

Er is naar de mening van [eiseres] geen enkele reden (meer) om de huurovereenkomst te ontbinden, laat staan om tot de door Woonbedrijf aangekondigde ontruiming over te gaan. Woonbedrijf heeft geen aantoonbare schade geleden. Een belangenafweging dient in het voordeel van Woonbedrijf uit te vallen.

3.2.4.

Voor zover nodig is [eiseres] bereid om in overleg met Woonbedrijf bepaalde zekerheden te stellen, met betrekking tot de door haar verschuldigde toekomstige huurpenningen. Anders dan in het verleden, is de financiële situatie van [eiseres] thans stabiel en is er geen enkele reden waarom zij de toekomstig verschuldigde huurpenningen niet (tijdig) zal kunnen voldoen.

3.2.5.

Mocht Woonbedrijf onder de genoemde omstandigheden alsnog de ontruiming op basis van het verstekvonnis voortzetten, dan maakt Woonbedrijf misbruik van haar executiebevoegdheid. Woonbedrijf heeft immers rechtens geen enkel belang meer om de aangekondigde executie voort te zetten.

3.3.

Het verweer van Woonbedrijf, komt, kort gezegd, op het navolgende neer.

3.3.1.

[eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het te executeren vonnis op een juridische of feitelijke misslag berust. Evenmin heeft [eiseres] aannemelijk gemaakt dat door de executie op grond van na het vonnis voorgevallen feiten of aan het licht gekomen feiten aan de zijde van [eiseres] een noodtoestand zal ontstaan. Aan de vereisten voor het schorsen van de executie van onderhavig vonnis is derhalve niet voldaan.

3.3.2.

Uit coulance en geheel onverplicht heeft Woonbedrijf [eiseres] in het verleden in de gelegenheid gesteld om de ontstane huurschuld af te lossen. Echter, steeds is er opnieuw een huurachterstand ontstaan. Het alsnog betalen van de huurpenningen en het aanzuiveren van de huurachterstand door [eiseres] neemt de tekortkoming van het te laat betalen niet weg. Bovendien volgt uit vaste jurisprudentie dat als er sprake is van een herhaaldelijke wanprestatie van de huurder ter zake van de betaling van de huurpenningen, waarvan in het onderhavige geval ook sprake is, de verhuurder voldoende grond heeft om de huurovereenkomst te ontbinden.

3.3.3.

[eiseres] heeft het over zichzelf afgeroepen dat zij geen verweer heeft kunnen voeren en niet door de kantonrechter is gehoord, door zonder geldige reden niet op de zitting te verschijnen. Naar vaste jurisprudentie heeft bovendien te gelden dat ingevolge de norm van de Hoge Raad in het arrest Ritzen-Hoekstra terughoudendheid dient te worden betracht bij de beoordeling in een executiegeschil vanwege de leer van afstemming met het oordeel in de bodemprocedure.

3.3.4.

Een executiegeschil is gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen geen (verkapte)verzetprocedure. Het enkele feit dat het vonnis is gewezen zonder dat inhoudelijk verweer naar voren is gebracht, betekent nog niet dat in een executiegeschil (alsnog) een inhoudelijke toets dient plaats te vinden.

3.3.5.

Een belangenafweging heeft reeds plaatsgevonden in het kader van het wijzen van het verstekvonnis. Voor zover de voorzieningenrechter zal overgaan tot een wederzijdse belangenafweging, dient deze in het voordeel van Woonbedrijf uit te vallen.

3.3.6.

Mocht de voorzieningenrechter schorsen, dan dient daaraan de voorwaarde te worden verbonden dat [eiseres] in de toekomst de huur (tijdig) betaalt.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van art. 438 Rv kan de kort gedingrechter ingrijpen in een executie. Dat doet de vraag rijzen naar de speelruimte van de kort gedingrechter ten opzichte van het bodemvonnis dat de executoriale titel vormt die de executant ten uitvoer wenst te leggen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 mei 2000, NJ 2001/407 inzake Staat/NVV uitgemaakt dat de kort gedingrechter dient uit te gaan van het oordeel van de bodemrechter ongeacht of dat oordeel in de overwegingen dan wel in het dictum is opgenomen. Dit is slechts anders als het vonnis van de bodemrechter een kennelijke misslag ten aanzien van de feiten of van het recht bevat. In zijn recente arrest van 7 maart 2014, NJ 2014/155 (Beroepsvervoer over de weg) dat ziet op de speelruimte van de faillissementsrechter ten aanzien van een verstekvonnis van de bodemrechter overweegt de Hoge Raad onder andere: “Nu een verstekvonnis in eerste aanleg wordt gewezen zonder dat de gedaagde in de procedure is gehoord, kan in het kader van art. 6 lid 3 Fw de juistheid van dat vonnis echter niet zonder meer uitgangspunt zijn indien daartegen verzet is ingesteld of nog kan worden ingesteld. Dat geldt met name indien de veroordeelde gemotiveerd stelt dat en waarom het vonnis in de verzetprocedure geen stand zal houden in verband met feiten en omstandigheden waarmee in dat vonnis geen rekening is gehouden, omdat deze niet ter kennis van de rechter waren gebracht. Bij de behandeling van een faillissementsaanvraag is de rechter dan ook gehouden de daarop betrekking hebbende stellingen van de veroordeelde te betrekken bij zijn oordeel of summierlijk blijkt van het vorderingsrecht van de aanvrager. Dat geldt dus ook buiten het geval dat het vonnis berust op een kennelijke vergissing of er sprake is van relevante nieuwe feiten en omstandigheden”.

4.2.

Het komt de voorzieningenrechter voor dat hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen met betrekking tot de speelruimte van de faillissementsrechter ten aanzien van een verstekvonnis van de bodemrechter ook geldt voor de speelruimte van de kortgedingrechter als executierechter ten aanzien van het verstekvonnis van de kantonrechter. Daarbij is van belang dat de gevonden speelruimte van de kortgedingrechter als executierechter past binnen de door de Hoge Raad in zijn standaardarrest van 22 april 1983, NJ 1984, 145 (Ritzen/Hoekstra) gestelde grenzen aan de bevoegdheden van de executierechter. De relevante overweging van de Hoge Raad inzake: Ritzen/Hoekstra luidt als volgt: In een dergelijk executiegeschil met betrekking tot een ontruimingsvonnis kan de rechter slechts de staking van de tenuitvoerlegging van dat vonnis bevelen, indien hij van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de ontruiming zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de ontruiming op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. (HR 22 april 1983, NJ 1984, 145, Ritzen/Hoekstra). Deze maatstaf is voor het eerst geformuleerd in een zaak waarin het bij voorraad verklaard vonnis tot stand was gekomen na partijdebat en een afweging door de rechter van de standpunten van partijen en legt voor dergelijke gevallen de lat hoog. In geval van een bij voorraad uitvoerbaar verklaard verstekvonnis echter, laat deze maatstaf wel ruimte voor nuancering, aangezien dat immers is gewezen zonder partijdebat en zonder een zorgvuldige afweging van de standpunten van partijen.

4.3.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat niet is gesteld, noch is gebleken dat er in het onderhavige geval sprake is van een juridische of feitelijke misslag in het verstekvonnis. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is er evenmin sprake van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten die klaarblijkelijk aan de zijde van [eiseres] een noodtoestand doen ontstaan. Het enkele feit dat [eiseres] bij ontruiming met haar partner en haar twee kinderen op straat komt te staan is op zichzelf thans onvoldoende om een noodtoestand aan te kunnen nemen. Bovendien gaat het niet om een op grond van na het vonnis van 2 oktober 2014 voorgevallen of aan het licht gekomen feit.

4.4.

Uit het Ritzen/Hoekstra arrest kan worden afgeleid dat de voorzieningenrechter de executie kan schorsen in het geval de executant door te executeren misbruik maakt van zijn executiebevoegdheid. Omdat de Hoge Raad niet limitatief aangeeft wanneer sprake kan zijn van misbruik van bevoegdheid, kan de kort gedingrechter oordelen dat de executie van het verstekvonnis – in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2014 – als misbruik van bevoegdheid moet worden gekwalificeerd, indien eiseres gemotiveerd stelt dat en waarom het vonnis in de verzetprocedure geen stand zal houden in verband met feiten en omstandigheden waarmee in dat vonnis geen rekening is gehouden, omdat deze niet ter kennis van de rechter waren gebracht.

4.5.

[eiseres] heeft in dat kader onder meer verwezen naar haar verzetdagvaarding, waarin zij gemotiveerd heeft gesteld dat er aantoonbaar geen sprake is van een maand huurachterstand, laat staan van 3 maanden. Woonbedrijf heeft dat gemotiveerd betwist, daartoe stellende dat op 12 september 2014 nog de maanden juli, augustus en september 2014 niet waren voldaan, zijnde een bedrag groot € 1.943,22. In de door Woonbedrijf op 12 september 2014 uitgebrachte dagvaarding in de bodemprocedure die tot het verstekvonnis heeft geleid valt overigens te lezen dat dat bedrag ziet op de huurachterstand tot en met september 2014.

4.6.

Volgens Woonbedrijf is er door [eiseres] op de navolgende data huur betaald:

- 30 augustus 2013 (voor de maand van september 2013),

  • -

    26 september 2013 (voor de maand oktober 2013),

  • -

    26 oktober 2013 (voor de maand november 2013),

  • -

    20 januari 2014 (voor de maand december 2013),

  • -

    26 februari 2014 (voor de maand januari 2014),

  • -

    5 maart 2014 (voor de maand februari 2014),

  • -

    21 maart 2014 (voor de maand maart 2014,

  • -

    9 mei 2014 (voor de maand april 2014),

  • -

    22 mei 2014 (voor de maand mei 2014),

  • -

    20 juni 2014 (voor de maand juni 2014)

  • -

    15 september 2014 (voor de maand juli 2014),

  • -

    16 september 2014 (voor de maand augustus 2014),

  • -

    2 oktober 2014 (voor de maand september 2014).

  • -

    7 oktober 2014 (voor de maand oktober 2014),

4.7.

Uit deze opgave kan worden afgeleid dat er op 12 september 2014 sprake was van 3 maanden huurachterstand, te weten over de maanden juli 2014, augustus 2014 en september 2014. Echter, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan niet worden uitgesloten dat in de verzetprocedure de vorderingen van Woonbedrijf zullen worden afgewezen omdat aan [eiseres] een terme de grâce zou zijn verleend als zij geen verstek had laten gaan, te meer nu voldoende aannemelijk is dat [eiseres] inmiddels de gehele huurachterstand heeft ingelopen, zij heeft betoogd dat haar financiële situatie thans stabiel is, zodat zij de toekomstig verschuldigde huurpenningen (tijdig) zal kunnen voldoen, en zij als ‘stok achter de deur’ heeft aangeboden om ter zake van de toekomstige huurtermijnen ten gunste van Woonbedrijf zekerheid te stellen. Dat er reeds eerder door een kantonrechter is beslist over twee eerdere ontstane huurachterstanden door [eiseres] (vonnissen van 7 juli 2011 en 2 mei 2013), doet hieraan niet af omdat die vonnissen niet recent zijn.

4.8.

Naast hetgeen hiervoor is overwogen, is een (verdere) belangenafweging thans niet (meer) aan de orde. De slotsom luidt dan ook dat Woonbedrijf bij voormelde omstandigheden misbruik van haar executiebevoegdheid maakt door de uitkomst van de verzetprocedure niet af te wachten. De vordering van [eiseres] zal derhalve op de hierna te noemen wijze worden toegewezen, zoals hierna onder de beslissing is weergegeven.

4.9.

Woonbedrijf zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 93,80

- griffierecht € 77,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 986,80

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

schorst de executie van het op 2 oktober 2014 door de kantonrechter te Eindhoven tussen partijen gewezen verstekvonnis, totdat hierover in de verzetprocedure onherroepelijk is beslist, onder de ontbindende voorwaarde dat [eiseres] in de toekomst de huur niet (tijdig) betaalt,

5.2.

veroordeelt Woonbedrijf in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 986,80, waarvan € € 70,35 aan explootkosten, na ontvangst van een daartoe strekkend betalingsverzoek van de griffie moet worden voldaan aan de griffier door overmaking op rekeningnummer NL53RBOS056.99.90.572 ten name van Arrondissement 536 's-Hertogenbosch onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2014.