Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:6307

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-10-2014
Datum publicatie
22-10-2014
Zaaknummer
C/01/283567 / HA ZA 14-648
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:4094
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:5202
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

inbreuk eigendomsrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/478
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/283567 / HA ZA 14-648

Vonnis van 22 oktober 2014

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

[naam] ,

zetelend te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. R.A.F. Willems te 's-Hertogenbosch,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. A.P. van Knippenbergh te Best.

De partijen zullen hierna de gemeente en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Deze zaak is bij vonnis van 22 oktober 2014 afgesplitst van de zaak met het rolnummer 13-99 en zaaknummer 258725.

Het verloop van de procedure in de zaak met het rolnummer 13-99 en zaaknummer 258725, voor zover deze stukken relevant zijn voor de beoordeling van deze zaak, blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de conclusie van antwoord in de zaak tussen de gemeente en [gedaagde],

  • -

    het tussenvonnis van 29 mei 2013,

  • -

    het proces-verbaal van descente en comparitie van 9 oktober 2013,

  • -

    de akte overlegging producties tevens wijziging van eis,

  • -

    het proces-verbaal van descente en comparitie van 12 februari 2014,

- de akte uitlating na descente en comparitie,

- de antwoordakte,

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de door partijen overgelegde stukken, voor zover de inhoud daarvan niet is betwist, staat tussen partijen het volgende vast.

2.2.

De gemeente is voornemens enkele straten in de villawijk bij het natuurgebied [naam] te [woonplaats] te reconstrueren. Het betreft de straten [straat], [straat] en [straat]. De reconstructie betreft het vervangen van de riolering, de verharding en de nutsvoorzieningen. Zij heeft dit voornemen toegelicht tijdens de jaarvergadering van de bewonersvereniging [naam] op 11 maart 2009.

2.3.

Uit de bewonersvereniging [naam] is de Commissie [naam] (voortaan: de commissie) voortgekomen. Deze commissie heeft de gemeente bij brief van 9 november 2009 meegedeeld, dat zij op zichzelf niet tegen de reconstructie zijn, doch dat het aanleggen van de diverse voorzieningen onder het huidige wegdek dient te geschieden en dat het aanwezige asfalt dient te worden vervangen door een bestrating die in geval van noodzakelijk herstel eenvoudig plaatselijk opgebroken kan worden. Uitgangspunt hierbij is dat de meeste bewoners inmiddels door verjaring eigenaar zijn geworden van de aangrenzend aan hun eigendom gelegen stroken grond, doordat zij al dan niet tezamen met hun rechtsvoorgangers gedurende een periode van meer dan 20 jaar onafgebroken bezit van die stroken hebben gehad.

2.4.

De gemeente heeft daarop bij brief van 22 juni 2010 aan de commissie laten weten dat zij geen bezwaar heeft tegen het gebruik van de stroken grond (de gemeentebermen) in de afgelopen jaren en in de toekomst. Zij heeft er echter wel bezwaar tegen dat anderen de bermen als eigenaar in bezit nemen, omdat de bermen een belangrijke functie hebben als kabel- en leidingstrook voor nutsvoorzieningen.

2.5.

Op 24 november 2010 en op 16 februari 2011 heeft er een overleg plaatsgevonden tussen een delegatie van de gemeente en de commissie, waarbij de gemeente heeft voorgesteld dat de desbetreffende bewoners onder voorwaarden de stroken grond kunnen huren voor het bedrag van € 20,- per jaar.

2.6.

Bij brief van 24 april 2012 heeft de commissie de gemeente laten weten dat zij negatief adviseert over de huurovereenkomst, maar dat zij de bewoners vrij laat in het accepteren van de voorwaarden. Zij deelt tevens mee dat de commissie wordt opgeheven.

2.7.

Bij brieven van 7 augustus 2012 heeft de advocaat van de gemeente de individuele bewoners benaderd en medegedeeld dat de gemeente voornemens is hen in rechte te betrekken, hetgeen zij kunnen voorkomen door te erkennen dat de gemeente eigenaar is van de stroken grond, waarbij de gemeente bereid is een huurovereenkomst met betrekking tot die stroken grond met de betrokkenen aan te gaan. In het geval de eigendom van de gemeente niet wordt erkend, dient de brief als een stuitingshandeling met betrekking tot de lopende verjaring te worden opgevat.

2.8.

[gedaagde] is de eigenaar van het erf aan het [straat] [cijfer] te [woonplaats], kadastraal bekend als gemeente [woonplaats], [naam].

3 Het geschil

3.1.

De gemeente heeft - na wijziging van eis - gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

a voor recht verklaart dat de gemeente eigenaar is van de grondstrook, zoals met (licht) blauw weergegeven op de als productie 25 overgelegde kaarten, dan wel voor recht verklaart dat de gemeente eigenaar is van de door de rechtbank in goede justitie te bepalen stroken grond,

b [gedaagde] veroordeelt de onder a bedoelde grond met al de haren te ontruimen, te verlaten, ontruimd te houden en ter vrije beschikking te stellen van de gemeente, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag, dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, en met machtiging aan de gemeente om, indien [gedaagde] nalatig blijft aan het voormelde te voldoen, dit zelf te doen uitvoeren op kosten van [gedaagde], zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie, en desgewenst onder zodanige voorwaarden als de rechtbank zal oordelen,

c [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van het geding, bij niet betaling vermeerderd met wettelijke rente daarover vanaf de 15e dag na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis, alsmede [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt in de nakosten.

3.2.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd dat de rechtbank de vorderingen van de gemeente afwijst met veroordeling bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, van de gemeente in de proceskosten en de nakosten, bij niet betaling vermeerderd met wettelijke rente daarover vanaf de 10e dag na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De gemeente heeft gesteld dat [gedaagde] inbreuk maakt op het eigendomsrecht van de gemeente doordat zij de aan haar erf grenzende strook grond (de gemeenteberm), welke eigendom van de gemeente is, onrechtmatig gebruikt. De omvang van deze strook grond is blauw gekleurd aangegeven op de ter gelegenheid van de pleidooien overgelegde tekening van de gemeente met het nummer [naam] en de vermelding ‘situatie met kadastrale grenzen [straat] nr. [cijfer]’. Op de tekening staan de precieze afmetingen van de strook grond vermeld. Deze tekening zal aan het vonnis worden gehecht.

4.2.

[gedaagde] heeft het verweer gevoerd dat zij inmiddels door verkrijgende verjaring op grond van het bepaalde in artikel 3:306 jo 3:105 Burgerlijk Wetboek (BW) eigenaar is geworden van de desbetreffende strook grond.

Zij is met haar voormalig echtgenoot vanaf 31 oktober 1990 eigenaar van haar perceel. Zij en haar voormalig echtgenoot hebben zelf een woning op dat perceel gebouwd en zij wonen daar vanaf medio 1991. Vanaf 10 februari 2005 is zij enig eigenaar.

De strook grond tussen de bestrating van het [straat] en haar erf was een onderdeel van een bosperceel. Er staan vanaf 1986 hoge bomen op. Zij heeft in 1991 (elders in de conclusie van antwoord staat vanaf begin 1992) de strook grond bij haar erf getrokken. Zij heeft dat gedaan door het aanbrengen van een ondoordringbare haag, waarachter zij in de houtopslag een aarden wal heeft aangebracht.

Volgens haar heeft zij de strook grond op die wijze in bezit genomen en meer als 20 jaar onafgebroken in bezit gehouden en heeft zij zich voortdurend en ondubbelzinnig als eigenaar daarvan gedragen.

4.3.

De gemeente heeft op dit verweer gereageerd met de stelling dat er voor verkrijgende verjaring ondubbelzinnig bezit van de grondstrook vereist is, maar dat daar in dit geval geen sprake van is.

Bezit is het houden van een goed voor zichzelf (3:107 lid BW). Of daar sprake van is dient beoordeeld te worden naar verkeersopvattingen op grond van de uiterlijke feiten (3:108 BW). Verder dient de bezitter zich te gedragen alsof hij de eigenaar van het goed is, waarbij het duidelijk moet zijn dat de macht van de oorspronkelijke eigenaar is geëindigd. De bezitter moet tegenover de oorspronkelijk eigenaar zo handelen, dat deze daaruit kan opmaken dat de bezitter de eigendom pretendeert. De oorspronkelijke eigenaar kan dan tijdig maatregelen nemen om verjaring te voorkomen.

Volgens de gemeente heeft [gedaagde] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij ondubbelzinnig bezit van de strook grond heeft gehad. Het gebruik van de strook grond als onderdeel van haar erf is daarvoor onvoldoende. Een dergelijk gebruik kan ook plaatsvinden door een huurder, pachter of bruiklener van de strook grond. Dat gebruik hoefde voor de gemeente geen aanleiding te zijn om daaruit af te leiden dat [gedaagde] pretendeerde de eigenaar van de strook grond te zijn.

4.4.

Voor het verkrijgen van de eigendom van de strook grond is vereist dat de verkrijger gedurende een periode van 20 jaar onafgebroken het ondubbelzinnige bezit van de strook grond heeft gehad.

4.5

Tussen de partijen staat vast dat de lopende verjaring op 7 augustus 2012 door de brief van de advocaat van de gemeente is gestuit. De verjaringstermijn van 20 jaar is dus voltooid als [gedaagde] in ieder geval vanaf 6 augustus 1992 onafgebroken het bezit van de strook grond heeft gehad. [gedaagde] heeft gesteld dat zij in 1991 of begin 1992 de strook grond in bezit heeft genomen door die strook grond bij haar erf te trekken. De gemeente heeft dat niet weersproken. Daarmee staat vast dat de verjaringstermijn van 20 jaar is voltooid.

4.6.

Verder is voor het verkrijgen van de eigendom van de strook grond vereist dat [gedaagde] in die periode van 20 jaar het ondubbelzinnige bezit van die strook grond heeft gehad. Of er sprake is van ondubbelzinnig bezit moet worden beoordeeld naar verkeersopvattingen op grond van de uiterlijke feiten. Uit die uiterlijke feiten moet blijken dat [gedaagde] pretendeerde de eigenaar van de strook grond te zijn en wel op een zodanige manier, dat de gemeente uit haar handelwijze moet hebben kunnen afleiden dat zij haar eigendom van de strook grond na verloop van 20 jaar zou verliezen. Als dat niet het geval is, is er geen sprake van ondubbelzinnig bezit.

4.7.

De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijk ondubbelzinnig bezit van [gedaagde] sprake is geweest. Zij is op grond van het onderstaande tot dat oordeel gekomen.

De gemeente heeft er geen bezwaar tegen gehad dat [gedaagde] de strook grond gebruikte. Dat gebruik alleen is nog niet genoeg om tot een ondubbelzinnig bezit te concluderen. De vraag is uit welke feiten en/of omstandigheden blijkt dat de gemeente er op bedacht moest zijn dat zij haar eigendom door verjaring zou gaan verliezen.

Bij gelegenheid van de descente op 9 oktober 2014 heeft de rechtbank geconstateerd dat [gedaagde] op de grens tussen de bestrating van het [straat] en de strook grond een hoge heg van laurierstruiken heeft geplaatst. Achter de hoge heg heeft [gedaagde] op de strook grond een aarden wal aangebracht. De heg is ondoordringbaar en met de aarden wal daarachter maakt zij het voor derden onmogelijk de strook grond vanaf het [straat] te betreden.

Op grond van deze uiterlijke omstandigheden kan worden geconcludeerd dat de gemeente er op bedacht moest zijn dat zij haar eigendom zou gaan verliezen. [gedaagde] heeft immers de strook grond zo afgeschermd van het [straat], dat de gemeente de strook grond niet meer kan betreden. Nu gesteld noch gebleken is dat de gemeente op een of ander manier vóór 7 augustus 2012 bezwaar heeft gemaakt tegen deze inbezitneming, leidt dit tot de conclusie dat [gedaagde] de eigendom van de strook grond op grond van verjaring heeft verkregen.

4.8.

Uit het voorafgaande volgt dat het verweer van [gedaagde] slaagt en dat de vorderingen van de gemeente afgewezen moeten worden.

4.9.

De gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de door [gedaagde] gemaakte proceskosten, echter - met uitzondering van 1 punt voor de conclusie van antwoord - slechts voor 1/23 deel. De gemeente heeft 23 afzonderlijke zaken in één dagvaarding ondergebracht, maar daardoor ontstaat voor [gedaagde] en de andere gedaagden niet het recht om ieder de volledige vergoeding van de proceskosten te ontvangen, terwijl hun advocaat voor het merendeel slechts die proceskosten heeft gemaakt, die hij in een enkele zaak gehad zou hebben.

4.10.

De rechtbank begroot de proceskosten als volgt:

verschotten: € 274,- door [gedaagde] en de andere gedaagden betaald vastrecht,

salaris advocaat € 2.260,- (5 punten x € 452,- [tarief II])
--------------- +

totaal € 2.534,- : 23 = € 110,17 + € 452,- (voor de conclusie van antwoord) = € 562,17 bij niet betaling binnen veertien dagen na dit vonnis te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de 15e dag na dit vonnis tot aan de dag der voldoening.

4.11.

De gemeente zal tevens worden veroordeeld in de door [gedaagde] te maken nakosten, tot op heden begroot op € 131,- of, indien de gemeente niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en betekening nodig is geweest, op € 199,- bij niet betaling binnen veertien dagen na dit vonnis te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de 15e dag na dit vonnis tot aan de dag der voldoening.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de vorderingen van de gemeente af,

5.2.

veroordeelt de gemeente in de door [gedaagde] gemaakte proceskosten tot op heden begroot op € 562,17, bij niet betaling binnen veertien dagen na dit vonnis te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de 15e dag na dit vonnis tot aan de dag der voldoening,

5.3.

veroordeelt de gemeente tot de door [gedaagde] te maken nakosten, tot op heden begroot op € 131,- of, indien de gemeente niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en betekening nodig is geweest, op € 199,-, bij niet betaling binnen veertien dagen na dit vonnis te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de 15e dag na dit vonnis tot aan de dag der voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis, voor zover het een veroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.H. Bruggink en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2014.