Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:6298

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-10-2014
Datum publicatie
31-10-2014
Zaaknummer
13 _ 4144
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schending van de inlichtingenplicht. Beleidsregel boete werknemer 2013. Evenredigheid. Geen sprake van een opzettelijk en frauduleus handelen. Boete door de rechtbank vastgesteld op € 150,00.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/4144

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 oktober 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. L.I. Olivier),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Drossaert).

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 3.627,56.

Bij besluit van 4 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 22 november 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek te heropenen ten behoeve van een nadere vraagstelling aan verweerder.

Bij brief van 19 maart 2014 heeft verweerder gereageerd op de vraagstelling.

De rechtbank heeft aanleiding gezien de zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 9 september 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser heeft op 20 december 2012 bij verweerder een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 17 januari 2013 heeft verweerder eiser met ingang van 1 januari 2013 een WW-uitkering toegekend. Eiser heeft op 4 maart 2013 door middel van een digitaal Inkomstenformulier WW betreffende de periode 21 januari 2013 tot en met 17 februari 2013 aan verweerder de gewerkte uren van 21 januari 2013 tot en met 1 februari 2013 bij Delta Elektro BV doorgegeven. Tevens heeft eiser op genoemde datum door middel van een Wijzigingsformulier WW aan verweerder doorgegeven dat hij in de weken 1, 2 en 3 van 2013 heeft gewerkt. Eiser heeft op dit formulier de vraag gesteld op welke wijze hij de gewerkte uren moet doorgegeven, omdat het Inkomstenformulier pas begint bij 21 februari 2013 (lees: 21 januari 2013).

2. Verweerder heeft geconstateerd dat eiser de door hem gewerkte uren over de periode van 31 december 2012 tot en met 17 februari 2013 niet juist en te laat heeft doorgegeven. Bij besluit van 24 april 2013 heeft verweerder de WW-uitkering van eiser met ingang van 31 december 2012 herzien en de teveel betaalde uitkering over de periode van 31 december 2012 tot en met 17 maart 2013 ter hoogte van € 3.627,56 (bruto) van hem teruggevorderd. Eiser heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt, zodat dit besluit thans in rechte vaststaat.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bij het primaire besluit opgelegde boete van € 3.627,56 gehandhaafd. Volgens verweerder heeft eiser de inlichtingenplicht geschonden doordat hij niet onverwijld aan verweerder heeft gemeld dat hij met ingang van de eerste week van januari 2013 werkzaamheden is gaan verrichten bij Delta Elektro BV. Verweerder heeft geen aanleiding gezien de boete te matigen.

4. Bij brief van 19 maart 2014 heeft verweerder medegedeeld aanleiding te zien op basis van artikel 6, tweede lid, van de Beleidsregel boete werknemer 2013 (Besluit van 24 september 2013, Stcrt. 2013, 31799) de boete vast te stellen op 25% van het benadelingsbedrag. Dit leidt ertoe dat de boete met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit) wordt vastgesteld op € 910,00. Het beroep is daarom reeds gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

6. Tussen partijen is thans in geschil de boete van € 910,00. Eiser voert aan dat hem geen verwijt treft. Hij heeft tijdig aan verweerder melding gedaan van zijn inkomsten, maar verweerder heeft daarop geen actie ondernomen.

7. De rechtbank volgt eiser niet in deze beroepsgrond. Vaststaat immers dat eiser eerst op 4 maart 2013 aan verweerder heeft doorgegeven dat hij in de weken 1 tot en met 5 van 2013 heeft gewerkt. Gelet hierop heeft eiser niet onverwijld gemeld dat hij met ingang van de eerste week van 2013 is gaan werken.

8. Met betrekking tot de vraag of verweerder terecht een boete heeft opgelegd, wijst de rechtbank op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 11 maart 2009,

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7780. Hierin heeft de CRvB overwogen dat, in verband met het bestraffende karakter van een boete, het essentieel is dat de betrokkene niet alleen objectief maar ook subjectief een verwijt valt te maken van de onjuiste informatieverstrekking. Dat is naar het oordeel van de rechtbank hier het geval. Onbetwist is dat eiser naar aanleiding van zijn aanvraag om een WW-uitkering via een mailbericht van verweerder en bij het toekenningsbesluit van 17 januari 2013 erop is gewezen dat hij wijzigingen in zijn situatie of zijn inkomen meteen aan verweerder moest doorgeven. Dat eiser hiervan op de hoogte was blijkt ook uit het feit dat hij op 4 maart 2013 - weliswaar niet onverwijld - uit eigen beweging heeft doorgegeven dat hij met ingang van de eerste week van 2013 is gaan werken en dat hij van de weken 4 en 5 van 2013 de door hem gewerkte uren heeft doorgegeven.

9. Voor zover eiser stelt dat het schenden van de inlichtingenplicht hem niet kan worden verweten, omdat hij in de veronderstelling was dat hij informatie over zijn werkhervatting pas kon doorgeven op het moment dat de gewerkte uren werden uitbetaald, wijst de rechtbank erop dat het verrichten van werkzaamheden op zichzelf al relevant is in het kader van de WW, omdat het bij de WW gaat om een verlies aan arbeidsuren en niet om een verlies aan inkomsten. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat in de toekenningsbrief WW van 17 januari 2013 expliciet staat vermeld dat eiser wijzigingen in zijn situatie binnen één week nadat deze bij hem bekend hadden kunnen zijn, moest doorgeven. Eiser had dit dus reeds binnen een week na aanvang van zijn werkzaamheden op 3 januari 2013 moeten melden. Dit betekent dat verweerder op grond van artikel 27a, eerste lid, van de WW gehouden was aan eiser een boete op te leggen. De rechtbank is van oordeel dat de door eiser gestelde omstandigheden geen dringende reden vormen als bedoeld in artikel 27a, achtste lid, aanhef en onder b, van de WW om van het opleggen van een boete af te zien.

10. Eiser voert aan dat voor zover er al sprake zou zijn van verwijtbaarheid, de thans opgelegde boete van 25% van het benadelingsbedrag niet evenredig is met de mate van verwijtbaarheid van eiser.

11. De vraag is aan de orde of de boete evenredig is. Verweerder moet bij de aanwending van de bevoegdheid een boete op te leggen, de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet zo nodig rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op de hoogte van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op ten minste € 150,00 wordt vastgesteld. Bij verminderde verwijtbaarheid wordt de bestuurlijke boete verlaagd. In artikel 2a, tweede lid en onder c, van het Boetebesluit is - voor zover hier van belang - bepaald dat bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de betrokkene wordt verweten, in ieder geval tot verminderde verwijtbaarheid leidt dat de betrokkene wel inlichtingen heeft verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld heeft gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen heeft verstrekt, voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid, nu eiser uit eigen beweging alsnog bij verweerder heeft gemeld dat hij bij Delta Elektro BV was gestart met werkzaamheden.

12. Gelet op de verminderde verwijtbaarheid heeft verweerder de boete gematigd. Verweerder heeft de boete met toepassing van de Beleidsregel boete werknemer 2013 verlaagd tot 25% van het benadelingsbedrag, omdat eiser zijn melding minder dan één jaar te laat heeft gedaan en het benadelingsbedrag niet hoger was dan € 5.000,00.

13. De rechtbank ziet evenwel in de gegeven omstandigheden aanleiding tot verdere matiging van de boete. Daartoe overweegt de rechtbank dat het niet (tijdig) doorgeven van gewerkte uren op zichzelf een ernstige overtreding oplevert, aangezien deze gegevens van wezenlijk belang zijn voor het vaststellen van (de hoogte van) een WW-uitkering. Naast de ernst van de overtreding acht de rechtbank echter ook van betekenis dat niet is gebleken dat eiser opzettelijk de inlichtingenplicht heeft overtreden. Eiser heeft immers niet gehandeld met het oogmerk er financieel beter van te worden. Er is eerder sprake van slordigheid of onachtzaamheid dan van een opzettelijk en frauduleus handelen. De overtreding van de inlichtingenplicht heeft bovendien slechts eenmalig plaatsgevonden (zie de uitspraak van de CRvB van 27 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM5914). Tevens acht de rechtbank van belang dat eiser weliswaar te laat maar niettemin uit eigen beweging heeft gemeld dat hij met ingang van de eerste week van 2013 werkzaamheden is gaan verrichten. Eiser deed dit ruimschoots binnen de in verweerders beleid gehanteerde periode van een jaar. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een boete van € 150,00 evenredig moet worden geacht.

14. Eiser voert tot slot aan dat verweerder de boete niet juist heeft berekend, omdat de boete ook is berekend over de teveel betaalde WW over de weken 4 en 5 van 2013. Eiser stelt de inkomsten over deze twee weken juist en tijdig aan verweerder te hebben doorgegeven. Gelet op de matiging tot de minimumboete komt de rechtbank niet meer toe aan bespreking van deze beroepsgrond.

15. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het primaire besluit wordt herroepen en dat aan eiser een boete van € 150,00 wordt opgelegd.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.704,50 (1 punt voor het indienen van het (aanvullend) beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 22 november 2013, ½ punt voor het dienen van repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 9 september 2014, met een waarde per punt van € 487,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit, bepaalt dat de boete wordt vastgesteld op € 150,00 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,00 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.704,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Tadic, voorzitter, en mr. B.A.J. Zijlstra en

mr. S. Croes, leden, in aanwezigheid van drs. J.G.J. van Geesink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.