Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:6276

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-10-2014
Datum publicatie
21-10-2014
Zaaknummer
C/01/275692 / HA ZA 14-170
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:5154, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Contradictoir. Onderwerp onbekend.

Aansprakelijkheid arbiters wegens (kennelijk) grovelijke miskenning van hetgeen behoort tot hun taakvervulling. Toepassing Greenworldarrest

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvA 2015/15
RAV 2015/20
NTHR 2015, afl. 1, p. 42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/275692 / HA ZA 14-170

Vonnis van 15 oktober 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. R.G.A.M. Theunissen te [woonplaats],

tegen

1 [verweerder 1],

wonende te [woonplaats],

2. [verweerder 2],

wonende te [woonplaats],

3. [verweerder 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. Ph.C.M. van der Ven te ’s-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna [eiser] en de arbiters genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 30 april 2014

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 16 september 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] praktiseert als tandarts en tandheelkundig specialist.

Hij heeft samen met [eiser] vanaf september 2004 in maatschap de tandartsenpraktijk [naam] uitgeoefend. Daarnaast heeft [eiser] met de echtgenoot van [eiser], [naam], vanaf 1 september 2004 in een maatschap een handelsonderneming in tandartsbenodigdheden gedreven onder de naam [naam].

2.2.

Tussen [eiser] enerzijds en [eiser] en [naam] (hierna [naam]) anderzijds zijn in 2007 ten aanzien van beide samenwerkingsverbanden ernstige geschillen ontstaan.

Zij hebben hun geschillen over met name de wijze van eindigen van de maatschappen overeenkomstig art. 19 van een van de maatschapsovereenkomsten aan de arbiters voorgelegd.

2.3.

Op 2 oktober 2008 zijn gedaagden door de voorzitter van de Kamer van Koophandel tot arbiters benoemd met inachtneming van het bepaalde in het arbitragereglement van de Kamer van Koophandel Brabant.

Het betreffende arbitragereglement bepaalt voorzover hier van belang het volgende:

Artikel 18 – Wraking van de rechter
(…)
3. De wrakende partij brengt de wraking onder opgave van redenen schriftelijk ter kennis van de desbetreffende arbiter, de wederpartij, de voorzitter en, indien het scheidsgerecht uit meer arbiters bestaat, de mede-arbiters. Deze kennisgeving wordt gedaan binnen een week na ontvangst van de in artikel 11 bedoelde mededeling of, bij gebreke daarvan, binnen een week nadat de reden tot wraking aan de wrakende partij bekend is geworden.
4. Indien de wraking niet overeenkomstig de bepalingen van het vorige lid is aangebracht, vervalt het recht op wrakingsgronden nadien, in het arbitraal beding of bij de rechter, een beroep te doen.
(…)

Artikel 63 – Uitsluiting van aansprakelijkheid
De kamer, haar voorzitter, directeur, enig werknemer of een arbiter kan niet aansprakelijk worden gesteld voor enig handelen of nalaten met betrekking tot een arbitrage waarop dit Reglement van toepassing is”


2.4. In de arbitrageprocedure hebben [naam] tweemaal een wrakingsverzoek ingediend. Op deze verzoeken, gedateerd 14 mei 2009 en 8 februari 2010, hebben arbiters zich niet teruggetrokken. [naam] hebben zich daarbij de facto neergelegd, nu zij die wrakingsverzoeken niet op de voet van art. 1035 lid 2 Rv. aan de voorzieningenrechter hebben voorgelegd.

2.5.

Bij brief van 8 juni 2010 heeft gedaagde sub 3, [naam], namens de arbiters [eiser] en [naam] bericht dat het arbitraal vonnis voor toezending aan partijen gereed ligt, en de arbitragekosten in het vonnis zijn vastgesteld. In deze brief verzoeken de arbiters [eiser] en [naam] elk een nader depot van € 7.500,- te storten waarna tot afgifte van het vonnis zal worden overgegaan.

2.6.

Bij brief van 2 juli 2010 bericht de advocaat van [naam] de arbiters het volgende:

“Inmiddels heeft de behandeling in hoger beroep plaatsgevonden inzake het faillissement van [eiser].
Ter zitting bleek, dat zowel de curator als [naam], hoewel arbiters het vonnis nog niet uitgesproken hebben, op de hoogte waren van de inhoud daarvan.
Ik stel vast dat hiermede door arbiters fundamentele beginselen van procesrecht zijn geschonden, zodat het vonnis als zijnde in strijd met de openbare orde, voor vernietiging in aanmerking komt ingeval dit al zou worden uitgesproken.”

2.7.

Op 7 juli 2010 geeft de voorzitter arbitrage commissie hierop de volgende reactie:

“Naar aanleiding van uw brief van 2 juli 2010 bericht ik u hiermee, mede namens de beide collega arbiters, dat het vonnis nog niet is uitgesproken. Indien [naam] en de curator hierover uitlatingen hebben gedaan, komen deze voor hun rekening en zijn niet gebaseerd op kennisname van het (concept)vonnis.”

2.8.

Op 20 juli 2010 heeft de advocaat van [naam] de arbiters voor een derde keer gewraakt. Deze brief kent de volgende passages:

“Ik verwijs u naar artikel 1035 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. (…)
Cliënten wraken u allen omdat er gerechtvaardigde twijfel omtrent Uw aller onafhankelijkheid en onpartijdigheid is op grond van het navolgende:
(…)
f.
Arbiters hebben zoals uit schriftelijke mededelingen van de ex-curator en de advocaat van de wederpartij blijkt de wederpartij van de inhoud kennis doen nemen van een vonnis, dat nog te wijzen is, daarmede fundamentele rechtsbeginselen schendend.
(…)
U wordt verzocht zich binnen twee weken na de dag van ontvangst van deze kennisgeving terug te trekken, waarna ik mij op verzoek van cliënten tot de Voorzieningenrechter zal wenden met het verzoek over de gegrondheid van de wraking te beslissen”.

2.9.

Bij brief van 2 augustus 2010 reageert de voorzitter arbitrage commissie op de volgende wijze:

“In antwoord op uw brief van 20 juli deel ik u hiermee, namens de arbitrage commissie, mede dat wij niet voornemens zijn ons als arbiters terug te trekken. Aan uw verzoek zal niet worden voldaan.”

2.10.

Op 8 augustus 2010 heeft [eiser] een totaalbedrag van € 15.000,- naar het door de arbiters opgegeven rekeningnummer overgemaakt, waarmee hij ook het aanvullende deel heeft betaald dat [naam] zou moeten voldoen.

2.11.

Op 9 augustus 2010, daags nadat aanvullende voorschot was ontvangen, hebben arbiters (gedeeltelijk eind)vonnis gewezen, waaronder de ontbinding van de onder 2.1 genoemde maatschap [naam] per 31 december 2009 met een verklaring voor recht dat [eiser] met ingang van 1 januari 2010 de tandartspraktijk van [naam] op de locatie in [woonplaats] mag voortzetten alsmede een verklaring voor recht dat de onder 2.1 genoemde maatschap [naam] per 31 december 2008 is beëindigd.

In dit vonnis is naar aanleiding van het tweede wrakingsverzoek gedateerd 8 februari 2010 het volgende overwogen:

“Op het wrakingsverzoek hoeft naar het oordeel van arbiters niet alsnog te worden beslist. Het wrakingsverzoek dateert van 8 februari 2010 en is gebaseerd op het arbitragereglement. Ook de wet kent een wrakingsprocedure, die is geregeld in artikel 1035 Rv. Indien de gewraakte arbiter zich niet binnen twee weken na de dag van ontvangst van de kennisneming van wraking terugtrekt, wordt op verzoek van de meest gerede partij door de Voorzieningenrechter van de Rechtbank beslist over de gegrondheid van het verzoek tot wraking, zulks ingevolge artikel 1035 Rv lid 2. Wordt dit niet binnen vier weken na de dag van ontvangst van de kennisgeving gedaan, dan vervalt het recht tot wraking. Artikel 1035 Rv is van dwingend recht, met inbegrip van de daarin genoemde termijnen (zie MvT, Kamerstukken II, 1983/1984, 18464, nr. 3, pagina 13). Dat geval doet zich hier naar het oordeel van arbiters voor. Het recht tot wraking is vervallen. Er is geen voorziening ter zake in rechte gevraagd, zodat de afhandeling van de arbitrage niet behoeft te worden opgeschort.”

2.12.

Bij verzoekschrift gedateerd 5 augustus 2010 en ter griffie van de rechtbank ingekomen op 12 augustus 2010, hebben [naam] de voorzieningenrechter verzocht de wraking gegrond te verklaren.

2.13.

Bij beschikking van 30 september 2010 heeft de voorzieningenrechter de wraking gegrond verklaard.
Voor zoveel hier van belang overwoog de voorzieningenrechter het volgende:

“Het feit dat de arbiters in de onderhavige arbitrageprocedure de beslissing van de voorzieningenrechter op het wrakingsverzoek niet hebben afgewacht en reeds op 9 augustus 2010 een gedeeltelijk eindvonnis hebben gewezen, levert in beginsel grond op voor een gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de arbiters.”.


2.14. Op vordering van [naam] heeft deze rechtbank bij vonnis van 16 november 2011 het op 9 augustus 2010 door arbiters uitgesproken vonnis vernietigd.
Voor zoveel hier van belang overwoog de rechtbank het volgende:

“4.4. Duidelijk is dat arbiters niet voornemens waren om zich op het wrakingsverzoek d.d. 20 juli 2010 terug te trekken. Maar in ’s Hogen Raads uitleg van artikel 1035 Rv. hadden zij, buiten het geval van spoed, alvorens einduitspraak te doen de termijn dienen af te wachten waarbinnen [naam] het verzoek op grond van artikel 1035 lid 2 Rv. aan de voorzieningenrechter hadden kunnen doen en, zo dat verzoek werd gedaan, de uitspraak daarop dienen af te wachten. En als vervolgens de voorzieningenrechter de wraking gegrond zou hebben verklaard, dan hadden zij zich moeten laten vervangen (art. 1035 lid 3 Rv.).
4.5. Nu zij die lijn niet gevolgd hebben leidt de gegrondverklaring van de wraking tot het rechtsgevolg dat het scheidsgericht toen het op 9 augustus 2010 vonnis wees, in strijd met de daarvoor geldende regelen was samengesteld (art. 1065 lid 1 sub b. Rv.). Daaraan doet niet af dat die onregelmatige samenstelling eerst achteraf is vastgesteld.
Op deze grond behoort het arbitraal vonnis te worden vernietigd.”

Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.

2.15.

Bij brief van 1 december 2011 heeft (de advocaat van) [eiser] de arbiters ieder afzonderlijk aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van deze vernietiging.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert voor recht te verklaren dat de arbiters ieder voor zich aansprakelijk zijn voor de schade – op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet – die [eiser] lijdt en nog zal lijden door de vernietiging van het arbitraal vonnis dat op 9 augustus 2010 door arbiters is gewezen in de zaak tussen [eiser] en [naam], vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

De arbiters voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de arbiters hetgeen behoort tot hun taakvervulling (kennelijk) grovelijk hebben miskend. Zij hebben immers een essentieel wettelijk voorschrift dat aan duidelijkheid niets te wensen overlaat, overtreden, in welk verband zij verwijzen naar het onder r.o. 2.13. opgenomen citaat van de voorzieningenrechter.

Ter comparitie heeft [eiser] nader toegelicht dat de schade waarvoor de arbiters in de visie van [eiser] aansprakelijk zijn bestaat uit de arbitragekosten van circa € 47.000,-, een gedeelte van advocaatkosten die zijn gemaakt in het kader van de wrakings- en vernietigingsprocedure, nodeloos gemaakte begeleidingskosten door [naam], kosten van [naam] vanwege de scheiding- en delingsprocedure en opgelopen schade als gevolg van de vertraging in de geschillenbeslechting.

[eiser] betwist dat het arbitragereglement van de Kamer van Koophandel Brabant, en dan met name het in art. 63 opgenomen exoneratiebeding, op de arbitrageovereenkomst van toepassing is.

4.2.

De arbiters voeren hiertegen bij antwoord - zakelijk weergegeven - primair aan dat:
- [naam] al eerder twee wrakingsverzoeken hadden gedaan zonder vervolgens de voorzieningenrechter op de voet van art. 1035 Rv lid 2 te vragen over de gegrondheid van de wraking te beslissen en dat op het moment van wijzen van het arbitraal vonnis het (derde) wrakingsverzoek nog niet bij de voorzieningenrechter was ingediend;
- de arbiters het verzoek gedaan bij brief van 20 juli 2010 niet als zelfstandig wrakingsverzoek hoefden te beschouwen omdat alleen de in sub f van deze brief genoemde omstandigheid niet eerder als wrakingsgrond is genoemd en de brief van 20 juli 2010 niet aan het bepaalde in art. 18 lid 3 van het arbitragereglement voldeed omdat de wraking niet schriftelijk aan de voorzitter van de kamer van koophandel is gemeld zoals dat wel bij de eerdere wrakingsverzoeken was gebeurd;

  • -

    art. 18 leden 3 en 4 van het arbitragereglement bepalen dat binnen een week nadat de reden tot wraking aan de wrakende partij bekend is geworden hiervan kennisgeving moet worden gedaan aan onder meer de arbiters en bij gebreke waarvan het recht om nadien op de wrakingsgrond een beroep te doen bij de rechter vervalt en deze termijn hebben de arbiters gelet op de inhoud van de onder r.o. 2.6. genoemde brief van de advocaat van [naam] afgewacht;

  • -

    de arbiters volkomen te goeder trouw in de veronderstelling hebben verkeerd dat zij in de omstandigheden van dit geval vonnis konden wijzen zonder de termijn van vier weken af te wachten;

  • -

    de voorzieningenrechter het verzoek van 20 juli 2010 kennelijk wel als zelfstandig wrakingsverzoek heeft aangemerkt en vervolgens een beschikking heeft gegeven die volgens de arbiters onjuist en innerlijk tegenstrijdig is;

  • -

    [eiser] enkel heeft gesteld dat de arbiters een essentieel wettelijk voorschrift hebben overtreden en deze stelling gelet op het voorgaande en dat in onderling samenhang bezien onvoldoende is om te voldoen aan de maatstaf die de Hoge Raad in het Greenworld-arrest heeft aangelegd.

4.3.

Ter comparitie hebben de arbiters nog nader toegelicht dat de voorzieningenrechter de verzochte wraking had moeten afwijzen omdat wraking niet meer mogelijk is nadat arbitraal eindvonnis is gewezen. Eventueel zou vernietiging gevorderd kunnen worden maar daarvoor geldt onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 1994, NJ 1994, 765 (Nordström/Nievelt Goudriaan) een strengere maatstaf dan voor wraking, namelijk dat sprake moet zijn van een vonnis dat in strijd is met de openbare orde. Gemeten naar die maatstaf zou een vernietiging niet hebben plaatsgevonden.

4.4.

Subsidiair voeren de arbiters aan dat zij op grond van art. 63 van het arbitragereglement (dat volgens de arbiters wel degelijk van toepassing is) niet aansprakelijk kunnen worden gesteld voor enig handelen of nalaten met betrekking tot een arbitrage waarop dit reglement van toepassing is. Meer subsidiair betwisten de arbiters de aard en omvang van de schade en zij menen dat [eiser] niet heeft voldaan aan zijn schadebeperkingsplicht door na te laten terstond om benoeming van nieuwe arbiters te verzoeken.

4.5.

De rechtbank stelt voorop dat [eiser] en [naam] op basis van een in één van de maatschapsovereenkomsten vastgelegde geschillenregeling voor arbitrage hebben gekozen. Daarna is de voorzitter van de Kamer van Koophandel in lijn met deze geschillenregeling tot benoeming van de arbiters overgegaan. Uit het overgelegde benoemingsbesluit blijkt dat deze voorzitter de benoeming met inachtneming van het arbitragereglement van de Kamer van Koophandel Brabant heeft gedaan. Vervolgens hebben de arbiters op 21 oktober 2008 een exemplaar van het arbitragereglement naar [eiser] en [naam] toegezonden met de mededeling dat dit reglement bij de arbitrage zal worden gehanteerd. De arbiters hebben onbetwist gesteld dat noch [eiser] noch [naam] hiertegen bezwaar heeft gemaakt. Hieruit vloeit voort, mede gelet op het bepaalde in art. 1020 lid 6 Rv, dat dit arbitragereglement integraal deel uitmaakt van de arbitrageovereenkomst.

4.6.

De rechtbank stelt verder voorop dat zowel ten aanzien van overheidsrechtspraak als de in Boek 4 Rv. geregelde arbitrage geldt dat slechts in uitzonderlijke gevallen een na instelling van een rechtsmiddel onjuist bevonden (scheids)rechterlijke uitspraak kan leiden tot aansprakelijkheid op grond van onrechtmatig handelen.

De achtergrond hiervan is dat een wettelijke regeling van tegen rechterlijke beslissingen aan te wenden rechtsmiddelen niet is gebaseerd op de gedachte dat slechts één uitspraak betreffende een tussen partijen gerezen geschil de juiste kan zijn. Dat na het instellen van een rechtsmiddel een andere uitspraak volgt, behoeft niet te betekenen dat de vernietigde uitspraak onjuist was, maar kan het gevolg zijn van herstel van een processuele fout, of van een andere presentatie door partijen of beoordeling door de rechter van het voorgelegde geschil of het daaraan ten grondslag liggende feitencomplex, of zelfs van een minder juiste beoordeling door de hogere rechter. De regeling van de rechtsmiddelen stelt weliswaar de laatst gedane uitspraak boven de eerdere uitspraak, maar dat is geen grond de eerdere (scheids)rechterlijke beoordeling in de vernietigde uitspraak in beginsel onrechtmatig te houden.
Ook de omstandigheid dat de (scheids)rechter in vrijheid en onbevangenheid over het hem voorgelegde geschil moet kunnen oordelen, waarbij over de beslissing van de zaak vaak in redelijkheid verschillend kan worden gedacht, noopt ertoe om een uitspraak die na aanwending van een rechtsmiddel wordt vernietigd slechts in uitzonderlijke gevallen onrechtmatig te achten.

Arbiters kunnen slechts persoonlijk aansprakelijk worden gesteld indien zij met betrekking tot de vernietigde beslissing opzettelijk of bewust roekeloos hebben gehandeld dan wel met kennelijke grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt, aldus HR 4 december 2009, ECLI:NL:HR2009:BJ7834 (Greenworld).

Aan de hand van deze maatstaf zal de rechtbank het geschil beoordelen.

4.7.

Vaststaat dat de arbiters partijen op voorhand hebben laten weten dat het arbitraal vonnis gereed ligt maar dat elk van partijen nog een aanvullend bedrag van ieder € 7.500,- zou moeten betalen voordat vonnis gewezen zou kunnen worden. Vervolgens heeft de advocaat van [naam] de arbiters gemeld dat hem onder meer was gebleken dat (de advocaat van) de wederpartij reeds op de hoogte was van de inhoud van het nog te wijzen arbitraal vonnis waarna een wrakingsverzoek volgde waarin deze grond werd genoemd. Daarna heeft [eiser] het volledige bedrag, dus ook het deel dat [naam] hadden moeten betalen, voldaan.

Onder deze omstandigheden hadden naar het oordeel van de rechtbank bij de arbiters alle alarmbellen moeten afgaan.

Artikel 1035 Rv bepaalt weliswaar dat de arbiters de mogelijkheid hebben in geval van wraking het geding hangende de wraking niet te schorsen maar uit HR 19 juni 2007, NJ 2008, 177 volgt dat bevoegdheid niet zo ver gaat dat de arbiters een (al dan niet gedeeltelijk) eindvonnis kunnen wijzen. In dat geval zou de wrakingsprocedure immers illusoir worden.

4.8.

Door ondanks de dwingendrechtelijk voorgeschreven wachttijd van vier weken onder de hiervoor geschetste omstandigheden toch vonnis te wijzen en zelfs een (gedeeltelijk) eindvonnis te wijzen, hebben de arbiters naar het oordeel van de rechtbank in beginsel blijk gegeven van een kennelijk grove miskenning van wat een behoorlijke taakvervulling meebrengt.

4.9.

Primair hebben de arbiters verschillende verweren aangevoerd die volgens de arbiters aanleiding zouden moeten geven tot een andere weging.

Hierover overweegt de rechtbank het volgende.

Een beroep op de in het arbitragereglement genoemde vervaltermijn van een week kan de arbiters niet baten omdat de in het arbitragereglement opgenomen wrakingsregeling gelet op het dwingend rechtelijk karakter van de wettelijke regeling met inbegrip van de daarin genoemde termijnen niet in de plaats kan komen van een wettelijke regeling (MvT, Kamerstukken II 1983/84, 18 464 nr. 3 p. 13).

Ter comparitie hebben de arbiters aangevoerd dat zij geen acht hebben geslagen op de wettelijke termijn van vier weken als bedoeld in art. 1035 Rv en dachten dat zij na ommekomst van de in artikel 18 lid 3 van het arbitragereglement genoemde termijn van een week, gerekend vanaf 2 juli 2010 (namelijk het moment dat de reden tot wraking aan de wrakende partij -in ieder geval- bekend is geworden) het arbitraal vonnis konden wijzen.
Dit verweer wordt verworpen nu uit de inhoud van het arbitraal vonnis zelf (zie de onder r.o. 2.11. aangehaalde passage) juist blijkt dat de arbiters ten aanzien van het tweede wrakingsverzoek deze norm nadrukkelijk wel hebben toegepast er dus bekend waren met (de implicaties) van deze norm.

Het verweer dat de arbiters het verzoek van 20 juli 2010 niet hoefden op te vatten als een zelfstandig wrakingsverzoek mist overtuigingskracht nu uit hun reactie op dit verzoek blijkt dat de arbiters het verzoek wel degelijk als wrakingsverzoek hebben opgevat en in niet mis te verstane woorden te kennen hebben gegeven geen gehoor te zullen geven aan het wrakingsverzoek.

Een beroep op de formaliteit in artikel 18 lid 3 van arbitragereglement inhoudende dat ook de voorzitter van de Kamer van Koophandel in kennis gesteld moet worden van een wrakingsverzoek kan de arbiters evenmin baten nu de omissie de arbiters niet heeft weerhouden het wrakingsverzoek in behandeling te nemen en hierop inhoudelijk te reageren. Ook is niet gesteld of gebleken dat de arbiters door deze omissie in hun belangen zijn geschaad. Voor zover de arbiters hiermee tevens zouden willen betogen dat zij daarom niet hoefden te wachten of er nog een verzoek zou worden gedaan bij de voorzieningenrechter geldt eveneens dat de wettelijke regeling - naar zij wisten – dwingendrechtelijk is.

Het gegeven dat [naam] al eerder twee wrakingsverzoeken hadden gedaan zonder vervolgens de voorzieningenrechter op de voet van art. 1035 Rv lid 2 de voorzieningenrechter te vragen over de gegrondheid van de wraking te beslissen in combinatie met de omstandigheid dat op het moment van wijzen van het arbitraal vonnis het (derde) wrakingsverzoek nog niet bij de voorzieningenrechter was ingediend, leggen geen gewicht in de schaal. De enkele omstandigheid dat de eerdere twee wrakingsverzoeken door [naam] niet zijn doorgezet is geen toereikend argument om bij een derde wrakingsverzoek de in art. 1035 Rv genoemde termijn niet af te wachten.
De rechtbank betrekt daarbij dat door de arbiters geen redenen zijn aangevoerd waarom de wettelijke termijn niet afgewacht had kunnen worden.

De ter comparitie als verweer geponeerde stelling dat de voorzieningenrechter de wraking had moeten afwijzen omdat het arbitraal vonnis al was gewezen en dit vonnis hoogstens vernietigd had kunnen worden waarvoor een strengere maatstaf geldt (waaraan volgens de arbiters niet is voldaan) gaat niet op.

Vooropgesteld wordt dat de inhoud van het vonnis van de voorzieningenrechter niets afdoet aan het ernstige verwijt dat aan de arbiters te maken valt, te weten dat zij niet hebben afgewacht of een verzoek bij de voorzieningenrechter zou worden gedaan en - zo ja – vervolgens niet die beslissing hebben afgewacht. Bovendien, deze redenering volgend, zouden de arbiters de norm aan de hand waarvan hun handelen in het kader van een wrakingsprocedure getoetst wordt eenzijdig kunnen verhogen door in weerwil van het wrakingsverzoek en het bepaalde in art. 1035 Rv toch eindvonnis te wijzen en een dergelijke gevolgtrekking is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

4.10.

De conclusie is dat de hiervoor aangedragen (primaire) verweren de rechtbank geen aanleiding geeft tot een andere weging. De slotsom is dat voor recht zal worden verklaard dat de arbiters vanwege de kennelijke grove miskenning van wat een behoorlijke taakvervulling meebrengt, onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld.

4.11.

Nu de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk is geworden zal de schadestaatvordering worden toegewezen. De rechtbank verstaat de vordering van [eiser] aldus dat ook een veroordeling wordt gevorderd tot vergoeding van de hierdoor ontstane schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en zal de vordering in deze zin toewijzen.

4.12. Subsidiair hebben de arbiters een beroep gedaan op de in het arbitragereglement opgenomen uitsluiting van aansprakelijkheid. Dit verweer zal in de schadestaatprocedure moeten worden beslecht. De vraag of het beroep op een exoneratie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, kan niet in algemene zin worden beantwoord maar moet worden beantwoord met inachtneming van alle omstandigheden van het geval (HR 15 juni 2012 ECLI:NL:HR:2012:BW0727). Een van die omstandigheden is de hoogte van de schade die ter comparitie alleen in inventariserende zin is aan de orde is gekomen. Zo zal een exoneratie van iedere aansprakelijkheid eerder onaanvaardbaar zijn wanneer deze slechts ziet op de kosten van de arbitrage zelf dan ingeval andere schadecomponenten daarbij worden betrokken. In de schadestaatprocedure kunnen deze omstandigheden worden betrokken.

Ook de meer subsidiaire verweren van de arbiters die betrekking hebben op de betwisting van de aard en omvang van de schade en de stelling dat [eiser] niet heeft voldaan aan zijn schadebeperkingsplicht door na te laten terstond om benoeming van nieuwe arbiters te verzoeken horen in de schadestaatprocedure thuis.

Dit zijn immers aspecten die de rechter heeft na te lopen ter bepaling van de omvang van de schadevergoeding.

4.13.

De arbiters zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op
€ 2.163,80, namelijk € 93,80 aan explootkosten, € 282,- aan griffierecht en € 1.788,- (2 punten x tarief € 894,-) aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de arbiters vanwege de kennelijke grove miskenning van wat een behoorlijke taakvervulling meebrengt onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld en aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] lijdt en/of zal lijden;

5.2.

veroordeelt de arbiters tot vergoeding van de onder 5.1 bedoelde schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

5.3.

veroordeelt de arbiters in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.163,80, onder de bepaling dat zij de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd wordt wanneer deze niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn betaald.

5.4.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. T. Zuidema en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2014.