Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:6082

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-10-2014
Datum publicatie
23-10-2014
Zaaknummer
AWB - 14 _ 2641
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Beroep tegen weigering vvgb. Bevoegdheid rechtbank. Voortijdig beroep.

Samenvatting:

Het college van GS van Noord-Brabant (verweerder) heeft een aanvraag voor een verklaring van geen bedenkingen van het college van B&W van Hilvarenbeek (eiser) geweigerd. Weliswaar zetelt verweerder in het arrondissement van de rechtbank Oost-Brabant, uit artikel 6.5, tweede lid, tweede volzin, van de Wabo volgt dat de rechtbank Zeeland West-Brabant in afwijking van artikel 8:7, eerste lid, van de Awb bevoegd is inzake het onderhavige beroep. De rechtbank Zeeland West-Brabant is immers de bevoegde rechtbank inzake een beroep tegen het besluit omtrent de aanvraag voor de omgevingsvergunning. Voorafgaand aan de zitting heeft de rechtbank Oost-Brabant om proceseconomische redenen ingestemd met een verwijzing. De rechtbank is voorts van oordeel dat eiser voortijdig beroep heeft ingesteld. De beschikking op de aanvraag voor een omgevingsvergunning is namelijk nog niet genomen, laat staan dat deze is bekend gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 14/2641

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 7 oktober 2014 in de zaak tussen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek, te Hilvarenbeek, eiser,

(gemachtigden: J. Kools en V. Voigt),

en

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Heideman).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [bedrijfsnaam], te [plaatsnaam], gemachtigde: mr. J.A.J.M. van Houtum.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder geweigerd aan eiser een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) te verstrekken in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 voor een omgevingsvergunning voor het wijzigen/uitbreiden van een veehouderij van de derde-partij aan de [adres].

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Zeeland West-Brabant. Deze rechtbank heeft het beroep doorgezonden aan de rechtbank Oost-Brabant.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 6 oktober 2014 heeft de rechtbank Oost-Brabant ingestemd met een verzoek om verwijzing van de rechtbank Zeeland West-Brabant van deze zaak.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2014. Eiser is verschenen bij gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Voor derde-partij is verschenen [persoon], bijgestaan door de gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.


Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Eiser heeft van derde-partij een aanvraag ontvangen voor een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu voor de pluimveehouderij aan de [adres]. Eiser is het bevoegde gezag om een besluit te nemen omtrent deze aanvraag. De desbetreffende locatie bevindt zich nabij een aantal Natura 2000-gebieden. Op 19 januari 2012 heeft eiser bij verweerder een aanvraag om een vvgb op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 ingediend. Derde-partij heeft op 19 september 2013 aanvullende gegevens verstrekt.

Bij het bestreden besluit van 4 juni 2014 heeft verweerder de gevraagde vvgb geweigerd, zonder voorafgaand een ontwerpbesluit ter inzage te leggen met gelegenheid voor het indienen van zienswijzen.

Eiser heeft een ontwerpbesluit ter inzage gelegd omtrent de aanvraag van de derde-partij, maar nog geen definitief besluit over deze aanvraag genomen.

3. Ingevolge artikel 6.5, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) kan het beroep tegen een beschikking inzage een vvgb door het bestuursorgaan dat bevoegd is ten aanzien van de beschikking waarop de verklaring betrekking heeft, eerst worden ingesteld nadat die beschikking is bekend gemaakt. In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vangt de beroepstermijn aan met ingang van de dag na de dag waarop mededeling is gedaan van de beschikking waarop de vvgb betrekking heeft. De bepalingen met betrekking tot het beroep tegen die beschikking zijn van overeenkomstige toepassing op het beroep tegen de beschikking inzake de vvgb.

4. Ingevolge artikel 8:7, eerste lid, van de Awb is inzake een beroep tegen een besluit van een bestuursorgaan van de provincie, de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft, bevoegd.

Ingevolge artikel 8:13, eerste lid, kan de rechtbank een bij haar aanhangig gemaakte zaak ter verdere behandeling verwijzen naar de rechtbank waar een andere zaak aanhangig is gemaakt, indien naar haar oordeel behandeling van die zaken door één rechtbank gewenst is. Dit verzoek kan worden gedaan tot de aanvang van het onderzoek ter zitting.

5. Weliswaar zetelt verweerder in het arrondissement van de rechtbank Oost-Brabant, uit artikel 6.5, tweede lid, tweede volzin, van de Wabo volgt dat de rechtbank Zeeland West-Brabant in afwijking van artikel 8:7, eerste lid, van de Awb bevoegd is inzake het onderhavige beroep. De rechtbank Zeeland West-Brabant is immers de bevoegde rechtbank inzake een beroep tegen het besluit omtrent de aanvraag voor de omgevingsvergunning. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de memorie van toelichting op de Wabo (TK 30844,3 pag. 144), waarin is aangegeven dat de tweede volzin van artikel 6.5 er onder meer voor zorgt dat de rechter die bevoegd is uitspraak te doen op het beroep tegen de beschikking op de aanvraag, ook bevoegd is uitspraak te doen op het beroep tegen de vvgb. De rechtbank is van oordeel dat deze passage ook betrekking heeft op de weigering van de vvgb.

De rechtbank acht zich desondanks bevoegd om op het beroep van eiser te oordelen omdat zij om proceseconomische redenen heeft ingestemd met de verwijzing ingevolge artikel 8:13, eerste lid, van de Awb van de rechtbank Zeeland West-Brabant.

6. De rechtbank is voorts van oordeel dat eiser voortijdig beroep heeft ingesteld. De beschikking op de aanvraag voor een omgevingsvergunning is namelijk nog niet genomen, laat staan dat deze is bekend gemaakt. De beroepstermijn heeft daarom nog geen aanvang genomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 6:10, eerste lid, onder a, van de Awb omdat eiser wist dat de beschikking omtrent de aanvraag voor de omgevingsvergunning nog niet was genomen en de beroepstermijn nog niet was aangevangen. In de opmerking van de derde-partij ter zitting dat eiser hierdoor in een spagaat komt te verkeren omdat hij een beschikking moet nemen waarvan op voorhand duidelijk is dat hij hier niet achter staat en dat dit niet de bedoeling kan zijn geweest van de wetgever, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Uit artikel 2.20a van de Wabo volgt dat de aanvraag voor de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien de vvgb is geweigerd. Voorts vloeit uit artikel 6.5 van de Wabo alsmede uit de hierboven geschetste wetsgeschiedenis voort dat de door de derde-partij geschetste spagaat het gevolg is van een uitdrukkelijke keuze van de wetgever.

7. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het eiser vrij staat om na mededeling van zijn beschikking omtrent de aanvraag van de derde-partij alsnog beroep in te stellen tegen de weigering van de vvgb bij de rechtbank Zeeland West-Brabant en dat deze rechtbank dit beroep alsmede het eventuele beroep van de derde-partij tegen de beschikking omtrent zijn aanvraag in behandeling zal nemen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. H.M.J.G. Neelis, leden, in aanwezigheid van mr. A.G.M. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.