Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:6042

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
16-10-2014
Datum publicatie
16-10-2014
Zaaknummer
01/879332-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:2293, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zaak Lambro.

Vijf jaar gevangenisstraf voor negen diefstallen in vereniging met braak, voor twee pogingen tot diefstal in vereniging met geweld dan wel twee pogingen tot afpersing in vereniging, en voor handelen in strijd met de Wet wapens en munitie (2 x).

Aan twee benadeelde partijen dient schade te worden betaald.

De rechtbank is van oordeel dat het plaatsen van een flyer door de politie in strijd is met de beginselen van een goede procesorde en mitsdien onrechtmatig is. De rechtbank komt tot de vaststelling dat er sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van art. 359aSv. Gelet op de geringe schending zal de rechtbank aan het vormverzuim geen verdere consequenties verbinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2015/5.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879332-13

Datum uitspraak: 16 oktober 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1993],

thans gedetineerd in de P.I. Zuid Oost, HvB Roermond, in Roermond.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 maart 2014, 22 mei 2014, 19 augustus 2014, 15 september 2014, 16 september 2014, 18 september 2014 en 2 oktober 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 6 februari 2014.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 22 mei 2014 en 15 september 2014 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 22 oktober 2013 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het

door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

weg te nemen (uit de woning [adres 1]) geld en/of goed(eren) van

zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te

doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld

tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], te plegen met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping

op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

tezamen en in vereniging met anderen/zijn mededader(s) naar die woning is

toegereden, waarna hij en/of zijn mededader(s) naar de voordeur van die

woning is/zijn toegegaan en/of bij die woning heeft/hebben aangebeld en/of

die [slachtoffer 2] (nadat de deur van genoemde woning was geopend) op de grond

heeft/hebben geduwd en/of met een pistool, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp, in zijn/hun hand(en) tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

heeft/hebben geroepen:"die kluis open", althans woorden van dergelijke aard

en/of strekking, en/of een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend

voorwerp, op die [slachtoffer 1] heeft gericht en/of gericht gehouden, en/of daarbij of

vervolgens tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd:"blijf staan of ik schiet", althans

woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking en/of een schot

heeft/hebben gelost, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet

is voltooid; (zaakdossier nr. 1)

en/of

hij op of omstreeks 22 oktober 2013 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het

door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van geld en/of

goederen van zijn/hun gading, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),tezamen en in vereniging met

anderen/zijn mededader(s) met dat oogmerk naar die woning is toegereden,

waarna hij en/of zijn mededader(s) naar de voordeur van die woning is/zijn

toegegaan en/of bij die woning heeft/hebben aangebeld en/of

die [slachtoffer 2] (nadat zij de deur van de woning [adres 1] had geopend) op

de grond heeft/hebben geduwd en/of tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben

geroepen:"die kluis open", althans woorden van dergelijke aard en/of

strekking, en/of een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

op die [slachtoffer 1] heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden en/of tegen die [slachtoffer 1]

heeft gezegd:"blijf staan of ik schiet", althans woorden van dergelijke

dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid; (zaakdossier nr.1)

2. hij op of omstreeks 08 juli 2013 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het

door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

weg te nemen uit een woning [adres 1] aldaar geld en/of goederen van

zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

en/of een of meer andere perso(o)n(en), in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen

diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van

geweld en/of bedreiging met geweld tegen genoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

een of meer andere perso(o)n(en) aanwezig in genoemde woning, te plegen met

het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of

om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij

de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

tezamen en in vereniging met anderen/zijn mededader(s) naar die woning is

toegereden, waarna hij en/of zijn mededader(s) naar de voordeur van die

woning is/zijn toegegaan en/of met een bivakmuts over zijn/hun hoofd en/of met

een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in de hand

bij die woning heeft/hebben aangebeld, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (zaakdossier nr.2)

en/of

hij op of omstreeks 08 juli 2013 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het

door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer andere

perso(o)n(en)aanwezig in de woning [adres 1] aldaar, te dwingen tot de

afgifte van geld en/of goederen van zijn/hun gading, in elk geval van enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een

of meer andere perso(o)n(en), in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s),tezamen en in vereniging met anderen/zijn

mededader(s) met voormeld oogmerk naar die woning is toegereden, waarna hij

en/of zijn mededader(s) naar de voordeur van die woning is/zijn toegegaan

en/of met een bivakmuts over zijn/hun hoofd en/of met een pistool, in elk

geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in de hand bij die woning

heeft/hebben aangebeld, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;(zaakdossier nr. 2)

3. hij op of omstreeks 8 november 2013 te Helmond tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening in / uit een [bedrijf 1] (aan [adres 2]) heeft

weggenomen een grote hoeveelheid rookwaren, in elk geval enig(e) goed(eren),

geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 2] te Helmond, in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij

verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren)

onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door met een auto de shop van

genoemd tankstation binnen te rijden, in elk geval door middel van braak,

verbreking en / of inklimming; (zaakdossier nr. 3)

4. hij op of omstreeks 08 november 2013 te 's-Hertogenbosch tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (een op/bij het [adres 3]

staande) personenauto (merk Ford Escort met [kenteken 1]),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn

mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot

de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen

goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door het forceren

van een portier en/of het contactslot van die auto, in elk geval door middel

van braak, verbreking en / of inklimming; (zaakdossier nr. 4)

5. hij op of omstreeks 21 november 2013 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (op/aan/nabij [adres 4]

staande) personenauto (merk Ford Escort), in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij

verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren)

onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door het forceren van een

portier en/of het contactslot van die auto, in elk geval door middel van braak

en/of verbreking;(zaakdossier nr. 5)

6. hij op of omstreeks 28 november 2013 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit kledingzaak [bedrijf 3]

(aan [adres 5]) heeft weggenomen een groot aantal

spijkerbroeken, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

genoemde kledingzaak, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de

toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het

weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door

het vernielen van een ruit van genoemde kledingzaak, in elk geval door middel

van braak, verbreking en / of inklimming; (zaakdossier nr. 6)

7. hij op of omstreeks 04 december 2013 te Helmond tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening in / uit kinderboetiek [bedrijf 4] (aan [adres 6]) heeft

weggenomen een grote hoeveelheid kinder- en babykleding, in elk geval enig(e)

goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan genoemde kledingboetiek, in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn

mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot

de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen

goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door het vernielen

van de/een ruit van de toegangsdeur van genoemde boetiek, in elk geval door

middel van braak, verbreking en / of inklimming; (zaakdossier nr. 7)

8. hij op of omstreeks 10 december 2013 te 's-Hertogenbosch (in de woning

[adres 7]) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een wapen van categorie III, te weten een gas-/alarmpistool (merk Umarex, type

FN Browning), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd; (zaakdossier nr.10)

9. hij op of omstreeks 10 december 2013 te 's-Hertogenbosch (in de woning

[adres 7]) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een wapen van categorie I onder 7°, te weten een imitatiepistool (type

Beretta), zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en/of afmeting

een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, dat het voor bedreiging

en/of afdreiging geschikt is, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

10. hij op of omstreeks 06 november 2013 te 's-Hertogenbosch tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening in / uit het bedrijf [bedrijf 5] (gevestigd

[adres 8]) heeft weggenomen een hoeveelheid audio-apparatuur, in elk

geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 5]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn

mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot

de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen

goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door het vernielen

van een ruit van genoemd bedrijf, in elk geval door middel van braak,

verbreking en / of inklimming; (zaakdossier nr. 11)

11. hij op of omstreeks 22 oktober 2013 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning, perceel

[adres 9], heeft weggenomen een schakelarmband en/of een paar

manchetknopen en/of een koffer met een of meer flessen drank en/of twee

sieradendoosjes, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn

mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben

verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik

heeft / hebben gebracht door het vernielen van een dakraam van genoemde

woning, in elk geval door middel van braak, verbreking en / of inklimming;

(zaakdossier nr. 12)

12. hij op of omstreeks 07 november 2013 te Ammerzoden, gemeente Maasdriel,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit de/een winkel [bedrijf 6]

(gevestigd [adres 10]) heeft weggenomen een aantal

kinder-winterjassen en/of kinder-spijkerbroeken en/of shirts en/of truien, in

elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn

mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot

de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen

goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door het vernielen

van een ruit van de voordeur van genoemde winkel, in elk geval door middel van

braak, verbreking en / of inklimming; (zaakdossier nr. 14)

13. hij op of omstreeks 06 november 2013 te Rossum, gemeente Maasdriel, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening in/uit [bedrijf 8] (gevestigd [adres 11]

) weg te nemen geld en/of goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot dat

tankstation te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen

onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of

inklimming, tezamen en in vereniging met anderen/zijn mededader(s) naar

voornoemd tankstation is toegereden, waarna verdachte en/of zijn

mededader(s) een (zij)raam van dat tankstation heeft/hebben kapot geslagen, in

elk geval vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

(zaakdossier nr. 15).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is en dat de rechtbank bevoegd is om van het ten laste gelegde kennis te nemen.

ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De raadsman heeft op de gronden zoals weergegeven in zijn pleitnota ten aanzien van de feiten 1 en 2 de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging bepleit.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat dit verweer dient te worden verworpen omdat gebruikmaking van de flyer geen enkele onrechtmatigheid of een vormverzuim heeft opgeleverd. Deze flyer is slechts gebruikt om verdachte te “prikkelen” een reactie te geven. Een dergelijk gebruik is toegestaan ten behoeve van de waarheidsvinding. Er bestond bovendien al een stevige verdenking jegens de verdachte. Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat mocht de rechtbank tot het oordeel komen dat sprake is van een vormverzuim, dit dan niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, nu er geenszins sprake van is geweest dat doelbewust dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte, tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtmatigheid van het opnemen van vertrouwelijke communicatie.

Met machtiging van de rechter-commissaris is in de auto van verdachte apparatuur voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC-apparatuur) geplaatst. In eerste instantie is voor de periode van twee weken (van 14 november tot 28 november 2013) een machtiging verleend, gedurende welk periode geen (nadere) belastende informatie over betrokkenheid van verdachte bij de overval op [adres 1] van 22 oktober 2013 naar voren is gekomen. Wel hadden in de auto – mede door verdachte - gevoerde gesprekken betrekking op gepleegde of nog te plegen misdrijven. Na ommekomst van twee weken is eerdergenoemde machtiging door de rechter-commissaris opnieuw verlengd. Anders dan de raadsman stelt, was de machtiging voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie niet enkel gebaseerd op CIE-informatie van 14 november 2013, maar tevens op de bij een aanhouding op 12 november 2013 van verdachte in diens auto aangetroffen voorwerpen, te weten: een (imitatie) vuurwapen, een bivakmuts, een honkbalknuppel en een knalpatroon 9 mm. Bij de overval op [adres 1] zijn bivakmutsen gedragen en is een gas/alarmpistool getoond en afgegaan. De CIE-informatie luidde als volgt: “Een paar weken geleden werd er een overval gepleegd op een woning aan [adres 1] te ‘s-Hertogenbosch. Bij deze overval waren meerder personen betrokken. [verdachte] uit den Bosch is een van deze personen.” Op grond van deze gegevens, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verlenging van de machtiging opnemen van vertrouwelijke communicatie rechtmatig is geweest.

De flyer.

Op 28 november 2013 heeft de politie onder de ruitenwisser van de auto van verdachte een flyer geplaatst welke - kort gezegd - bewoners wijst op een uitzending van Omroep Brabant over de overval op [adres 1] en oproept om informatie aan de politie door te geven. Op deze flyer was met hand de volgende tekst geschreven.

“[verdachte]

Laf hoor!

Grote jongen!”

De flyer met de handgeschreven tekst was op de auto van verdachte aangebracht met het doel ‘ruis’ te veroorzaken, met andere woorden te bewerkstelligen dat verdachte of diens medeverdachten zouden gaan praten over de overval waarvan zij werden verdacht. Deze opzet had in zoverre resultaat dat verdachte en diens medeverdachten nadien in de auto waarin de OVC-apparatuur was geplaatst, in voor hen belastende bewoordingen over de overval hebben gesproken.

De rechtbank merkt allereerst op dat het in een opsporingsonderzoek niet ongebruikelijk is – en in beginsel ook toelaatbaar - dat door de politie informatie naar buiten wordt gebracht, direct dan wel indirect, met (mede) het doel te bewerkstelligen dat verdachten dan wel derden naar aanleiding daarvan uitlatingen doen die via telefoontaps, het opnemen van vertrouwelijk communicatie of anderszins ter kennis van de politie komen. Dat aldus verdachten in voorkomende gevallen uitlatingen doen die voor henzelf belastend zijn, brengt op zichzelf niet mee dat daarmee inbreuk wordt gemaakt op de rechten die een persoon toekomt die in hoedanigheid van verdachte ex art 29 Sv. door de politie wordt verhoord. Derhalve kan niet gezegd worden dat jegens verdachte inbreuk is gemaakt op diens recht op de cautie, het consultatierecht, het nemo tenetur-beginsel en de verklaringsvrijheid, zoals door de raadsman is aangevoerd.

Het door de raadsman gedane beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt op grond van bovenstaande verworpen. Ook voor het overige kan de officier van justitie in zijn vervolging worden ontvangen.

Ambtshalve overweegt de rechtbank als volgt.

Art. 1 Sv eist dat strafvordering alleen plaatsheeft op de wijze bij wet voorzien. Op basis van dit strafvorderlijk legaliteitsbeginsel dient een toereikende grondslag te bestaan voor overheidshandelen in het kader van de strafvordering. In de context van de opsporing betekent dit dat methoden die een meer dan geringe inbreuk maken op grond- en mensenrechten, dan wel om andere redenen risicovol kunnen zijn voor de integriteit van de opsporing, dienen te zijn gebaseerd op een toereikende wettelijke grondslag. Methoden die niet meer dan een geringe inbreuk maken op grond- en mensenrechten dienen eveneens een wettelijke basis te hebben, maar in het geval van dergelijke ‘lichte’ methoden kan worden volstaan met een algemene grondslag. Art. 3 Politiewet, dan wel de artikelen 141 en 142 Sv, worden in dat verband geacht toereikend te zijn.

Verder dient de rechtbank het doen en laten van het openbaar ministerie in de loop van het strafproces te toetsen aan ongeschreven rechtsregels en meer in het bijzonder aan de algemene beginselen van behoorlijk procesrecht.

Op zichzelf beschouwd had het enkel plaatsen van de flyer, zonder de handgeschreven tekst, er toe kunnen leiden dat verdachte over de woningoverval was gaan praten. De politie heeft evenwel met de handgeschreven toevoeging beoogd verdachte (nog) meer te prikkelen. De handgeschreven tekst suggereert dat deze afkomstig is van een bekende van verdachte, immers de aanhef is de voornaam van verdachte, en impliceert dat de schrijver van de tekst weet dat verdachte de overval op [adres 1] heeft gepleegd. Eveneens wordt verhuld dat de politie de auteur van de tekst is. Aldus heeft de politie feitelijk een situatie geënsceneerd die voor een deel onwaar is, de schrijver van de handgeschreven tekst is immers niet een dergelijke ‘bekende’. Voorts poneert de politie het als een waarheid - zij het impliciet – dat verdachte een dader is van de overval, terwijl op dat moment nog sprake is van een verdenking. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van misleidend handelen wat in het bijzonder klemt door de onjuiste suggestie die wordt gewekt, alsof de boodschap afkomstig is van iemand uit de naaste kring van verdachte. De inhoud van de handgeschreven tekst bergt het risico in zich dat verdachte verhaal gaat halen op degene die mogelijk de afzender zou kunnen zijn. Daarmee komt de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing in het geding. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat de handelwijze van het onderzoeksteam in strijd is met de beginselen van een goede procesorde en mitsdien onrechtmatig is. De rechtbank komt tot de vaststelling dat er sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van art. 359a Sv.

Indien binnen de door art. 359aSv bepaalde grenzen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in deze bepaling, en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient rekening te worden houden met de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. De eerste factor is ‘het belang dat het geschonden voorschrift dient’. De tweede factor is ‘de ernst van het verzuim’. Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. De derde factor is ‘het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt’. Bij de beoordeling van dat laatste is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Daarbij verdient opmerking dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang, zodat een eventuele schending van dit belang als gevolg van een vormverzuim niet een nadeel oplevert als bedoeld in artikel 359a, tweede lid, Sv. Indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, geldt bovendien dat in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden aan het verzuim.

De schending van de integriteit van de opsporing zoals thans aan de orde is, betreft naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval een geringe schending. Bovendien heeft het onderzoeksteam en het openbaar ministerie in openheid de inzet van de flyer en de reden waarom daartoe is besloten in het proces-verbaal en ter terechtzitting uiteen gezet. Voorts is verdachte door het vormverzuim niet in zijn belangen geschaad. , De rechtbank acht voldoende dat wordt vastgesteld dat sprake is van een vormverzuim en zal daaraan geen verder consequenties verbinden.

Er zijn geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Feit 1.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht op de gronden zoals weergegeven in haar schriftelijk requisitoir dit feit bewezen. Zij heeft daaraan nog toegevoerd dat, ingeval van bewijsuitsluiting, de verklaringen van de medeverdachten als bewijs kunnen worden gebezigd. Daarmee kan het feit alsnog wettig en overtuigend worden bewezen. Verdachte heeft overigens zelf niets over dit feit verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op de gronden zoals weergegeven in zijn pleitnota bewijsuitsluiting en daarmee vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank verwerpt op de gronden zoals opgenomen onder het kopje “De formele voorvragen, de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie” het beroep op bewijsuitsluiting. De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de bewijsmiddelen zoals deze zijn uitgewerkt in het bij dit vonnis gevoegd bewijsmiddelenoverzicht.

Feit 2.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht op de gronden zoals weergegeven in haar schriftelijk requisitoir dit feit bewezen. Zij heeft daaraan nog toegevoerd dat, ingeval van bewijsuitsluiting, de verklaringen van de medeverdachten als bewijs kunnen worden gebezigd. Daarmee kan het feit alsnog wettig en overtuigend worden bewezen. Verdachte heeft overigens zelf niets over dit feit verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op de gronden zoals weergegeven in zijn pleitnota bewijsuitsluiting en daarmee vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank verwerpt op de gronden zoals opgenomen onder het kopje “De formele voorvragen, de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie” het beroep op bewijsuitsluiting. De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de bewijsmiddelen zoals deze zijn uitgewerkt in het bij dit vonnis gevoegd bewijsmiddelenoverzicht.

Feit 3.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht op de gronden zoals weergegeven in haar schriftelijk requisitoir dit feit bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de bewijsmiddelen zoals deze zijn weergegeven in het bij dit vonnis gevoegd bewijsmiddelenoverzicht.

Feit 4.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht op de gronden zoals weergegeven in haar schriftelijk requisitoir dit feit bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op de gronden zoals weergegeven in zijn pleitnota vrijspraak bepleit. De raadsman heeft gesteld dat er onvoldoende bewijs is voor betrokkenheid van verdachte bij dit feit en/of zijn handelen niet als medeplegen kan worden aangemerkt.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de bewijsmiddelen zoals deze zijn uitgewerkt in het bij dit vonnis gevoegd bewijsmiddelenoverzicht. De rechtbank overweegt daarbij dat uit de bewijsmiddelen voldoende blijkt van een bewuste en nauwe samenwerking dat van medeplegen kan worden gesproken.

Feit 5.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht op de gronden zoals weergegeven in haar schriftelijk requisitoir dit feit bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op de gronden zoals weergegeven in zijn pleitnota vrijspraak bepleit. De raadsman heeft gesteld dat verdachte niet als medepleger van dit feit kan worden aangemerkt. Zijn handelen zou slechts kunnen worden gekwalificeerd als medeplichtigheid bij dit feit.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de bewijsmiddelen zoals deze zijn uitgewerkt in het bij dit vonnis gevoegd bewijsmiddelenoverzicht. De rechtbank overweegt daarbij dat uit de bewijsmiddelen voldoende blijkt van een bewuste en nauwe samenwerking dat van medeplegen kan worden gesproken.

Feit 6.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht op de gronden zoals weergegeven in haar schriftelijk requisitoir dit feit bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de bewijsmiddelen zoals deze zijn weergegeven in het bij dit vonnis gevoegd bewijsmiddelenoverzicht.

Feit 7.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht op de gronden zoals weergegeven in haar schriftelijk requisitoir dit feit bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de bewijsmiddelen zoals deze zijn weergegeven in het bij dit vonnis gevoegd bewijsmiddelenoverzicht.

De feiten 8 en 9.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht op de gronden zoals weergegeven in haar schriftelijk requisitoir deze feiten bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op de gronden zoals weergegeven in zijn pleitnota vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen op grond van de bewijsmiddelen zoals deze zijn uitgewerkt in het bij dit vonnis gevoegd bewijsmiddelenoverzicht.

Feit 10.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht op de gronden zoals weergegeven in haar schriftelijk requisitoir dit feit bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op de gronden zoals weergegeven in zijn pleitnota vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de bewijsmiddelen zoals deze zijn uitgewerkt in het bij dit vonnis gevoegd bewijsmiddelenoverzicht.

Feit 11.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht op de gronden zoals weergegeven in haar schriftelijk requisitoir dit feit bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op de gronden zoals weergegeven in zijn pleitnota vrijspraak bepleit. De raadsman heeft gesteld dat er onvoldoende bewijs is voor betrokkenheid van verdachte bij dit feit en/of zijn handelen niet als medeplegen kan worden aangemerkt.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de bewijsmiddelen zoals deze zijn uitgewerkt in het bij dit vonnis gevoegd bewijsmiddelenoverzicht. De rechtbank overweegt daarbij dat uit de bewijsmiddelen voldoende blijkt van een bewuste en nauwe samenwerking dat van medeplegen kan worden gesproken.

Feit 12.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht op de gronden zoals weergegeven in haar schriftelijk requisitoir dit feit bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op de gronden zoals weergegeven in zijn pleitnota vrijspraak bepleit

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de bewijsmiddelen zoals deze zijn uitgewerkt in het bij dit vonnis gevoegd bewijsmiddelenoverzicht.

Feit 13.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht op de gronden zoals weergegeven in haar schriftelijk requisitoir dit feit bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op de gronden zoals weergegeven in zijn pleitnota vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de bewijsmiddelen zoals deze zijn uitgewerkt in het bij dit vonnis gevoegd bewijsmiddelenoverzicht.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op 22 oktober 2013 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen (uit de woning [adres 1]) geld en/of goed(eren) van hun gading, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, tezamen en in vereniging met zijn mededaders naar die woning is toegereden, waarna hij en/of zijn mededaders naar de voordeur van die woning zijn toegegaan en bij die woning heeft/hebben aangebeld en die [slachtoffer 2] (nadat de deur van genoemde woning was geopend) op de grond heeft/hebben geduwd en met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn hand tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben geroepen: "die kluis open" en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 1] heeft/hebben gericht en gericht gehouden en daarbij of vervolgens tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd: "blijf staan of ik schiet" en waarbij een schot is gelost, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

of

op 22 oktober 2013 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen van hun gading, toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], tezamen en in vereniging met zijn mededaders naar die woning is toegereden, waarna hij en/of zijn mededaders naar de voordeur van die woning zijn toegegaan en bij die woning heeft/hebben aangebeld en die [slachtoffer 2] (nadat de deur van genoemde woning was geopend) op de grond heeft/hebben geduwd en met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn hand tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben geroepen: "die kluis open" en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 1] heeft/hebben gericht en gericht gehouden en daarbij of vervolgens tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd: "blijf staan of ik schiet" en waarbij een schot is gelost, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

op 08 juli 2013 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen uit een woning [adres 1] aldaar geld en/of goederen van hun gading, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen genoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, tezamen en in vereniging met zijn mededader naar die woning is toegereden, waarna hij en zijn mededader naar de voordeur van die woning zijn toegegaan en met een bivakmuts over hun hoofd en met een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in de hand bij die woning hebben aangebeld, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

of

op 08 juli 2013 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen van hun gading,

toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], tezamen en in vereniging met zijn mededader met voormeld oogmerk naar die woning is toegereden, waarna hij en zijn mededader naar de voordeur van die woning zijn toegegaan en met een bivakmuts over hun hoofd en met een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in de hand bij die woning hebben aangebeld, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

3.

op 8 november 2013 te Helmond tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een [bedrijf 1] (aan [adres 2]) heeft

weggenomen een hoeveelheid rookwaren, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

4.

op 08 november 2013 te 's-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (een op het [adres 3]

staande) personenauto (merk Ford Escort met [kenteken 1]),

toebehorende aan [slachtoffer 3], waarbij verdachte en/of een van zijn mededaders het weg te nemen goed onder hun bereik heeft gebracht door het forceren van een portier en het contactslot van die auto.

5.

op 21 november 2013 te Rosmalen, gemeente ’s-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (aan [adres 4] staande) personenauto (merk Ford Escort), toebehorende aan [slachtoffer 4], waarbij verdachte en/of een van zijn mededaders het weg te nemen goed

onder hun bereik hebben gebracht door het forceren van een portier en het contactslot van die auto.

6.

op 28 november 2013 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit kledingzaak [bedrijf 3] (aan [adres 5]) heeft weggenomen een groot aantal spijkerbroeken, toebehorende aan genoemde kledingzaak, waarbij verdachte en/of een van zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door het vernielen van een ruit van genoemde kledingzaak.

7.

op 04 december 2013 te Helmond tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit kinderboetiek [bedrijf 4] (aan [adres 6]) heeft weggenomen een hoeveelheid kinderkleding, toebehorende aan genoemde kledingboetiek, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot

de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

8.

op 10 december 2013 te 's-Hertogenbosch (in de woning [adres 7]) een wapen van categorie III, te weten een gas-/alarmpistool (merk Umarex, type FN Browning), voorhanden heeft gehad.

9.

op 10 december 2013 te 's-Hertogenbosch (in de woning [adres 7]) een wapen van categorie I onder 7°, te weten een imitatiepistool (type Beretta), zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en/of afmeting een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, dat het voor bedreiging en/of afdreiging geschikt is, voorhanden heeft gehad.

10.

op 06 november 2013 te 's-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit het bedrijf [bedrijf 5] (gevestigd [adres 8]) heeft weggenomen een hoeveelheid audio-apparatuur, toebehorende aan [bedrijf 5], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door het vernielen van een ruit van genoemd bedrijf.

11.

op of omstreeks 22 oktober 2013 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, perceel [adres 9], heeft weggenomen een schakelarmband en een paar

manchetknopen en een koffer met flessen drank en twee sieradendoosjes, toebehorende aan [slachtoffer 5], waarbij verdachte en een van zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door het vernielen van een dakraam van genoemde

woning.

12.

op 07 november 2013 te Ammerzoden, gemeente Maasdriel, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit de winkel [bedrijf 6]

(gevestigd [adres 10]) heeft weggenomen een aantal kinder-winterjassen en kinder-spijkerbroeken en shirts en truien, toebehorende aan [slachtoffer 7], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft

door het vernielen van een ruit van de voordeur van genoemde winkel.

13.

op 06 november 2013 te Rossum, gemeente Maasdriel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit [bedrijf 8] (gevestigd [adres 11]

) weg te nemen geld en/of goederen van zijn/hun gading, toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot dat tankstation te verschaffen door middel van braak, tezamen en in vereniging met zijn mededaders naar voornoemd tankstation is toegereden, waarna verdachte en/of (een van) zijn mededaders een (zij)raam van dat tankstation hebben kapot geslagen, in elk geval vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op de gronden zoals weergegeven in haar schriftelijk requisitoir op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding bestaat om het minderjarigenstrafrecht toe te passen en heeft een gevangenisstraf gevorderd voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de officier van justitie de verbeurdverklaring, onttrekking aan het verkeer en teruggave gevorderd van de daartoe bestemde goederen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op de gronden zoals weergegeven in zijn pleitnota primair op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht toepassing van het minderjarigenstrafrecht bepleit. De raadsman heeft hierbij verwezen naar de inhoud van het persoonlijkheidsonderzoek en wat de deskundige ter terechtzitting van 15 september 2014 hierover heeft verklaard. Hij heeft verzocht in het kader daarvan een onvoorwaardelijke straf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest, met daaraan gekoppeld een voorwaardelijk strafdeel al dan niet aangevuld met een onvoorwaardelijke taakstraf. Ingeval van toepassing van het meerderjarigenstrafrecht heeft de raadsman verzocht een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 27 maanden, waarvan een deel voorwaardelijk.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het verzoek van de raadsman om het minderjarigenstrafrecht toe te passen het volgende.

Artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht geeft de rechter de mogelijkheid om een dader tussen de 18 en 21 jaar een jeugdsanctie op te leggen, als de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit gepleegd is daartoe aanleiding geven. Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten ouder dan 18 jaar, maar jonger dan 21 jaar oud.

Over de persoon van verdachte is op 29 juli 2014 gerapporteerd door drs.[psycholoog 1], GZ-psycholoog. Zij heeft in haar rapport factoren genoemd die voor of juist tegen toepassing van het strafrecht voor jeugdigen pleiten. Vóór het toepassen van het jeugdstrafrecht noemt de deskundige dat betrokkene vanwege zijn grote impulsiviteit en het ontbreken van zelfregulerend vermogen, mede als gevolg van een beknelde ontwikkeling, nauwelijks in staat is zijn eigen gedrag te organiseren. De deskundige constateert tevens dat er geen sprake is van een uitgebreide justitiële voorgeschiedenis die wijst op een verharding, en/of psychopathische trekken. Als contra-indicatie noemt de deskundige dat een pedagogische aanpak niet noodzakelijk en nauwelijks mogelijk lijkt. Hetzelfde geldt voor een gezinsgerichte aanpak. Betrokkene neemt geen deel aan het gezin van herkomst en scholing lijkt niet noodzakelijk omdat betrokkene een MBO-diploma heeft. Een groepsgericht leefklimaat is niet te verwezenlijken, omdat betrokkene hiervoor ongeschikt is. Vanwege zijn aversie tegen afhankelijkheid en een verblijf in een intramurale instelling zal hij zich hiertegen verzetten. Betrokkene is mogelijk ingebed in een crimineel milieu.

De deskundige komt na weging van de indicatoren tot het advies betrokkene te berechten volgens het volwassen strafrecht. Ter terechtzitting van 15 september 2014 heeft de deskundige verklaard bij de inhoud en de conclusie van haar rapport te blijven.

De rechtbank onderschrijft de conclusie van de deskundige over de keuze voor het volwassen strafrecht en overweegt daarbij voorts dat de ernst van de bewezenverklaarde feiten een contra-indicatie voor oplegging van een sanctie uit het jeugdrecht vormt. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de raadsman af.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank voorts gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn draagkracht.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 8 juli 2013 samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot een overval op een echtpaar in hun woning. De eigen woning is bij uitstek een plek waar men zich veilig moet weten. Bij die overval is gebruik gemaakt van wapens en bivakmutsen. Voorts heeft verdachte zich op 22 oktober 2013 schuldig gemaakt aan een poging tot een overval door vijf personen op hetzelfde echtpaar in hun woning. Bij die overval is ook weer gebruik gemaakt van een wapen en bivakmutsen, is er feitelijk geweld tegen de slachtoffers aangewend en is een slachtoffer met een wapen bedreigd. Bovendien is er een vuurwapen afgegaan. Dit soort overvallen veroorzaakt zeer veel maatschappelijke onrust en leidt tot toename van gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers. Een overval, zeker wanneer daarbij geweld wordt gebruikt, is voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring waar zij nog jarenlang last van kunnen hebben. Verdachte heeft met zijn mededaders een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en hun lichamelijke integriteit aangetast. Verdachte heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van de slachtoffers. De rechtbank houdt wel rekening met het feit dat op 8 juli 2013 verdachte en zijn mededader, nadat ze, voorzien van bivakmutsen en wapens, bij de voordeur door een van de slachtoffers waren opgemerkt, hun criminele activiteiten hebben gestaakt, waardoor de slachtoffers verder leed bespaard is gebleven. Verder heeft verdachte twee personenauto’s weggenomen alsmede een ramkraak, vijf bedrijfsinbraken, waaronder een poging en een woninginbraak gepleegd. De rechtbank beschouwt deze feiten als ernstige en maatschappelijk verstorende feiten. Immers, naast de materiële schade en de overlast die dit soort feiten voor de benadeelden met zich meebrengen, versterkt ook dit soort feiten de gevoelens van angst en onveiligheid bij de benadeelden in het bijzonder en bij de maatschappij in het algemeen. Verdachte heeft zich om dit alles kennelijk niet bekommerd. Uit verdachtes handelen spreekt bovendien minachting voor andermans goed. Ook heeft verdachte twee verboden wapens in zijn bezit gehad. Van dergelijke wapens is bekend dat deze worden gebruikt voor het plegen van (zeer) ernstige misdrijven. Daarbij komt nog dat verdachte blijkens zijn overwegend zwijgende opstelling ten aanzien van de feiten nauwelijks verantwoordelijkheid wenst te nemen voor zijn daden.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee zijn nog jeugdige leeftijd en het feit dat uit een omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebracht rapport door de GZ-psycholoog mw. drs. [psycholoog 2]van 29 juli 2014 blijkt, dat de door hem gepleegde strafbare feiten in verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar.

De rechtbank zal daarmee een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1]. (feit 3)

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft eveneens niet-ontvankelijkheid bepleit.

Beoordeling.

De rechtbank deelt de mening van de officier van justitie en de raadsman en zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de vordering is ingediend door een verzekeringsmaatschappij, waardoor er geen sprake is van rechtstreekse schade van de benadeelde.

De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten van verdachte. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 4).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft integrale toewijzing van de vordering gevorderd met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft niet-ontvankelijkheid bepleit.

Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de schade aan de auto (750,-- euro), de kosten voor het openbaar vervoer (50,-- euro) en de verlofuren (13,62 euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren ten aanzien van de overige kosten voor het openbaar vervoer. Van dit gedeelte van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of deze schade rechtstreeks door het bewezen verklaard feit is toegebracht. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van dit deel van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] (feit 5).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft integrale toewijzing van de vordering gevorderd met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft niet-ontvankelijkheid bepleit.

Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de dagwaarde van de auto tot een bedrag van 1.000,-- euro, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren ten aanzien van het overig gevorderde. Van dit gedeelte van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of deze schade rechtstreeks door het bewezen verklaard feit is toegebracht. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van dit deel van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] (feit 11).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard omdat de verzekering de schade reeds heeft vergoed.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft eveneens niet-ontvankelijkheid bepleit.

Beoordeling.

De rechtbank deelt de mening van de officier van justitie en de raadsman en zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, aangezien uit de stukken blijkt dat de verzekering de schade volledig heeft vergoed en er in zoverre geen sprake meer is van door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade.

De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten van verdachte. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

Beslag.

Verbeurdverklaring.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat, zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting, dit voorwerpen zijn met behulp van welke een of meer van de bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid en welke voorwerpen aan verdachte toebehoren.

Onttrekking aan het verkeer.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan het verkeer onttrokken dient te worden verklaard, omdat blijkens het onderzoek ter terechtzitting, deze voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane misdrijven zijn aangetroffen, terwijl deze voorwerp kunnen dienen tot het begaan of ter voorbereiding van soortgelijke misdrijven als feit 1 en 2 en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet.

Teruggave.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 24c, 27, 36f, 33, 33a, 36d, 45, 57, 60a, 63, 310, 311, 312, 317

Wet wapens en munitie art. 13, 26, 55.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1:

Poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

of

Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

t.a.v. feit 2:

Poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

of

Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

t.a.v. feit 3:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

t.a.v. feit 4:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

t.a.v. feit 5:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

t.a.v. feit 6:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

t.a.v. feit 7:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

t.a.v. feit 8:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

t.a.v. feit 9:

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

t.a.v. feit 10:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

t.a.v. feit 11:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

t.a.v. feit 12:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

t.a.v. feit 13:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5, feit 6, feit 7, feit 8, feit 9, feit 10, feit 11, feit 12, feit 13:

- een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

t.a.v. feit 3:

niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2]in de vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

t.a.v. feit 4:

- de maatregel van schadevergoeding van EUR 813,62 subsidiair 16 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] van een bedrag van EUR 813,62 (zegge:

achthonderddertien euro en tweeënzestig eurocenten), bij gebreke van betaling

en verhaal te vervangen door 16 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit

materiële schade (schade auto 750,-- euro, openbaar vervoer 50,-- euro en

verlofuren 13,62 euro).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van)

zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde

betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van

het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot

betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van een bedrag van EUR 813,62

(zegge: achthonderddertien euro en tweeënzestig eurocenten ). Het bedrag bestaat

uit materiële schade (schade auto 750,-- euro, openbaar vervoer 50,-- euro en

verlofuren 13,62 euro).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de

datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van)

zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor

zover hij of (een van) zijn mededader (s) heeft/hebben voldaan aan een van de

hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van de overige kosten voor het

openbaar vervoer niet ontvankelijk is.

t.a.v. feit 5:

- de maatregel van schadevergoeding van EUR 1000,00 subsidiair 20 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] van een bedrag van EUR 1.000,--

(zegge: duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20

dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit materiële schade (dagwaarde van de

auto).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van)

zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde

betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van

het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot

betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] van een bedrag van EUR 1.000,--

(zegge: duizend euro). Dit bedrag bestaat uit materiële schade (dagwaarde van

de auto).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de

datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van)

zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor

zover hij of (een van) zijn mededader (s) heeft/hebben voldaan aan een van de

hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet

ontvankelijk is.

t.a.v. feit 11:

niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 5] in de vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

-verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten: een personenauto,

Volkswagen Golf, kleur beige en twee stuks papier.

-onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten: twee

zwarte alarmpistolen en negen stuks munitie Sellier&Bellot 9mm Luger.

-teruggave inbeslaggenomen goederen, te weten: een telefoontoestel, merk

Blackberry, met oplader, een telefoontoestel, merk Samsung en 2 documenten

Hertz Comp Coax System, aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.A. Waals, voorzitter,

mr. J.H.P.G. Wielders en mr. R.J. Bokhorst, leden,

in tegenwoordigheid van G.A.M. de Laat, griffier,

en is uitgesproken op 16 oktober 2014.