Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:6026

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-10-2014
Datum publicatie
15-10-2014
Zaaknummer
01/820670-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor oplichting meermalen gepleegd tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Om zijn gokverslaving te bekostigen heeft verdachte zijn werkgever voor ruim een miljoen euro benadeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/820670-13

Datum uitspraak: 15 oktober 2014

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1954],

wonende te [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 januari 2014 en 1 oktober 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 december 2013.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 1 oktober 2014 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 juni 2006 tot en met
18 oktober 2012 te Nuenen, gemeente Nuenen Ca, in elk geval in Nederland,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van

- een valse of vervalste factuur van [bedrijf 1] d.d. 6 december 2006 (factuurnummer 25347, factuurbedrag 1.811,78 euro) (bijlage 22) en/of

- een valse of vervalste factuur van [bedrijf 2] d.d. 11 januari 2007 (factuurnummer 4112598, factuurbedrag 5.321,68 euro) (bijlage 25) en/of

- een valse of vervalste factuur van [bedrijf 3] d.d. 21 januari 2008 (factuurnummer 0050080049, factuurbedrag 5.099,15 euro) (bijlage 29) en/of

- een valse of vervalste factuur van [bedrijf 4] d.d. 9 juni 2009 (factuurnummer 0050090127, factuurbedrag 4.887,98 euro)

(bijlage 30) en/of

- een valse of vervalste factuur van [bedrijf 5] d.d. 9 september 2010

(factuurnummer 2010-00114, factuurbedrag 4.319,10 euro) (bijlage 32) en/of

- een valse of vervalste factuur van [bedrijf 6] d.d. 10 juni 2011 (factuurnummer FA11000819, factuurbedrag 3.813,95 euro) (bijlage 34) en/of

- een valse of vervalste factuur van [bedrijf 7] d.d. 27 augustus 2012 (factuurnummer 62561, factuurbedrag 2.856,00 euro) (bijlage 36),

- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -

bestaande dat gebruikmaken telkens hierin dat hij, verdachte voornoemde geschrift(en) (telkens) heeft ingediend bij de directie van [bedrijf 8]

en bestaande die valsheid of vervalsing telkens hierin dat hij, verdachte eerder ingediende en uitbetaalde facturen nogmaals heeft ingediend en/of bij het invoeren van de betaling van die facturen in het betaalsysteem zijn, verdachtes (eigen) bankrekeningnummer (te weten 68.58.89.734) als begunstigde heeft ingevoerd;

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 juni 2006 tot en met
18 oktober 2012 te Nuenen, gemeente Nuenen Ca, in elk geval in Nederland,

(telkens) met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf 8] heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag (1.068.394,41 euro), in elk geval enig goed,

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - (telkens) valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- ( telkens) betalingen in een betalingssysteem van [bedrijf 8] klaargezet en/of zichzelf als begunstigde ingevoerd en/of

- daarbij (telkens) valse, althans vervalste facturen ter autorisatie bij de directie van [bedrijf 8] ingediend,

waardoor [bedrijf 8] (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte(s).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak.

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, maar met de raadsman, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daarbij meer specifiek dat de door verdachte gebruikte facturen niet vals of vervalst zijn, zodat reeds daarom het onder feit 1 ten laste gelegde niet bewezen kan worden. De omstandigheid dat verdachte die facturen heeft ingevoerd in het betaalsysteem en daarbij zijn eigen bankrekeningnummer als begunstigde invoerde, leidt niet tot een ander oordeel.

Motivering van de bewezenverklaring.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 2 meer specifiek dat [bedrijf 8] door verdachte telkens is bewogen tot afgifte van geldbedragen. Nadat verdachte de betaling van de facturen in het betaalsysteem had ingevoerd en zijn eigen bankrekeningnummer als begunstigde had ingevoerd, moest de directie van [bedrijf 8] een akkoord geven ten aanzien van de door verdachte aangeboden facturen alvorens de geldbedragen naar het bankrekeningnummer van verdachte konden worden overgeboekt. Zonder dit akkoord van [bedrijf 8] kon de betaalopdracht geen doorgang vinden. Door de facturen aan de directie aan te bieden verkreeg verdachte dit akkoord. Aldus heeft verdachte (de directie van) [bedrijf 8] telkens bewogen tot afgifte van de geldbedragen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op tijdstippen in de periode van 14 juni 2006 tot en met 18 oktober 2012 te Nuenen, gemeente Nuenen Ca,

telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen [bedrijf 8] heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen tot een totaal van 1.068.394,41 euro,

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -

telkens listiglijk en in strijd met de waarheid:

- betalingen in een betalingssysteem van [bedrijf 8] klaargezet en zichzelf als begunstigde ingevoerd en

- daarbij telkens facturen ter autorisatie bij de directie van [bedrijf 8] ingediend,

waardoor [bedrijf 8] telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgiftes.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie acht zowel feit 1 als feit 2 wettig en overtuigend bewezen.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan

6

maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarde reclasseringscontact dat gericht is op het omgaan met spanningen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim zes jaar schuldig gemaakt aan het op vele tijdstippen oplichten van zijn werkgever tot een totaalbedrag van ruim één miljoen euro. Verdachte heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur eigenbelang (om zijn gokverslaving te bekostigen) en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van het bedrijf waarvoor hij werkzaam was. Verdachte heeft zijn werkgever grote financiële schade toegebracht en het door zijn werkgever in hem gestelde vertrouwen op ernstige wijze geschonden. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Bij de oriëntatiepunten ten aanzien van fraude is het benadelingsbedrag relevant. Het bewezenverklaarde betreft benadeling voor ruim één miljoen euro, in welk geval het vertrekpunt bij het bepalen van de straf luidt: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden.

Er zijn zeer aanzienlijke strafmatigende factoren. Het door het slachtoffer, een B.V., gebruikte bedrijfsproces van fiattering heeft als controlemiddel jarenlang gefaald. Verdachte hanteerde de oplichtingspraktijken ten aanzien van relatief kleinere maar toch niet onaanzienlijke geldbedragen. Doordat hij op vele tijdstippen diezelfde oplichtingswijze heeft kunnen hanteren, is de benadeling tot ruim een miljoen euro opgelopen. Niet is gebleken dat verdachte de verkregen geldbedragen nog in zijn bezit heeft. Op enkele relatief kleinere gezinsuitgaven na, heeft verdachte al het geld vergokt. Voorts weegt de rechtbank mee dat verdachte door de civiele rechter is veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van ruim één miljoen euro. Er is beslag gelegd op bezittingen van verdachte.

De rechtbank acht, gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, het recidiverisico nagenoeg nihil. Na het aan het licht komen van de oplichting zijn inmiddels bijna twee jaren verstreken. Verdachte heeft in de tussentijd voor zijn gokverslaving succesvol een behandeling ondergaan en heeft op eigen initiatief een casinoverbod gekregen. Bovendien is hij door zijn werkgever ontslagen en acht de rechtbank het onaannemelijk dat verdachte, gelet op deze zaak, opnieuw een functie zal bekleden waar hij de mogelijkheid heeft zich aan vergelijkbare feiten schuldig te maken.

Verdachte is thans 60 jaar oud en is niet eerder voor strafbare feiten veroordeeld. Verdachte heeft er blijk van gegeven dat hij de ernst van de door hem aan zijn werkgever aangedane schade inziet. Hij heeft de door hem gepleegde strafbare feiten in een vroeg stadium van het onderzoek toegegeven en ook verder zijn volledige medewerking aan dat onderzoek verleend, waaronder het verlenen van toestemming om zijn persoonlijke bankzaken in te zien.

Tenslotte weegt de rechtbank bij het bepalen van de straf mee dat verdachte lijdt aan een, thans in een stabiele fase verkerende, doch ernstige, levensbedreigende ziekte.

Al deze strafmatigende factoren leiden tot het oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend is. De rechtbank zal een taakstraf van maximale duur opleggen alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf. Een verplicht reclasseringscontact heeft naar het oordeel van de rechtbank geen toegevoegde waarde en zal derhalve niet worden opgelegd. Aldus legt de rechtbank een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, waarbij tevens een rol speelt dat de rechtbank verdachte vrijspreekt van feit 1. De rechtbank is van oordeel dat de straf die de zij zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 326.

DE UITSPRAAK

T.a.v. feit 1:

Vrijspraak.

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 2:

oplichting, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

T.a.v. feit 2:

Taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.

T.a.v. feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van
2 jaren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,

mr. E.C.P.M. Valckx en mr. C.J. Sangers- de Jong, leden,

in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Cox-Wentholt, griffier,

en is uitgesproken op 15 oktober 2014.