Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:5812

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-10-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
14 _ 1521
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schending inlichtingenplicht nu ten onrechte geen inlichtingen zijn verstrekt over het verrichten van op geld waardeerbare arbeid in kringloopwinkel van dochter.

Verweerder heeft niet gedurende de hele periode waarover de uitkering is ingetrokken en teruggevorderd vastgesteld dat eiser op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht in de kringloopwinkel. Dit is slechts vastgesteld op de dagen dat verweerder waarnemingen heeft verricht en eiser in of bij de winkel is gesignaleerd. Het bestreden besluit kan geen stand houden en verweerder dient ook het bedrag van de terugvordering en de opgelegde boete(14/2296) opnieuw vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 14/1521

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2014 de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

en

[eiseres], eiseres,

tezamen: eisers

(gemachtigde: mr. M.J.C. van den Hoff),

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veldhoven, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Scholte).

Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2013 heeft verweerder de WWB-uitkering van eisers ingetrokken per 11 mei 2013. Bij besluit van 21 oktober 2013 heeft verweerder de algemene en bijzondere bijstand teruggevorderd over de periode van 11 mei 2013 tot en met 31 juli 2013 ter hoogte van € 3.475,67.

Bij besluit op bezwaar van 20 maart 2014 heeft verweerder in afwijking van het advies van de commissie voor bezwaarschriften de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2014, waar eiser is verschenen in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde. Eiseres is niet verschenen. Verder is verschenen M. Mirzadeh, tolk Farsi en Dar. Voor verweerder is de gemachtigde verschenen.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

2.

Eisers ontvangen sinds 2007 een uitkering op grond van de WWB naar de norm voor gehuwden. Op 30 mei 2013 heeft verweerder een anonieme fraudemelding ontvangen. Daarnaast is op 25 juni 2013 en 5 juli 2013 telefonisch informatie ontvangen van een anonieme melder. In de melding is onder meer gesteld dat een dochter van eisers uitwonend staat ingeschreven maar bij eisers woont en dat [eiser] elke dag zwart werkt bij een tweedehandswinkel in België. Ook is daarin vermeld dat hij een grijze Audi heeft met een Belgisch kenteken die op naam van zijn dochter staat. Naar aanleiding van deze tip heeft verweerder een rechtmatigheidsonderzoek uitgevoerd. Ten behoeve van het rechtmatigheidsonderzoek heeft een opsporingsambtenaar de activiteiten van eiser in de periode van 11 juni 2013 tot en met 22 augustus 2013 geobserveerd. De bevindingen van dit onderzoek zijn vastgelegd in het rapport handhaving van de sociaal rechercheur van 27 augustus 2013 en een aanvullende rapportage van 4 september 2013. De conclusie van het rapport handhaving is dat eiser op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht gedurende zes dagen per week in de Kringloopwinkel van [dochter], waarboven haar woonhuis is gelegen. Van deze activiteiten is geen opgave gedaan aan verweerder, terwijl eiser daarvoor tenminste het minimumloon had kunnen bedingen.

Op 23 augustus 2013 zijn eisers geconfronteerd met de onderzoeksbevindingen. Eiser heeft verklaard dat hij genoemde periode bij zijn dochter [dochter] is geweest om haar te helpen, maar dat hij er niet heeft gewerkt omdat hij daar niet toe in staat is. Hij heeft er niets verdiend.

3.

Het bestreden besluit houdt in dat eisers geen recht hebben op bijstand vanaf 11 mei 2013, de dag van het incident tussen [dochter] en haar echtgenoot en de dag waarop eiser volgens eiseres zijn dochter is gaan helpen. De uitkering van eisers is ingetrokken met ingang van 11 mei 2013 en over de periode 11 mei 2013 tot en met 31 juli 2013 is de algemene bijstand tot een bedrag van €3.408,73 en de bijzondere bijstand tot een bedrag van €66,94 van eisers teruggevorderd.

4.

Eisers voeren aan, samengevat weergegeven, dat eiser niet heeft gewerkt in de kringloopwinkel van zijn dochter [dochter] en daartoe ook niet in staat is. Eiser heeft, mede uit vrees voor agressie van de echtgenoot van [dochter], aan haar bescherming en emotionele steun verleend. [dochter] stond door het vertrek van haar echtgenoot na een incident in de relatiesfeer van 10 op 11 mei 2013 er alleen voor terwijl zij op het punt stond te bevallen. Op 13 mei 2013 is [dochter] bevallen. Eisers voeren verder aan dat gelet op de intensiteit en de lange periode waarin de observaties van verweerder hebben plaats gevonden dit een ongeoorloofde inbreuk op hun privé leven is en dat daarmee artikel 8 van het EVRM is geschonden. Eisers stellen voorts dat verweerder de activiteiten van eiser in en rond de winkel van [dochter] opblaast. Om in de woning boven de winkel te komen moet men door de winkel en moeten eerst de spullen buiten worden gezet omdat eiser anders er niet langs kan, zo stelt eiser.

5.

Verweerder neemt het standpunt in, kort weergegeven, dat het zeer de vraag is of [dochter] en haar 2 kinderen in de periode voor 30 juli 2013/ 1 augustus 2013 in de woning boven de winkel hebben verbleven. Tot 30 juli 2013 heeft verweerder geen enkel teken van leven in de woning boven de winkel waargenomen. Op 1 augustus 2013 is [dochter] voor het eerst waargenomen. Wel is eiser op welk moment van de dag dan ook waargenomen bij of in de winkel dan wel de garage, maar nooit in de woning erboven. Ook is uit de waarnemingen gebleken dat eiser zeer regelmatig op geld waardeerbare arbeid heeft verricht, zoals het openen en sluiten van de winkel, klanten helpen en het verplaatsen van spullen in of bij de winkel. Op 23 juli 2013 heeft de klantmanager van verweerder bij eiser nadrukkelijk nagevraagd hoe zijn dagindeling is. Toen heeft eiser niet kenbaar gemaakt dat hij veel bij [dochter] is om haar te ondersteunen. Door dit na te laten ligt nu, volgens verweerder, de bewijslast bij eiser. Verweerder meent verder dat moet worden uitgegaan van de juistheid van de waarnemingen tenzij wordt aangetoond dat die waarnemingen met zekerheid onjuist zijn. De enkele stelling van eiser dat de waarnemingen niet juist zijn is niet voldoende. Aanvullend onderzoek acht verweerder geen optie nu het door verweerder gepleegde onderzoek voldoende bewijs levert en de winkel in het buitenland is gevestigd, het ondervragen van klanten voor een winkel schadelijk kan zijn en de waarnemer niet herkend wilde worden. Verweerder is dan ook van mening dat eiser vanaf 11 mei 2013 gedurende 6 dagen per week op geld waardeerbare arbeid heeft verricht in de winkel van zijn dochter [dochter]. Dat eiser daarvan geen administratie heeft bijgehouden komt voor zijn rekening en risico.

6.

De rechtbank overweegt het volgende.

7.

Verweerder heeft de bijstandsuitkering van eisers ingetrokken per 11 mei 2013 omdat eiser gedurende 6 dagen per week op geld waardeerbare arbeid heeft verricht in de Kringloopwinkel van zijn dochter [dochter] en daarvan geen melding heeft gedaan bij verweerder.

8.

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat een anonieme tip aanleiding kan geven tot het instellen van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstandsuitkering wanneer deze tip relevant, concreet en voldoende onderbouwde informatie bevat met betrekking tot de woon- en leefsituatie van betrokken bijstandsgerechtigde. Het is de rechtbank niet gebleken dat onderhavige tips hieraan niet voldoen. De beweegredenen van de tipgever dan wel onjuistheden in de tip maken dit niet anders, nu het rechtmatigheidsonderzoek de bedoeling heeft het waarheidsgehalte van de tip te onderzoeken.

9.

Ter zake van de gestelde inbreuk op het privé-leven van eisers is de rechtbank met verweerder van oordeel dat er inderdaad sprake is van een inbreuk, maar dat het in dit geval een gerechtvaardigde inbreuk betreft. Immers het doel van de observaties was om vast te stellen of eiser in de kringloopwinkel van [dochter] op geld waardeerbare arbeid verrichtte, en zo ja, wanneer en hoe vaak hij wat deed en welke auto hij daarbij gebruikt. De wijze van observeren, vanuit een auto, is naar het oordeel van de rechtbank van dien aard dat niet kan worden volgehouden dat in dit geval minder ingrijpende middelen hadden kunnen worden benut. Ook een relatief lange periode van observaties was naar het oordeel van de rechtbank in dit geval gerechtvaardigd gelet op de aard van de verkregen informatie en het doel van de observaties. Immers het inwinnen van informatie bij klanten kan schade toebrengen aan de winkel, de winkel is gevestigd in België en de waarnemer wilde tijdens het onderzoek niet herkend worden door eiser. Om deze redenen was een minder ingrijpende wijze van onderzoek niet aangewezen.

10.

De rechtbank ziet zich vervolgens geplaatst voor de beantwoording van de vraag of eiser op geld waardeerbare arbeid heeft verricht in de kringloopwinkel van [dochter] en dit ten onrechte niet bij verweerder heeft gemeld.

11.

De rechtbank stelt voorop dat hoewel bij een belastend besluit in beginsel de bewijslast op verweerder rust, volgens vaste rechtspraak van de CRvB de aanwezigheid van een belanghebbende tijdens reguliere arbeidstijden op een bestaande werkplek in een bedrijf de vooronderstelling rechtvaardigt dat deze daar ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht. Het is daarbij aan belanghebbende om het tegendeel te bewijzen.

12.

Tussen partijen is niet in geding dat boven de kringloopwinkel de woning van [dochter] gelegen is. [dochter] heeft in haar verklaringen gesteld dat zij tijdens het verlof van haar reguliere baan, bij afwezigheid van haar echtgenoot, tot 5 augustus fulltime in de winkel heeft gewerkt en dat een kennis en haar broer haar daarbij hebben geholpen.

Eiser heeft verklaard dat hij bij zijn dochter aanwezig was omdat zij in de winkel moest werken nu haar echtgenoot was vertrokken en eiser daardoor op de twee kinderen moest passen. In dat licht bezien acht de rechtbank de aanwezigheid van eiser in of bij de winkel, geconstateerd op welk moment van de dag ook, niet logisch. In de winkel had eiser immers niks te zoeken als hij boven op de kinderen moest passen. Bovendien wordt de stelling van eiser en [dochter] weerlegd door de mondelinge verklaring van eiser op 19 augustus 2013 inhoudende: “Ja het is waar, de winkel is van mijn dochter, in de laatste maanden heeft mijn dochter een kind gekregen waardoor zij niet in de winkel werkzaam kon zijn”. De rechtbank gaat uit van de juistheid van deze verklaring. Conform vaste jurisprudentie wordt geen betekenis toegekend aan het achteraf intrekken of ontkennen van een dergelijke verklaring. Verweerder heeft dan ook op goede gronden geconcludeerd dat [dochter] na haar bevalling niet werkzaam is geweest in de winkel en dat de verklaring van eiser tijdens de hoorzitting en de schriftelijke verklaring van [dochter] van 17 oktober 2013 onjuist zijn.

Uit de observaties die verweerder heeft verricht blijkt voorts dat eiser de kringloopwinkel ’s ochtends opende, spullen buiten zette, later weer binnen zette en ’s avonds de winkel weer sloot, dat hij de garage opende, spullen buiten zette, later de spullen weer binnen zette en de garage sloot, gesprekken voerde met klanten, en niet in het boven de winkel gelegen woonhuis of met kind(eren) van [dochter] is gezien. Ook verplaatste eiser de bestelauto.

13.

De rechtbank stelt vast dat eiser inderdaad alleen via de winkel naar het woonhuis van [dochter] kon. Dat eiser slechts door de winkel kon lopen naar het woonhuis van [dochter] als hij eerst de spullen buiten zette, acht de rechtbank niet aannemelijk. Immers het is weinig waarschijnlijk dat ’s avonds na het binnenhalen van de spullen mensen slechts naar of van het woonhuis van [dochter] konden komen nadat eerst de spullen buiten waren gezet.

Het is de rechtbank voorts gebleken dat eiser noch [dochter] een administratie heeft bijgehouden. Dit moet voor rekening en risico van eiser worden gelaten. Verder acht de rechtbank de stelling van eiser dat de waarnemer bij bepaalde gelegenheden niet eiser maar iemand anders heeft waargenomen onvoldoende onderbouwd. Daarbij is van belang dat de waarnemer de beschikking had over een duidelijke foto van eiser waarop zijn snor zichtbaar is. De rechtbank acht tevens van belang dat eisers verklaringen niet consistent zijn en ook niet overeenstemmen met hetgeen zijn dochter [dochter] heeft verklaard. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet afdoende kunnen aantonen dat hij in de kringloopwinkel geen op geld waardeerbare arbeid heeft verricht en daar enkel was ter ondersteuning van zijn dochter [dochter] en om op haar kinderen te passen. De rechtbank betrekt bij dit oordeel de omstandigheid dat eiser ook op 23 juli 2013 in een onderhoud bij verweerder niet heeft aangegeven dat hij veel bij zijn dochter [dochter] in België was en waarom hij daar veel was. Alles in aanmerking genomen is eiser er niet in geslaagd aan te tonen dat hij geen op geld waardeerbare werkzaamheden in de kringloopwinkel van [dochter] heeft verricht en een inkomen gerelateerd aan het minimumloon kunnen bedingen. Eiser heeft verweerder ten onrechte niet ingelicht noch over zijn werkzaamheden in de kringloopwinkel van [dochter] noch over het oppassen op de kinderen van [dochter]. De grieven van eiser falen.

14.

Nu de waarnemingen van verweerder in de periode 11 juni 2013 tot en met 22 augustus 2013 hebben plaatsgevonden is de rechtbank echter van oordeel dat verweerder in elk geval niet voor 11 juni 2013 concrete aanwijzingen en daarmee toereikende reden kon hebben om te besluiten tot het intrekken van de bijstandsuitkering van eisers. Uit het Waarnemings-journaal van verweerder is de rechtbank voorts gebleken dat de observaties van verweerder tot 27 juni 2013 zich beperken tot Veldhoven. Op 27 juni 2013 observeert verweerder de kringloopwinkel van [dochter] in Arendonk, België voor het eerst. Eiser wordt dan in de garage gesignaleerd, maar daarbij is niet vermeld dat is geconstateerd dat eiser enige op geld waardeerbare werkzaamheid heeft verricht die dag. Pas vanaf 12 juli 2013 heeft verweerder waargenomen dat eiser in de kringloopwinkel van [dochter] op geld waardeerbare arbeid heeft verricht. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook pas per 12 juli 2013 toereikende reden om de uitkering van eiser in te trekken. Daarnaast is de rechtbank evenwel van oordeel dat verweerder niet de gehele periode vanaf 12 juli 2013 tot en met 22 augustus 2013 heeft vastgesteld dat eiser in de kringloop winkel van [dochter] op geld waardeerbare arbeid heeft verricht. Verweerder heeft dit slechts vastgesteld op de dagen dat eiser in of bij de winkel is gesignaleerd. Op die dagen heeft eiser op geld waardeerbare arbeid verricht en kan tot intrekking van de uitkering worden besloten. De rechtbank ziet dan ook onvoldoende aanknopingspunten om met verweerder te oordelen dat eiser op 6 dagen in de week in kringloopwinkel werkzaam was. Het bestreden besluit kan in zoverre geen stand houden en zal worden vernietigd. Verweerder dient zich hieromtrent opnieuw te beraden.

Gelet hierop dient verweerder het bedrag van de terugvordering op nieuw te berekenen. De rechtbank acht zich niet in staat tot een dergelijke berekening. Om deze reden ziet de rechtbank onvoldoende grond tot finale beslechting van dit geschil te komen.

15.

Nu het beroep gegrond is, ziet de rechtbank termen verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eisers gemaakte proceskosten in verband met kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden met in acht neming van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op €974,00, te weten 1 punt voor het (aanvullend) beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt €487,00, wegingsfactor 1.

Tevens dient verweerder het door eisers betaalde griffierecht van €45,00 te vergoeden.

16.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    gelast verweerder een nieuw besluit op bezwaar te nemen met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van €974,00;

  • -

    gelast verweerder eisers het betaalde griffierecht van €45,00 te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.N. Kruijer, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.W.H Potters, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.