Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:578

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
04-03-2014
Zaaknummer
AWB-13_3914
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft: Schending inlichtingenplicht in het kader van de Toeslagenwet. Terugvordering en boete. Beroep enkel gericht tegen opgelegde boete. Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals dat besluit luidt sinds 1 januari 2013, wordt van toepassing geacht. Sprake van voortdurende overtreding, waarbij geen gebruik is gemaakt van geboden ‘inkeerregeling’. Derhalve geen sprake van situatie als bedoeld in artikel XXV, tweede lid, van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving. Overgangsrecht wordt niet in strijd geacht met artikel 7, eerste lid, eerste volzin EVRM en artikel 15, eerste lid, eerste volzin IVBP. Geen strijd met het legaliteitsbeginsel. Opgelegde boete wordt evenredig geacht. Geen sprake van dringende reden om af te zien van boeteoplegging.

Wetsverwijzingen
Toeslagenwet, geldigheid: 2014-03-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0562
V-N Vandaag 2014/484
V-N 2014/22.16.8

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/3914

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 februari 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats]

(gemachtigde mr. J.W. van de Wege)

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: G.M.M. Diebels).

Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2013 (primair besluit I) heeft verweerder het recht op toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) per 9 april 2012 herzien. Het bedrag van € 3.185,71 bruto, dat eiseres over de periode van 9 april 2012 tot en met 10 maart 2013 ten onrechte aan toeslag heeft ontvangen, dient zij terug te betalen.

Bij besluit van eveneens 26 maart 2013 (primair besluit II) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 2.390,00 (75% van het benadelingsbedrag van € 3.185,71).

Bij besluit van 21 juni 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de door eiseres tegen primair besluit I en II gerichte bezwaren ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Op 8 december 2011 heeft eiseres bij verweerder een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW), alsmede een toeslag ingevolge de TW als aanvulling op deze WW-uitkering aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft eiseres - onder meer - aangegeven dat zij alleenstaand is en dat zij een kind jonger dan 18 jaar heeft.
Bij besluit van 19 januari 2012 heeft verweerder met ingang van 2 januari 2012 een WW-uitkering, alsmede een toeslag ter hoogte van € 10,08 per dag gedurende de eerste twee maanden en met ingang van 2 maart 2012 een bedrag van € 13,61 per dag toegekend.
Op 5 maart 2013 heeft verweerder in SUWInet geconstateerd dat eiseres vanaf 13 april 2012 een gezamenlijke huishouding voert zoals bedoeld in artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder a en b, van de TW. Eiseres is vanaf die dag onder één dak gaan wonen met haar ex-echtgenoot, tevens de vader van haar kinderen..

2.

Verweerder heeft op basis van die gegevens geconcludeerd dat eiseres in de periode van 9 april 2012 tot en met 10 maart 2013 geen recht had op een toeslag.

3.

In geschil is de opgelegde boete van € 2.390,00. Op grond van artikel 2, eerste lid van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit szw), zoals dat besluit luidt sinds
1 januari 2013,wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op de hoogte van het benadelingsbedrag. Bij verminderde verwijtbaarheid wordt de bestuurlijke boete verlaagd. Verweerder heeft de hoogte van het boetebedrag, daarbij rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van eiseres, bepaald op 75% van het benadelingsbedrag
(€ 3.185,71). Verweerder geeft hierbij toepassing aan artikel 2a, tweede lid, onder a, van het Boetebesluit szw.

4.

Eiseres heeft aangevoerd dat vanaf 1 januari 2013, ten gevolge van een wetswijziging hogere boetes worden opgelegd bij schending van de inlichtingenplicht. Omdat volgens eiseres sprake is van een voortgezette overtreding, had verweerder het nieuwe regime niet mogen toepassen op de gehele periode van 9 april 2012 tot en met 10 maart 2013. Eiseres acht dat, onder verwijzing naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 10 mei 2000 (ECLI:NL:CRVB:2000:AA6466), in strijd met artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 7, eerste lid, eerste volzin, van het EVRM en artikel 15, eerste lid, eerste volzin van het IVBPR. Gelet hierop, had verweerder artikel XXV, tweede lid van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (de Wet) dan ook zo moeten uitleggen dat het nieuwe wettelijke regime pas van toepassing is op een voortgezette overtreding vanaf 1 februari 2013. Voor zover de rechtbank dit standpunt niet volgt, heeft eiseres aangevoerd dat de overgangsrechtelijke bepaling van artikel XXV, tweede lid, van de Wet wegens strijd met de hiervoor genoemde internationaalrechtelijke bepalingen buiten toepassing moet blijven.

5.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij conform artikel XXV, tweede lid, van de Wet heeft gehandeld.

6.

Artikel XXV, tweede lid, van de Wet luidt: ten aanzien van beboetbare overtredingen voorzien bij of krachtens de wetten die bij deze wet zijn gewijzigd en die zijn begaan uiterlijk op de dag voor de dag waarop deze wet of het desbetreffende onderdeel daarvan in werking is getreden, blijft het recht van toepassing zoals dat gold op de dag voor de dag waarop deze wet of het desbetreffende onderdeel daarvan in werking is getreden, mits uiterlijk op de dertigste dag na de dag waarop deze wet of het desbetreffende onderdeel daarvan in werking is getreden de overtreding is opgeheven of geconstateerd.

7.

De rechtbank stelt vast dat eiseres vanaf het moment dat zij bij haar ex-echtgenoot is gaan wonen de inlichtingenplicht heeft geschonden en dat deze overtreding heeft voortgeduurd tot de datum waarop verweerder dit heeft geconstateerd, namelijk 5 maart 2013. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een situatie als bedoeld in artikel XXV, tweede lid, van de Wet. De overtreding ving immers aan vóór de inwerkingtreding van de Wet (1 januari 2013) en is niet op uiterlijk 31 januari 2013 opgeheven, dan wel geconstateerd. Uit de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2011-2012, 33207, nr. 3, p 57-58) blijkt dat de wetgever voornoemde overgangsrechtelijke bepaling uitdrukkelijk heeft bedoeld voor een situatie als de onderhavige. Daarbij dient te worden onderstreept dat de wetgever heeft willen voorkomen dat het blijven verzwijgen van de juiste feiten omtrent de leefsituatie zou leiden tot toepassing van een gunstiger regime.

8.

Het vorenstaande betekent dat het nieuwe wettelijke regime over de gehele periode van 9 april 2012 tot en met 10 maart 2013 van toepassing is. De uitleg die eiseres aan voornoemd artikellid van het overgangsrecht geeft, in die zin dat de periode waarin de overtreding is begaan in twee gedeelten zou moeten worden geknipt, acht de rechtbank onjuist, nu het gaat om een voortdurende overtreding. Dat wil zeggen dat eiseres ook ná inwerkingtreding van de Wet per 1 januari 2013 èn na 31 januari 2013 in overtreding is gebleven. Eiseres mag daarom worden bestraft volgens het nieuwe en zwaardere boeteregime dat geldt onder het per 1 januari 2013 gewijzigde artikel 14a van de TW. Dit zou anders zijn geweest indien eiseres telkens opnieuw op een formulier had ingevuld dat zij alleenstaand is. Daarvan is hier geen sprake. In dit geval was (en bleef) het de (actieve) plicht van eiseres om verweerder middels een wijzigingsformulier op de hoogte te brengen van de nieuwe situatie.

9.

De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het overgangsrecht buiten toepassing moet worden gelaten. Van strijd met artikel 7, eerste lid, eerste volzin, van het EVRM en artikel 15, eerste lid, eerste volzin van het IVBPR is geen sprake. Het eerste lid, eerste volzin van deze bepalingen behelst de waarborg dat niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. De rechtbank stelt vast dat het schenden van de inlichtingenplicht, anders dan in de uitspraak van de CRvB waar eiseres naar verwijst, reeds vóór 1 januari 2013 een strafwaardige gedraging betrof, zodat geen sprake is van schending van de hierbedoelde waarborg.

Dat op grond van het nieuwe wettelijke regime een zwaardere sanctie wordt opgelegd dan op grond van het recht dat ten tijde van de aanvang van de overtreding gold, acht de rechtbank niet in strijd met het legaliteitsbeginsel. De rechtbank verwijst naar hetgeen onder 8 is overwogen en voegt daaraan toe dat verweerder uitkeringsgerechtigden die reeds vóór
1 januari 2013 in overtreding waren uitdrukkelijk de mogelijkheid heeft gegeven om binnen één maand (gerekend vanaf 1 januari 2013) alsnog voor het recht op uitkering van belang zijnde informatie te melden en daardoor de schending van de informatieplicht op te heffen. Bovendien had eiseres sinds de publicatie in het Staatsblad van 23 oktober 2012 bekend kunnen zijn met het inwerking treden van het nieuwe wettelijke regime per 1 januari 2013.

10.

Eiseres heeft verder aangevoerd dat verweerder in strijd met het bepaalde in de artikelen 5:10a en 5:50 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gehandeld door haar er niet op te wijzen dat zij niet tot antwoorden verplicht was, alsmede dat haar niet is gevraagd om een zienswijze ten aanzien van het voor de overtreding opgemaakte rapport.

11.

De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat eiseres vanaf 13 april 2012 een gezamenlijke huishouding voerde zoals hiervoor bedoeld en dat zij dat niet heeft gemeld aan verweerder. Het niet geven van de cautie doet in dit geval dan ook niet ter zake, aangezien op grond van de enkele constatering van verweerder reeds vaststond dat de inlichtingenplicht is geschonden. Verder is eiseres bij brief van 20 maart 2013 op de hoogte gebracht van het voornemen tot het opleggen van een boete, omdat zij niet heeft doorgegeven dat haar leefsituatie is veranderd. Daarbij is eiseres in de gelegenheid gesteld een reactie (zienswijze) in te dienen. Van schending van artikel 5:50, eerste lid van de Awb is dan ook geen sprake.

12.

Het standpunt van eiseres dat de subjectieve verwijtbaarheid ontbreekt, volgt de rechtbank niet. Eiseres is er in het toekenningsbesluit van 19 januari 2012 immers uitdrukkelijk op gewezen dat zij veranderingen in haar situatie of inkomen moet doorgeven, omdat dit gevolgen kan hebben voor haar uitkering. Dat eiseres de consequenties van het niet melden van de wijziging in haar leefsituatie niet overzag, doet aan haar meldingsplicht niet af. Het is verder naar het oordeel van de rechtbank evident dat het enkel melden van een adreswijziging niet betekent dat verweerder daarmee ook op de hoogte is van het feit dat eiseres introk bij haar ex-echtgenoot. Gelet hierop heeft verweerder eiseres dan ook terecht een boete opgelegd.

13.

De hoogte van de boete heeft verweerder niet op het basisboetebedrag van 100% van het benadelingsbedrag, maar op 75% daarvan bepaald, dit vanwege de omstandigheid dat eiseres destijds met haar kinderen in een moeilijke situatie verkeerde, doordat zij op straat was komen te staan.. Ter zitting heeft verweerder aan de hand van een interne memo uiteengezet dat er vier categorieën van boetes zijn, te weten 100% bij volledige verwijtbaarheid, 75% bij licht verminderde verwijtbaarheid, 50% bij verminderde verwijtbaarheid en 25% bij sterk verminderde verwijtbaarheid.

14.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst en duur van de overtreding en rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van eiseres, de door verweerder opgelegde boete evenredig moet worden geacht. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Van dringende redenen om af te zien van oplegging van de boete is niet gebleken.

15.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.W.A. Verrijt, voorzitter, en mr. B.A.J. Zijlstra en
mr. F.M. Tadic, leden, in aanwezigheid van A.P.C. Lensvelt LLB, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.