Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:5614

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-09-2014
Datum publicatie
06-10-2014
Zaaknummer
SHE 13/5423
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft door gedeputeerde staten opgelegde lasten onder dwangsom wegens overtreding van voorschriften verbonden aan omgevingsvergunning voor lozingen van bedrijfsafvalwater. De rechtbank laat achterwege in hoeverre verweerder na het vervallen van artikel 6.7, derde lid, van het Bor per 1 januari 2014 nog bevoegd was een invorderingsbeschikking te nemen. De rechtbank overweegt dat inrichtingen in categorie 25 ingevolge artikel 28.3 onder g, van bijlage I, onderdeel C bij het Bor buiten beschouwing blijven en daarom niet behoren tot categorie 28.1, van bijlage I, onderdeel C, bij het Bor. Nu de inrichting niet tot categorie 28.1 van bijlage I, onderdeel C, bij het Bor behoort, is onderdeel 28.4 evenmin van toepassing. Dit ziet slechts op inrichtingen in categorie 28.1 van bijlage I, onderdeel C, bij het Bor. De rechtbank beschouwt het maximaal 12 keer per jaar affakkelen van restproducten niet als een afzonderlijk onderdeel van de inrichting maar als een incidentele activiteit die inherent is aan de hoofdactiviteiten van de inrichting. Verweerder was niet bevoegd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en voorziet zelf in de zaak door het primaire besluit te herroepen.

Wetsverwijzingen
Besluit omgevingsrecht, geldigheid: 2014-10-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2014/128 met annotatie van T. van der Meulen

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 13/5423

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 september 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: ing. M.J. Tomas),

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder

(gemachtigde: Y.G.E. Weijns-Maréchal).

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een viertal lasten onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van voorschrift 5.1, verbonden aan de krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewater (Wvo) op 3 augustus 2004 aan eiseres verleende vergunning voor haar inrichting, gelegen aan [adres]. Per last is een dwangsom opgelegd van € 1.500,00 per geconstateerde overtreding, met telkens per last een maximum van € 7.500,00.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 30 mei 2013 bezwaar gemaakt bij verweerder. Tevens heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht ter zake een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 20 juni 2013 (SHE 13/3276) heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eiseres afgewezen.

Bij besluit van 16 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit met een aanvullende motivering in stand gelaten.

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2014. Eiseres is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van ing. H.W.G. Mous en mr. W.J. de Zeeuw, beiden werkzaam bij het Waterschap Brabantse Delta (hierna: het waterschap).

Overwegingen

1.1 De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2 Eiseres exploiteert een bedrijf dat zich onder meer bezig houdt met het reinigen van tankauto’s, tankcontainers, bulkcontainers, intermediate bulkcontainers en spoorketelwagons.

1.3 Bij besluit van 3 augustus 2004 heeft het waterschap eiseres een vergunning verleend op grond van de Wvo ten behoeve van de lozing van bedrijfsafvalwater via de riolering van het Havenschap Moerdijk en de afvalwaterpersleiding voor Westelijk Noord-Brabant op de rioolzuiveringswaterinstallatie Bath, alsmede van niet verontreinigd regenwater op oppervlaktewater in kwaliteitsbeheer bij het waterschap. In de vergunning is voorschrift 5.1 opgenomen waarin de samenstelling van het influent van de verdamper is genormeerd voor de parameters ‘EOX’, ‘Kwik’, ‘Som zware metalen’ en ‘Cadmium’. Deze vergunning, voor zover het geen indirecte lozingen betreft, is op basis van artikel 2.25, tweede lid, onder a, van de Invoeringswet Waterwet met ingang van 22 december 2009 gelijkgesteld met een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer (Wm).

1.4 Bij besluit van 20 juli 2004 heeft verweerder aan eiseres een vergunning verleend op grond van de Wm voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting bestemd voor een transportbedrijf met opslag van (gevaarlijke) stoffen, alsmede reparatie en reiniging van transportmaterieel, gelegen aan [adres]. Op 27 maart 2009 en 9 april 2010 zijn nog twee veranderingsvergunningen verleend. Deze vergunningen zijn, tezamen met de hierboven genoemde vergunning, met ingang van 1 oktober 2010 op grond van artikel 1.2 van de Invoeringswet Wabo, gelijkgesteld met omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

1.5 Op 22 november 2012 heeft verweerder een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) afgegeven voor een omgevingsvergunning voor het veranderen van de inrichting, welke vergunning burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk op 29 november 2012 aan eiseres hebben verleend.

1.6 Bij besluit van 7 juli 2005 heeft het waterschap aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd wegens het overtreden van de voorschriften 5.1, 6.5 en 10.1 van de omgevingsvergunning. Tot en met 2010 heeft het waterschap tientallen dwangsommen geïnd wegens het overtreden van voorschrift 5.1 van de vergunning (lozingsnormen voor het influent indampen).

1.7 Bij brief van 23 december 2013 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat vanwege een zevental overtredingen in de periode van 9 augustus 2013 tot en met 7 oktober 2013 in totaal een dwangsom is verbeurd van € 10.500,00 en eiseres gesommeerd dit bedrag te betalen. Verder wordt aangegeven dat de brief moet worden aangemerkt als een ondubbelzinnige stuitingshandeling om verjaring te voorkomen en dat de brief geen besluit is waartegen bezwaar openstaat.

2.

In het bestreden besluit is het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard. Het beroep heeft slechts betrekking op het bestreden besluit. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder desgevraagd ter zitting heeft aangegeven dat hij geen invorderingsbeschikking in de zin van artikel 5:37 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft genomen en dat de brief van 23 december 2013 moet worden beschouwd als een vooraankondiging van een invorderingstraject. Verweerder heeft ook aangegeven dat eiseres het bedrag inmiddels heeft betaald. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat bespreking van het karakter van de brief van 23 december 2013 alsmede in hoeverre verweerder bevoegd was om na het vervallen van artikel 6.7, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) per 1 januari 2014 nog een invorderingsbeschikking te nemen en of eiseres hierbij nog procesbelang heeft, achterwege kan blijven.

3.1

Eiseres voert aan dat de inrichting niet kan worden aangemerkt als een inrichting als bedoeld in categorie 28.4, onder e, van bijlage I , onderdeel C, bij het Bor. De activiteiten die eiseres ontplooit worden genoemd in categorie 25 van de betreffende bijlage. Uit deze activiteiten komt maximaal 12 maal per jaar een restproduct voort dat moet worden afgefakkeld. Er kan onmogelijk gesproken worden van een inrichting die gericht is op het accepteren van afvalstoffen van derden met de doelstelling of het oogmerk deze afvalstoffen te verbranden, zoals bedoeld in categorie 28.4, onder e. Verweerder was onbevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom.

3.2

Verweerder stelt dat de inrichting gezien de activiteiten zowel onder categorie 25.2 als onder categorie 28.4, onder e, van bijlage I, onderdeel C, bij het Bor valt. Ten aanzien van de bevoegdheidsverdeling dient volgens verweerder te worden uitgegaan van de zwaarste categorie, zijnde 28.4. Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat eiseres geen beroep heeft ingesteld tegen de omgevingsvergunning van 29 november 2012 en dat daarmee vast staat dat verweerder bevoegd was een vvgb af te geven.

3.3

Ingevolge artikel 6.7, eerste lid, van het Bor, zoals dat gold ten tijde van het primaire besluit tot 1 januari 2014, wordt voor zover een aanvraag betrekking heeft op activiteiten met betrekking tot een inrichting de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat gedeputeerde staten van de provincie waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben. De eerste volzin geldt slechts voor activiteiten met betrekking tot een inrichting die behoort tot een categorie ten aanzien waarvan in bijlage I, onderdeel C, is bepaald dat gedeputeerde staten bevoegd zijn omtrent een vvgb te beslissen. Ingevolge het derde lid hebben gedeputeerde staten ten aanzien van inrichtingen als bedoeld in het eerste lid mede tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder a, van de Wabo.

3.4

In bijlage I, onderdeel C is als categorie 25.1 aangewezen: inrichtingen voor het reinigen van drukhouders, insluitsystemen, ketels, vaten, mobiele tanks, tankauto's, tank- of bulkcontainers. In bijlage I, onderdeel C is onder onderdeel 28.3 onder g bepaald dat voor de toepassing van onderdeel 28.1 buiten beschouwing blijven: inrichtingen voor het reinigen van drukhouders, insluitsystemen, ketels, vaten, mobiele tanks, tankauto’s of tank- of bulkcontainers.
In bijlage I, onderdeel C is in onderdeel 28.4 onder e bepaald dat, onverminderd de artikelen 3.3, eerste lid, tweede volzin, en 6.7, eerste lid, derde volzin, gedeputeerde staten bevoegd zijn te beslissen omtrent een vvgb ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor het verbranden van buiten de inrichting afkomstige bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen.

3.5

Tussen partijen is niet in geschil dat de inrichting valt onder categorie 25 van bijlage I, onderdeel C, bij het Bor. Inrichtingen in categorie 25 blijven ingevolge onderdeel 28.3 onder g, van bijlage I, onderdeel C, bij het Bor buiten beschouwing en behoren daarom niet tot categorie 28.1 van bijlage I, onderdeel C, bij het Bor. Nu de inrichting niet tot categorie 28.1 van bijlage I, onderdeel C, bij het Bor behoort, is onderdeel 28.4 evenmin van toepassing. Dit ziet slechts op inrichtingen in categorie 28.1 van bijlage I, onderdeel C, bij het Bor. De rechtbank beschouwt het door eiseres geschetste maximaal 12 keer per jaar affakkelen van restproducten niet als een afzonderlijk onderdeel van de inrichting maar als een incidentele activiteit die inherent is aan de hoofdactiviteit van de inrichting, namelijk het reinigen van drukhouders, insluitsystemen, ketels, vaten, mobiele tanks, tankauto’s of tank- of bulkcontainers. Verweerder was ten tijde van het primaire besluit noch daarna bevoegd tot het afgeven van een vvgb ten behoeve van de inrichting van eiseres en was daarom evenmin bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom op basis van artikel 6.7, derde lid, van het Bor in samenhang met artikel 5.2, vierde lid, van de Wabo. Dat verweerder voorafgaand aan het primaire besluit wel een vvgb heeft afgegeven ten behoeve van de onherroepelijke omgevingsvergunning van 29 november 2012 leidt niet tot een ander oordeel. Daargelaten dat eiseres niet valt tegen te werpen dat zij geen beroep heeft ingesteld tegen de aan haar verleende omgevingsvergunning waarvan de verklaring van geen bedenkingen integraal onderdeel uitmaakt, valt niet in te zien dat een onverplicht afgegeven vvgb zou kunnen leiden tot een buitenwettelijke bevoegdheid om mede handhavend op te treden. Deze beroepsgrond slaagt.

4.

Hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd kan reeds hierom buiten beschouwing blijven. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Het bezwaar van eiseres is gegrond. De rechtbank zal het primaire besluit herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

5.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift,

1

punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,00 en een wegingsfactor 1). Er is niet verzocht om vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit, verklaart het tegen het besluit van 18 april 2013 gemaakte bezwaar gegrond en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 318,00 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 974,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. M.T. van Vliet, leden, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.