Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:5570

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
06-10-2014
Datum publicatie
06-10-2014
Zaaknummer
01/865049-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitvoer van 56.702 XTC-pillen, 550 gram hennep en 65,31 gram hasjiesj. Deze drugs zijn aangetroffen in twee koffers die ter inklaring voor een vlucht naar Portugal werden aangeboden aan de beveiliging van Eindhoven Airport. Voorwaardelijk opzet.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865049-14

Datum uitspraak: 06 oktober 2014

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1992],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd te: Detentiecentrum Schiphol HvB.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 september 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 juni 2014.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 16 april 2014 te Eindhoven opzettelijk buiten het

grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de

Opiumwet, ongeveer 56.702 pillen, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij die

wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel

3a van die wet, immers heeft verdachte opzettelijk twee, althans een,

koffer(s), waarin die pillen (telkens) heimelijk in de bodem waren verstopt,

op de luchthaven aldaar aangeboden aan de beveiliging en/of douane ter

inklaring voor een vlucht naar Portugal;

(artikel 2 juncto 10 Opiumwet)

2.

hij op of omstreeks 16 april 2014 te Eindhoven opzettelijk buiten het

grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de

Opiumwet, ongeveer 550 gram, in elk geval een hoeveelheid hennep, en/of

ongeveer 65,31 gram, in elk geval een hoeveelheid hasjiesj, zijnde hennep

en/of hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende

lijst II, dan wel (telkens) aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet, immers heeft verdachte opzettelijk twee, althans een, koffer(s),

waarin die hennep en/of hasjiesj (telkens) heimelijk in de bodem waren

verstopt, op de luchthaven aldaar aangeboden aan de beveiliging en/of douane

ter inklaring voor een vlucht naar Portugal;

(artikel 3 onder A juncto 11 Opiumwet)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2.

Verdachte bekent dat hij de twee koffers waarin de aangetroffen hennep en hasjiesj die hij op de luchthaven bij zich had, wilde uitvoeren naar het buitenland. Verdachte ontkent dat hij wist dat in de koffers, naast XTC-pillen, ook hennep en hasjiesj was verstopt. De verdediging heeft bepleit dat verdachte dan ook geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, had op het uitvoeren van de hennep en hasjiesj.

De rechtbank verwerpt deze stelling van de verdediging.

Verdachte heeft - samengevat - onder meer het volgende verklaard.

In zijn vaderland Brazilië is verdachte ingegaan op het aanbod van een kennis om ongeveer € 9.000 te verdienen met de smokkel van drugs vanuit Nederland naar Brazilië. Daartoe is hij volgens een vooropgezet plan naar Nederland gereisd met de bedoeling om enige tijd later terug te reizen met de drugs. Verdachte kwam op 3 april 2014 aan in Nederland en heeft volgens plan in Amsterdam een contactpersoon ontmoet die hem op 16 april 2014 twee “lege” koffers heeft gegeven om mee te nemen naar Brazilië. Volgens verdachte had deze contactpersoon hem verteld dat in de koffers XTC zat, vermoedelijk 30.000 pillen. Verdachte heeft de koffers meegenomen naar zijn hotel en daar de koffers gevuld met zijn kleding. Vervolgens is hij diezelfde dag met de twee koffers naar Eindhoven Airport gereisd waar hij heeft ingecheckt voor een vlucht naar Faro, Portugal.

Bij controle van de koffers op de luchthaven bleek dat in een van de koffers de bodembekleding was dichtgenaaid op de plaats waar een rits zou moeten zitten. Onder die bodembekleding werden 3 geplastificeerde pakketten aangetroffen met daarin totaal ongeveer 56.702 XTC-pillen, 65,31 gram hasjiesj en 550 gram hennep.

De rechtbank leidt uit deze door verdachte geschetste gang van zaken af dat verdachte vanaf het moment dat hij de koffers in ontvangst nam, wist dat daarin door een ander drugs waren verborgen. Gesteld noch gebleken is dat verdachte de koffers zelf heeft onderzocht en evenmin dat hij bij zijn contactpersoon heeft doorgevraagd om erachter te komen wat voor drugs er in de koffers zaten. Gelet op deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat verdachte, toen hij de koffers meenam om uit te voeren, welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij naast XTC-pillen ook andere drugs, zoals de aangetroffen hennep en hasjiesj zou uitvoeren naar het buitenland.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

Ten aanzien van feit 1.

op 16 april 2014 te Eindhoven opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 56.702 pillen van een

materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij die

wet behorende lijst I, immers heeft verdachte opzettelijk twee koffers, waarin die pillen heimelijk in de bodem waren verstopt, op de luchthaven aldaar aangeboden aan de beveiliging en/of douane ter inklaring voor een vlucht naar Portugal;

Ten aanzien van feit 2.

op 16 april 2014 te Eindhoven opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 550 gram hennep en

65,31 gram hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj telkens een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, immers heeft verdachte opzettelijk twee koffers, waarin die hennep en hasjiesj heimelijk in de bodem waren verstopt, op de luchthaven aldaar aangeboden aan de beveiliging en/of douane ter inklaring voor een vlucht naar Portugal.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert ten aanzien van feit 1 en feit 2 een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen I-phone en teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen documenten.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de uitvoer van een grote hoeveelheid XTC-pillen en een hoeveelheid hennep en hasjiesj.

Het handelen van verdachte was erop gericht de handel in harddrugs en softdrugs in het buitenland mogelijk te maken. Het is algemeen bekend dat die verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Ook hennep en hasjiesj kunnen gevaar opleveren voor de gezondheid van de gebruikers ervan. De hennephandel gaat steeds meer gepaard met andere, ook zware, vormen van criminaliteit. Verdachte is planmatig te werk gegaan. Hij heeft immers de door hem gepleegde strafbare feiten begaan na een periode van voorbereiding en overeenkomstig een voor hem samen met anderen welbewust opgesteld plan. Hij heeft alvorens de drugs via Eindhoven Airport uit te voeren, eerst twee verkenningsbezoeken aan Nederland gebracht. Verdachte heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en zich kennelijk niet bekommerd om de schadelijke gevolgen voor anderen.

De rechtbank weegt in strafmatigende zin het volgende mee. Verdachte heeft de door hem gepleegde uitvoer van harddrugs in een vroeg stadium van het onderzoek toegegeven en meegewerkt aan het politieonderzoek. Verdachte is – voor zover bekend – niet eerder met politie en justitie in aanraking geweest, ook niet in het buitenland. Voorts speelt een rol de jeugdige leeftijd van verdachte, te weten 22 jaar.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit een voorwerp is met behulp van welke de feiten zijn begaan of voorbereid en dit voorwerp ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorde.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van deze voorwerpen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 33, 33a, 57

Opiumwet art. 2, 3, 10, 11.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

Ten aanzien van feit 1, feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het

Wetboek van Strafrecht;

Verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten:

- een Apple I-phone 5.

Teruggave inbeslaggenomen goederen, te weten:

- meerdere documenten (volgnummer 13 beslaglijst) aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. M. Lammers en mr. A.W.H. van Velzen, leden,

in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier,

en is uitgesproken op 6 oktober 2014.

Mr. A.W.H. van Velzen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.