Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:5536

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-09-2014
Datum publicatie
30-09-2014
Zaaknummer
01/865068-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor de invoer dan wel teelt van hennep. Bewezen is het aanwezig hebben van ongeveer 200 kilogram hennep (straatwaarde EUR 700.000,-).

Verweer doorzoeking/binnentreden berging (onrechtmatig verkregen bewijs) verworpen.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865068-14

Datum uitspraak: 30 september 2014

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1989],

wonende te [woonplaats], [adres 1],

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 september 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 augustus 2014.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 2 juni 2014 te Helmond tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 200 kilogram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

2.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2014 tot en met 2 juni 2014 te Helmond en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk

aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid / hoeveelheden hennep van (telkens) meer dan 30 gram, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat hetgeen aan verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het aan verdachte onder feit 1 ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de resultaten van de doorzoeking in de berging, waaronder de aangetroffen hennep, van het bewijs moeten worden uitgesloten, omdat deze onrechtmatig zijn verkregen.

De raadsman is van mening dat de berging onlosmakelijk deel uitmaakt van de woning. De verbalisanten hebben met het betreden van de berging inbreuk gemaakt op het recht op privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM).

Verbalisanten hebben de berging betreden zonder de voor het binnentreden van een woning vereiste schriftelijke machtiging, op grond van de Algemene wet op het binnentreden, . Vervolgens hebben verbalisanten in de berging niet louter zoekend rondgekeken maar deze berging doorzocht. Zij hebben de sporttassen opengeritst en daarin hennep aangetroffen. De verbalisanten waren niet bevoegd de berging te doorzoeken.

Nu de aangetroffen hennep moet worden uitgesloten van het bewijs dient verdachte te worden vrijgesproken vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Het oordeel van de rechtbank.1

Op grond van artikel 9 van de Opiumwet hebben opsporingsambtenaren toegang tot de plaatsen waar redelijkerwijs vermoed kan worden dat een overtreding van de Opiumwet plaatsvindt.

Op 2 juni 2014 kregen verbalisanten een melding van een hennepgeur in de flat gelegen aan de [adres 2] te Helmond. Bij de deur van de berging behorende bij [adres 2] te Helmond, de woning van verdachte, werd een sterke hennepgeur waargenomen.2

Hierdoor konden de verbalisanten redelijkerwijs vermoeden dat zich in de berging hennep bevond en hadden zij het recht om in het belang van het onderzoek de berging te betreden. Naar het oordeel van de rechtbank is e deze berging geen 'woning' in de zin van de Algemene Wet op het Binnentreden. De berging ligt immers op enige afstand van de woning en is geen ruimte waar mensen een privaat-huiselijk leven leiden. De berging wordt gebruikt als opslagruimte.

Een schriftelijke machtiging op grond van voornoemde wet was daarom niet vereist.

De bevoegdheid tot toegang tot de berging in combinatie met een algemene inbeslagnamebevoegdheid gaf de verbalisanten vervolgens het recht de berging te betreden, zoekend rond te kijken en voor de hand liggende voorwerpen in beslag te nemen. . Uit het proces-verbaal van bevindingen (p. 39) blijkt dat de verbalisanten in de berging een kinderwagen hebben verplaatst en een deken hebben verwijderd. Onder deze deken zagen zij een aantal zwarte sporttassen, 2 boodschappentassen en een kartonnen doosje staan. Zij roken dat de sterke hennepgeur afkomstig was van deze goederen.

Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de melding van de hennepgeur, de in de berging aangetroffen goederen onder de deken en de sterke hennepgeur die afkomstig was van deze goederen, de bevoegdheid tot inbeslagneming van de tassen en de doos (en dus ook van het openen daarvan) op grond van artikel 9 van de Opiumwet gegeven.

De tassen en de doos met hennep werden voor de hand liggend aangetroffen en het door verbalisanten verplaatsen van de kinderwagen en vervolgens wegtrekken van de deken die over de tassen en doos heen was gedrapeerd, kan niet worden aangemerkt als een stelselmatig en gericht onderzoek Van een doorzoeking, zoals door de verdediging is gesteld, is geen sprake geweest. Het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting wordt daarom verworpen.

De rechtbank acht, gelet op de processen-verbaal van bevindingen34, waarin de verbalisanten verklaren dat zij in de berging bij de woning van verdachte 204,20 kg hennep hebben aangetroffen en de verklaring van verdachte dat hij wist dat in zijn berging een grote hoeveelheid hennep was opgeslagen5, wettig en overtuigend bewezen hetgeen hierna onder de bewezenverklaring is vermeld. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte het feit tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd en zal verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrij spreken.

De rechtbank heeft gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven opgesomde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op 2 juni 2014 te Helmond opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 200

kilogram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van feit 1:

Een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht om aan verdachte ten aanzien van feit 1 een gevangenisstraf voor de duur van 14 weken met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht en een taakstraf voor de maximale duur op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een zeer grote hoeveelheid hennep in zijn berging aanwezig gehad, waarvan de straatwaarde ruim 700.000 euro bedraagt.

Het behoeft geen betoog dat hennep gevaar kan opleveren voor de gezondheid van de gebruikers ervan. De handel in hennep gaat bovendien steeds meer gepaard met andere, ook zware vormen van criminaliteit. De rechtbank rekent dit verdachte dan ook zwaar aan.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat verdachte er blijk van heeft gegeven dat hij de laakbaarheid van zijn handelen inziet.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Deze gevangenisstraf wordt voor een gedeelte voorwaardelijk opgelegd om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 14a, 14b, 14c, 27 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

T.a.v. feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 1:

Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. M. Lammers en mr. W.J.M. Fleskens, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,

en is uitgesproken op 30 september 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, genummerd PL2200-2014074270.

2 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 39.

3 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 39-40.

4 Proces-verbaal bevindingen, pag. 120.

5 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 16 september 2014.