Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:5488

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-09-2014
Datum publicatie
25-09-2014
Zaaknummer
SHE 14/458
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:1984, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor het bouwen van acht woningen nabij de Peelrandbreuk in Deurne.

Bouwbesluit ziet, voor zover het het treffen van maatregelen ter voorkoming van schade aan onroerende zaken op nabijgelegen percelen betreft, op het voorkomen van schade die de veiligheid van de op die percelen aanwezige bouwwerken in gevaar brengt.

Eiseres heeft geen gronden aangevoerd die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat daaraan bij de uitvoering van het bouwplan zodanige schade zou kunnen worden toegebracht dat de veiligheid daarvan in het geding zou zijn.

Verweerder heeft in redelijkheid kunnen besluiten dat het niet overleggen van een bouwveiligheidsplan geen strijd met het Bouwbesluit oplevert. Omgevingsvergunning terecht verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 14/458

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 september 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. drs. F.K. van den Akker)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne, verweerder.

(gemachtigden: R.E.H.G. Paping-Driessen en N. Scharp)

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Locatievereniging CPO Kunert te Deurne, vergunninghoudster.

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunning-houdster een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van 8 CPO-woningen op de adressen Peelrand 19 t/m 33 (oneven) te Deurne.

Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 20 december 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het besluit van 10 oktober 2013 in stand gelaten.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 20 maart 2014 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het primaire besluit en het bestreden besluit geschorst tot de uitspraak op het beroep.

Bij besluit van 23 april 2014 heeft verweerder het bestreden besluit vervangen door een nieuwe beslissing op het bezwaar. De rechtbank heeft partijen bericht dat het beroep van eiseres van rechtswege mede is gericht tegen dit besluit.

Eiseres heeft, naar aanleiding hiervan, aanvullende gronden ingediend en aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens derde-partij is [persoon A] verschenen.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Op 12 juli 2013 heeft vergunninghoudster bij verweerder een aanvraag ingediend tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van acht CPO-woningen (CPO staat voor Collectieve Particuliere Opdrachtgevers) op de percelen Peelrand 19 t/m 33 (oneven). Deze percelen zijn gelegen achter de woningen aan de Zonnedauw, waarvan eiseres nummer [huisnummer] bewoont.

Bij uitspraak van 20 maart 2014 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het primaire en het bestreden besluit geschorst, omdat niet onaannemelijk werd geacht dat, door de nabijheid van de Peelrandbreuk, bij trillingen tijdens de bouw van de CPO-woningen schade aan de woning van eiseres zou kunnen worden veroorzaakt.

Bij de hernieuwde beslissing op het bezwaar heeft verweerder aan de omgevingsvergunning de voorwaarde verbonden dat uiterlijk drie weken voor de aanvang van de bouwwerkzaamheden aan verweerder een bouwveiligheidsplan ter goedkeuring moet worden aangeboden.

2.

Volgens verweerder voldoet het bouwwerk aan de van toepassing zijnde voorschriften en bepalingen uit het Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit). Volgens verweerder bestaat er geen aanleiding om te veronderstellen dat de bouw van de woningen schade toebrengt aan de woning van eiseres, zodat er geen verplichting bestaat om op grond van het Bouwbesluit een bouwveiligheidsplan op te stellen. Om de angst bij eiseres weg te nemen heeft verweerder niettemin besloten om in het besluit van 23 april 2014 alsnog een daartoe strekkende voorwaarde op te nemen.

3.

Eiseres voert aan dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, omdat niet is gewaarborgd dat de bouw van CPO-woningen waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, niet zal leiden tot schade aan haar woning. Volgens eiseres is sprake van strijd met het Bouwbesluit. Op grond van artikel 8.2, aanhef en onder c, van het Bouwbesluit dienen maatregelen te worden getroffen ter voorkoming van schade aan naburige bouwwerken op een aangrenzend perceel.

De bij besluit van 23 april 2014 alsnog aan de vergunning verbonden nadere voorwaarde, waarin is voorgeschreven dat drie weken voor de aanvang van de bouw door verweerder een bouwveiligheidsplan moet worden goedgekeurd, garandeert niet dat schade aan de woning van eiseres kan worden voorkomen, omdat verweerder niet duidelijk heeft gemaakt aan welke eisen dit plan moet voldoen. Omdat verder niet valt te begrijpen dat verweerder wel alsnog een bouwveiligheidsplan voorschrijft, terwijl verweerder nog steeds van mening is dat niet aannemelijk is dat de bouw van de CPO-woningen van invloed is op de scheurvorming in de woning van eiseres, is dit besluit bovendien onzorgvuldig voorbereid en gebrekkig gemotiveerd.

4.

In artikel 2.10, eerste lid, onder a, van de Wabo, is bepaald dat, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet.

5.

Gelet op de formulering van deze bepaling heeft verweerder, bij de beoordeling of het bouwplan voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit, beoordelingsvrijheid. Dat betekent dat de rechtbank het oordeel van verweerder met betrekking tot de vraag of aan de voorwaarde van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is voldaan, terughoudend dient te toetsen.

6.

Op grond van artikel 8.1, eerste lid, van het Bouwbesluit moet de uitvoering van bouw- en sloopwerkzaamheden zodanig zijn dat voor de omgeving een onveilige situatie of voor de gezondheid of bruikbaarheid nadelige hinder zoveel mogelijk wordt voorkomen.

Ingevolge artikel 8.2, aanhef en onder c. van het Bouwbesluit moeten bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden maatregelen worden getroffen ter voorkoming van beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere al dan niet roerende zaken op onder meer aangrenzende percelen.

Op grond van artikel 8.7 van het Bouwbesluit worden deze maatregelen op aanwijzing van het bevoegd gezag vastgelegd in een veiligheidsplan.

7.

Uit de Nota van toelichting bij het Bouwbesluit (Staatsblad 2011, 416) kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de regeling in afdeling 8.1 van het Bouwbesluit is, dat bouw- en sloopwerkzaamheden zodanig worden uitgevoerd dat voor de omgeving onveilige situaties of voor de gezondheid of bruikbaarheid nadelige hinder zoveel mogelijk worden voorkomen. Het gaat met name om het voorkomen van letsel van personen, of beschadigingen dan wel belemmering van wegen, werken of roerende zaken die zich in de omgeving van het bouw- of sloopterrein bevinden.

Uit de Nota van toelichting kan verder worden opgemaakt dat het Bouwbesluit, voor zover het het treffen van maatregelen ter voorkoming van schade aan onroerende zaken op nabijgelegen percelen betreft, ziet op het voorkomen van schade die de veiligheid van de op die percelen aanwezige bouwwerken in gevaar brengt.

8.

Weliswaar heeft eiseres, met het overleggen van rapporten, aannemelijk gemaakt dat het niet geheel valt uit te sluiten dat er door de bouw van de CPO-woningen meer schade aan haar woning zou kunnen ontstaan, maar zij heeft geen gronden aangevoerd die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat daaraan bij de uitvoering van het bouwplan zodanige schade zou kunnen worden toegebracht dat de veiligheid daarvan in het geding zou zijn.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich dan ook in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de bouw van de woningen schade toebrengt aan de woning van eiseres en kunnen besluiten dat het niet overleggen van een bouwveiligheidsplan geen strijd met het Bouwbesluit oplevert. De omstandigheid dat verweerder bij besluit van 23 april 2014 alsnog een bouwveiligheidsplan heeft verlangd, om de angst bij eiseres weg te nemen, maakt dat niet anders. Dat verweerders alsnog een bouwveiligheidsplan heeft verlangd, onder handhaving van het standpunt dat dit niet noodzakelijk is, duidt niet op een motiverings- of een zorgvuldigheidsgebrek.

9.

Verweerder heeft, gelet op het voorafgaande, terecht geen aanleiding gezien om de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen te weigeren.

10.

Overigens is uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat vergunninghoudster zich terdege bewust is van de bestaande situatie en dat zij bij de bouw van de woningen maatregelen zal nemen ten einde schade aan de woning van eiseres te voorkomen. Mocht er als gevolg van de bouw van de woningen desondanks schade aan de woning van eiseres ontstaan dan betreft dat een civielrechtelijke kwestie.

11.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.J. van der Meiden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 september 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State