Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2014:5487

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-09-2014
Datum publicatie
25-09-2014
Zaaknummer
SHE 14/1686
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijkende regeling voor de Belastingdienst/Toeslagen van de Wet dwangsom en beroep bij niet-tijdig beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

Zaaknummer: SHE 14/1686

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 september 2014 in de zaak tussen

[eiseres] te [woonplaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. J.J.C.M. Rouws),

en

de Belastingdienst/ Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Op 2 april 2013 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen door verweerder op 14 maart 2013 respectievelijk 21 maart 2013genomen primaire besluiten, betreffende het recht op huurtoeslag over de berekeningsjaren 2012 en 2013.

Op 9 augustus 2013 heeft eiseres verweerder, in verband met het uitblijven van een beslissing op haar bezwaarschrift, in gebreke gesteld.

Bij beslissing op bezwaar van 21 december 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder op de bezwaren van eiseres beslist. Daarop heeft eiseres verweerder verzocht de dwangsommen wegen niet tijdig beslissen op het bezwaar vast te stellen. Hierop heeft eiseres niets meer vernomen.

Op 12 mei 2014 heeft eiseres beroep ingesteld en de rechtbank verzocht om de hoogte van de verbeurde dwangsom wegens niet tijdig nemen van de beslissing(en) op bezwaar vast te stellen.

Van de zijde van verweerder is een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1.

Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is omdat het beroep kennelijk gegrond, ongegrond of niet-ontvankelijk is.

2.

Ingevolge artikel 8:55b, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank, indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, uitspraak met toepassing van artikel 8:54 van de Awb, tenzij de rechtbank een onderzoek ter zitting noodzakelijk acht.

3.

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld voor de toepasselijkheid van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep. Daartegen kan krachtens artikel 8:1 van de Awb beroep worden ingesteld.

4.

Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

Ingevolge artikel 6:12, vierde lid, van de Awb is het beroep niet-ontvankelijk, indien het

beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

5.

Het beroepschrift is niet onredelijk laat ingediend in de zin van artikel 6:12, vierde lid, van de Awb, zodat het beroep niet om die reden niet-ontvankelijk is.

6.

De rechtbank constateert dat het onderhavige beroep is ingediend nádat de beslissing op bezwaar reeds was gegeven en dat het niet inhoudelijk tegen dat besluit is gericht, zodat het beroep enkel ziet (kan zien) op het uitblijven van de ambtshalve vaststelling door verweerder van de (eventueel) verschuldigde dwangsom als bedoeld in artikel 4:18 van de Awb.

Teneinde beroep in te kunnen stellen tegen het eventuele uitblijven van een dergelijke beslissing dient opnieuw, thans voor déze beslissing, te worden voldaan aan de vereisten uit artikel 6:12 van de Awb.

7.

De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier geen ingebrekestelling bevindt wegens het uitblijven van de ambtshalve beslissing tot het vaststellen van een dwangsom, terwijl de in artikel 6:12, derde lid, van de Awb, geformuleerde uitzondering zich in dit geval niet voordoet.

8.

Het beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

9.

Om proceseconomische redenen ziet de rechtbank aanleiding om zich -strikt genomen ten overvloede- uit te laten over de verschuldigdheid van een dwangsom.

10.

Uit de gedingstukken blijkt dat, nu het bestreden besluit eerst in december 2013 is genomen, niet in geschil is dat de beslistermijn is overschreden.

Ingevolge artikel 4:18 van de Awb stelt het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom, binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was, bij beschikking vast.

11.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen dwangsom verschuldigd is. Daartoe is in het verweerschrift gesteld:

“2012

In artikel XVI van de Overige fiscale maatregelen 2009 (wet van 18 december 2008) is geregeld dat paragraaf 4.1.3.2 van de Awb, inhoudende de dwangsom bij niet tijdig beslissen, met betrekking tot ingevolge de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) te nemen of genomen beschikkingen voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot het berekeningsjaar 2013 (ingevolge de klaatste wijziging van dit artikel, gedateerd 15 december 2011). De bestreden beslissing ziet op berekeningsjaar 2012. Om deze reden kan voor het jaar 2012 geen aanspraak worden gemaakt op een dwangsom omtrent het niet tijdig beslissen op bezwaar.

2013

Op grond van artikel II, onderdeel A2 van de Wet toepassing dwangsomregeling artikel 12, tweede lid, algemene wet inkomensafhankelijke regelingen per 1 januari 2013 (zie artikel III van deze wet) zal deze als volgt komen te luiden: “Paragraaf 4.1.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op beschikkingen van de Belastingdienst/Toeslagen met uitzondering van de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 14, alsmede beslissingen op bezwaarschriften tegen deze beschikkingen, (…).

Gezien het voorgaande is paragraaf 4.1.3.2 van de Awb niet van toepassing op de beslissing van Belastingdienst/Toeslagen van 2 april 2013 nu deze een bezwaarschrift tegen een voorschotbeschikking betreft en geen beschikking tot toekenning van een tegemoetkoming. Ik stel mij dan ook op het standpunt dat eiseres ook voor het jaar 2013 niet in aanmerking komt voor de uitbetaling van een dwangsom.”

12.

De rechtbank onderschrijft dit standpunt van verweerder.

Zij verwerpt de stelling van eiseres “dat de voorschotbeslissing feitelijk niet is te beschouwen als een voorlopig oordeel, dat nog een nadere berekening zou vergen” en daarmee, naar de rechtbank moet begrijpen, een (definitieve) tegemoetkoming zou inhouden. Die gedachtegang past niet binnen het wettelijk systeem van de voorschotbeschikking en de definitieve toekenning van een recht op toeslag achteraf.

13.

Omdat het beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard, acht de rechtbank geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling, noch om te bepalen dat het griffierecht moet worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank,

  • -

    Verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

  • -

    Bepaalt dat geen dwangsom is verschuldigd wegens niet tijdig beslissen, zodat het verzoek tot vaststelling daarvan wordt afgewezen.

Aldus gedaan door mr. J.D. Streefkerk als rechter in tegenwoordigheid van

mr. B. van der Bruggen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2014.1

griffier rechter

1 Tegen deze uitspraak staat het rechtsmiddel verzet open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de dagtekening van de verzending van het afschrift van deze uitspraak een verzetschrift aan deze rechtbank te zenden. Daarin vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt. Als u op uw verzet gehoord wilt worden dient u dat in het verzetschrift aan te geven.Afschriften verzonden: